Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'De oorlog heeft mealtijd beziggehouden' VERZAMELAAR WINTERHULPSPELDJES

Home

LOES SMIT

“Of ik zelf wel es iets aan de Winterhulp heb gegeven? Ik zou het niet weten. Ik weet niet eens meer of ze bij ons in het dorp wel collecteerden. Misschien kwamen ze wel aan de deur. Trouwens, ik had helemaal geen geld, ik was een jongen van vijftien toen de oorlog uitbrak.”

Het kamertje waar de Ermelose verzamelaar F. W. Steen noodgedwongen zijn spullen heeft opgeslagen nu zijn zolder voor andere doeleinden nodig is, barst uit zijn voegen van boeken, dozen, zakken en losse objecten. Zelf weet hij er nauwelijks meer weg in (“als alles weer op orde is, zal een heleboel weer nieuw voor me zijn”), maar heeft er moeiteloos een grote vakjesdoos uitgevist, vol met voorwerpen van zijn laatste liefde: Winterhulpspeldjes. Die verzamelt hij pas een half jaar, dus daar bezit hij 'nog maar' vier grote dozen van.

Winterhulp was een op het oog liefdadige instelling, in oktober 1940 door Seyss-Inquart gemodelleerd naar voorbeeld van Duitsland, waar het Winterhilfswerk overigens al sinds 1933 bestond. Kleurige affiches moesten het publiek overhalen om te geven, maar uiteraard was de animo bij de meesten niet bijster groot. Steen: “Er was een gevleugelde uitdrukking in die tijd: Ik geef geen knoop van m'n gulp voor de Winterhulp. De mensen wantrouwden de collecte.”

Officieel heette het dat de opbrengst bestemd was voor steun aan behoeftige vrouwen en kinderen. Of het geld daar ook echt voor gebruikt werd, was moeilijk te achterhalen. “Je kunt niet bewijzen dat het geld naar andere doelen ging dan in een vakantiepot voor moeders en kinderen”, zegt Steen. “Het kan best pure propaganda geweest zijn, maar ik ken wel een foto van een stelletje dames op weg naar hun vakantieadres. In Duitsland moeten grote groepen kinderen naar vakantiekampen gestuurd zijn, op plaatsen waar weinig gebombardeerd werd. Ik weet dat ook vanuit Den Haag kinderen een paar weken ergens bij de Tsjechische grens ondergebracht zijn, maar misschien waren dat wel allemaal NSB-kinderen.”

Net als nu rammelden de collectanten van de Winterhulp met hun bussen onder de neuzen van voorbijgangers, maar anders dan nu ging de collecte de hele winter door. Wie genoeg gaf kreeg een speldje. Niet zo'n miezerig, plat stukje blik, maar meestal een driedimensionaal siervoorwerpje, dat nu waarschijnlijk in de letterkast tussen andere miniatuurtjes gezet of als broche gedragen zou worden. De speldjes konden van alles voorstellen, van vogeltjes tot wapens, uitgevoerd in leer, hout, metaal, textiel of zelfs halfedelsteen.

Wat bezielt een Nederlander om zo hartstochtelijk souvenirs van de bezetter te sparen? Bij de Ermeloër Steen ligt die passie iets meer voor de hand dan bij andere verzamelaars. Tot aan zijn pensionering, nu vijftien jaar geleden, was hij beroepsmilitair. “De oorlog heeft me altijd beziggehouden, maar zonder luguber te zijn”, zegt hij. In zijn collectie zitten dan ook stapels boeken over beide wereldoorlogen en twee flinke dozen vol militaire emblemen, waaraan te zien is bij welk legeronderdeel de drager hoort. Verder is er zijn verzameling tanks. “Daar heb ik zo'n stapel dozen vol van”, wijst hij in de lucht. “Ja, van plastic, die moest je met lijm in elkaar zetten, wat mijn zoon voornamelijk heeft gedaan. En soldaatjes natuurlijk, ik heb een heel leger in huis.”

Wat hij thuis niet heeft, is wel weer te vinden in de Traditiekamer van 'zijn' regiment stoottroepen, een gespecialiseerd museumpje op het terrein van de Generaal Spoorkazerne in zijn woonplaats Ermelo. Sinds hij uit het leger afzwaaide, is hij daar de beheerder van. Houdt de collectie op orde, is gids voor bezoekers en leent wel eens wat uit. Wapens uit de laatste oorlog bijvoorbeeld aan “heel aardige, open jongens die ik goed ken, die SS-uniformen verzamelen en een paar foto's wilden maken.”

Hoewel al zo lang niet meer in actieve dienst, staat Steen nog met het leger op en gaat ermee naar bed. Met smaak kan hij vertellen over bok Kees, de mascotte van zijn regiment, die nog altijd op de kazerne huist. “In ons embleem dragen wij een hertegewei, dus wilden we eigenlijk graag een hert als mascotte. Maar een hert is een beschermd dier, en zo werd het een bok. Die heeft wel niet zulke mooi gestyleerde horens als een hert, maar toch leuk. Als er iets is als een beëdiging of een commando - overdracht of zo, dan is Kees met de bokkegeleider ook van de partij. Hij draagt dan het hert op z'n rug, een dekje met ons embleem.”

Omdat zo'n legerbok niet al te jong kan zijn en niet ouder dan een jaar of acht wordt, is het regiment al aan Kees Zeven bezig. “De meeste oudjes zijn naar kinderboerderijen verhuisd, op eentje na. Die was dol op shag en vrat op een keer het pakje erbij op. Dat is hem heel slecht bekomen.”

Zoals zoveel verzamelaars begon Steen als jongetje al met postzegels, maar daar kwam in de laatste oorlog abrupt een einde aan. “We woonden in een dorp in de buurt van Nijmegen. Die hele streek tot Beek aan toe werd onder water gezet, en toen we moesten evacuëren, mochten we maar één of twee tassen meenemen, dus daar zaten geen postzegelalbums in. En na de oorlog had ik vreemd genoeg geen zin meer in postzegels. Dat is me wel opgebroken, want in de jaren vijftig werden die zegels die ik had juist een hoop geld waard. Later, toen ik militair was, ben ik vrij intensief van alles over de Eerste Wereldoorlog gaan verzamelen. En ansichtkaarten van alle plaatsen waar ik gewoond heb - als beroepsmilitair moest je nogal es verhuizen - maar daar ben ik eigenlijk in de verkeerde tijd mee begonnen, zo eind jaren zeventig, begin jaren tachtig. Voordien had je voor een dubbeltje, hooguit een kwartje, een prachtige kaart, maar opeens werd het verzamelen van ansichtkaarten een epidemie. Op beurzen zie je al die mensen bij de bakken met kaarten, meestal op zoek naar hun geboorte- of woonplaats. Die kaarten worden alsmaar zwarter van het beduimelen, maar je betaalt er toch vijftien gulden of zelfs vijfentwintig per stuk voor. Zelf had ik er graag eentje willen hebben van mijn oude school, De Klokkenberg in Nijmegen. Die moest ook vijftien gulden kosten. Gelukkig bestond de school net 150 jaar, zodat ik een foto uit de krant kon halen.”

Een half jaar geleden kwamen er plotseling Winterhulpspeldjes bij, toen hij het boekje Winterhilfs Abzeichen in handen kreeg: “Dat boekje gaf een heel aardig beeld en de speldjes kregen me te pakken.” Duitse speldjes, want de Nederlandse zijn nooit gecatalogiseerd, tenminste niet in een Nederlandse gids. Steen moet zich behelpen met Duitse handboeken, de Reichsstrassensammlungen en de Gausammlungen, waarin de speldjes beschreven staan, die respectievelijk landelijk en in de veertig districten werden uitgegeven. Het grootste deel van wat hij intussen heeft bijeengegaard, heeft hij van een Duitser, met wie hij via een advertentie in een Duits postzegelblad in contact is gekomen. “In die Duitse gidsen staat ook wel wat over Nederlandse speldjes, en uit Duitsland heb ik een lijst gekregen van alles wat er in Nederland is uitgegeven. Ik zou ze graag allemaal hebben, maar er is veel moeilijker aan te komen dan aan Duitse.”

Hoewel hij zich nog niet erg in de geschiedenis heeft verdiept, weet hij wel al dat ook hier minstens één serie per jaar moet zijn verschenen, van bloemen, sprookjes, provincies, beroemde monumenten en idem Nederlanders. Hij is ervan overtuigd dat heel wat mensen nog zulke speldjes moeten hebben, maar advertenties hebben nauwelijks reacties opgeleverd. “De meesten zullen het wel genânt vinden, men wil er natuurlijk niks meer mee te maken hebben. In België zitten ze niet zo met dat gevoel, daar hebben ze ook veel meer dan alleen speldjes gehad. Lucifersboekjes en postzegels bijvoorbeeld, en loterijbriefjes waarmee je destijds wat geld kon winnen.”

Steens verzameldrift kent grenzen. Dat moet wel, al was het alleen al vanwege de ruimte. “Je moet van tevoren weten hoe ver je wilt gaan, maar dat is voor een heleboel verzamelaars juist het probleem. Ik weet van een familie die naar boven moest verhuizen vanwege de collectie militaria.”

Winterhulpspeldjes zijn niet groot, die kunnen er nog bij. Tijd genoeg, zeker nu dit najaar het regiment stoottroepen na 50 jaar wordt opgeheven en de Traditiekamer naar Assen verhuist. Het zal hem nog heel wat moeite kosten om alles over de Nederlandse series en de speldjes zelf in handen te krijgen, “maar daar kom ik wel achter.”

Deel dit artikel