Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'De eerste keer dat ik er echt naar snakte om met glas te werken'

Home

COLET VAN DER VEN

In de Sint Pancratiuskerk in Tubbergen zijn vier-en-dertig gebrandschilderde ramen te zien van een glazeniersgeslacht waarvan inmiddels al weer de vijfde generatie aan het snijden, branden en schilderen is.

Boven het altaar drijft de door Frans Nicolas geschilderde Mozes in zijn biezen mandje. Links en rechts van dit tafereel staan Clara en Fransciscus, in glas en lood en heiligheid gevangen door de beide zonen François en Charles. Aan weerszijden van het orgel vlammen de apocalyptische taferelen, geschilderd door Joep Nicolas, honderd jaar geleden geboren in Roermond en de derde en kleurrijkste exponent van dit glazeniersgeslacht.

De tien geboden zijn blauw-groen verbeeld door Joep Nicolas van Ronkenstein, en de evangelisten en profeten, van de hand van Sylvia Nicolas (69) verbinden de werken van haar vader met die van haar groot- en overgrootvader. Tenslotte, boven de ingang, het wakende oog van 'De goede Herder', gebrandschilderd door Diego Semprun (42), Sylvia's zoon. Vijf generaties glazeniers verenigd in een Twents Godshuis.

Begin negentiende eeuw ontwaakt de glazenierskunst uit een eeuwenlange slaap. De sterke opleving van de katholieke kerk leidt tot een stroom van nieuwe bouwopdrachten en de overal verrijzende kerken vragen om eerherstel van het oude glasschildersambt. Omstreeks 1850 richt Frans Nicolas, van huis uit schilder, een glas-in-lood atelier op in Roermond. Niet veel later wordt het een familiebedrijfje waarin zijn beide zonen, Francois en Charles participeren. Volgens een middeleeuwse legende zouden de geheimen van het glas, samen met het ambacht verloren zijn gegaan, maar Frans Nicolas bewijst dat die geheimen bestaan en hij er toegang toe heeft. In eerste instantie restaureert hij bestaande antieke ramen maar al snel begint hij zelf te ontwerpen. Afbeeldingen van statische, realistische heiligenfiguren die goed passen bij de neo-gothische werken van bouwmeester Cuypers met wie hij samenwerkt, maar waarover Sylvia Nicolas bijna anderhalve eeuw later zegt: “Mooi gedaan, maar toch ook wat stijve, voor de hand liggende, voorstellingen. De schilderingen van mijn grootvader (beau Charles in de volkmond) waren nog saaier. Zo uitbundig zijn levensstijl, zo braaf zijn geportretteerde heiligen.”

Joep Nicolas schrijft in zijn in '38 verschenen boekje 'Wij Glazeniers' over de ramen van zijn vader en grootvader: “Het zou dwaas zijn van deze glasramen hoog op te geven. Alle begin is moeilijk... te cerebraal gevolgde methoden bevorderen niet de originaliteit der schepping”. Het a-creatieve copiëren van heiligenbeelden staat Joep Nicolas (derde zoon van 'le beau Charles') tegen en hij is dan ook vastbesloten om geen glasschilder te worden. Bovendien deelt hij de mening van zijn broer Edmond dat als je vader bakker is, je daarom zelf nog geen bakker hoeft te worden.

Hij gaat filosofie en kunstgeschiedenis studeren in Fribourg. Na het slaperige, provinciaalse Roermond een wilde, veelkleurige wereld die hij in een nooit verzonden brief aan Godfried Bomans beschrijft als een gemeenschap van nieuwlichters: 'anarchisten, nihilisten, communisten, Nietzscheanen, Freudianen en Einsteiners, cubisten, futuristen en dadaisten'. Er valt teveel te zien, te praten en te leven om te studeren. Hij komt terug zonder titel maar met een nieuwe kijk op 'het mensdom en het acadabra van zijn geestelijke hutspot' dat hem zal blijven fascineren en inspireren en waarvan de sporen terug te vinden zijn in zijn latere werk. Hij besluit rechten te gaan studeren in Amsterdam en volgt de Avondacademie voor Beeldende Kunsten, maar zit meer achter zijn schetsboek dan achter zijn collegedictaat en uiteindelijk wint het penseel het defenitief van de pen. Hij wordt schilder, maakt portretten, gouaches, wandschilderingen en houtsneden.

Pieter van der Meer de Walcheren beschrijft hem in 1925 als “een raskunstenaar, een sterk artiest, ... niet van een toegespitste, verfijnde sensibiliteit maar van een bijna barbaarse overdaad aan gezond, viriel-katholiek sentiment”. Tijdens zijn diensttijd dingt Joep Nicolas mee naar de Vigeliusprijs, een negenjaarlijkse felbegeerde prijs voor de schilderkunst. Het stimuleert hem tot nieuwe werken en uiteindelijk ook in 1925 tot het maken van het Sint Maartensraam. 'De eerste keer dat ik er echt naar snakte om met glas te werken'. Het wordt een uitbundig, expressief kunstwerk, geïnspireerd op de jaarlijkse Sint Maartensoptocht, waarin hij breekt met de statische traditie. Hij wil dit raam insturen voor de prestigieuze Grand Prix van Parijs. Zijn vader die een kijkje komt nemen in het atelier, vraagt zich schamper af 'of ze dit tegenwoordig ook al af noemen' en merkt vervolgens minzaam op dat inzending Joep op hoongelach van de grote meesters uit het vak zal komen te staan.

De vaderlijke voorspelling komt niet uit. Joep Nicolas krijgt de Grand Prix en bovendien de eretitel Maître Verriers. Kunstcriticus Plasschaert schrijft in de Groene Amsterdammer: “Er is in deze glasschildering geen classicisme, maar een onverborgen realisme, een fantasie en een felle bewegelijkheid... Nicolas is werkelijk een vernieuwer”. Plasschaert eert de vernieuwer met het neologisme 'glazenier' dat de schilder met graagte aanvaardt.

Sylvia Nicolas: “Dat raam was een doorbraak, hij introduceerde een levendigheid en spontaniteit in de glasschilderkunst, die tot dan toe niet voor mogelijk waren gehouden. Hij ontdekte het gebrandschilderde glas als expressiemiddel.” Het Sint Maartensraam brengt hem een titel, roem en opdrachten. Van de toenmalige Nederlandsche Handelschmaatschappij tot de kerkhofkapel in Bloemendaal, van het Canisiusziekenhuis in Nijmegen tot het stadhuis in Breda, van de KRO-studio tot in Hilversum tot de Lambertuskerk in Maastricht en daarnaast vele opdrachten in het buitenland.

Dan nadert het eind van de jaren dertig. De sfeer wordt Joep Nicolas te broeierig. “Europa is als een ketel kokend water, stomend, borrelend, en meer en meer overkokend. Voor een kunstenaar is het niet geraden in een land te zitten waar nazi's zijn.” In '39 neemt hij, op aandringen van zijn zwager Aldous Huxley, met zijn vrouw Suzanne en zijn twee dochtertjes Claire en Sylvia de wijk naar New York. De tijd in Amerika is voor Joep Nicolas, in de woorden van zijn broer Edmond, 'een retraite in de woestijn'. Het is een financieel onzeker, emotioneel ontheemd en cultureel vreemd bestaan maar hij slaagt er in een aantal grote opdrachten binnen te slepen. In 1946 verhuist de familie naar Long Island waar Nicolas, zo schrijft zijn dochter Claire in de biografie van haar vader, “zo buiten zinnen raakte door de foeilelijke kerk en de stompzinnige pastoor dat hij op slag met de kerkgang brak, zeggende dat hij nog steeds katholiek was maar een zondaar”. Begin jaren vijftig keert hij terug naar Roermond vanwege een opdracht voor ramen voor de kathedraal. Het resultaat levert hem kritiek op, hij wordt ervan beticht 'een Amerikaanse fabriek' te zijn geworden, maar ook bewondering en niet veel later krijgt hij een opdracht voor de volledige beglazing van de Oude Kerk in Delft. Het zal zijn levenswerk worden.

De hoop van Joep Nicolas, dat een van zijn beide dochters in zijn voetsporen zal treden, lijkt geen werkelijkheid te worden. Claire, de oudste, verkiest een loopbaan als schrijfster en Sylvia's voorkeur gaat uit naar kostuumontwerpen. Ze volgt daarvoor een opleiding in Parijs maar als ze in 1954 haar vader ziet werken aan de ramen voor de Romaanse basiliek in Sint Odiliënberg is ze verkocht. “Als kind kwam ik weinig in zijn atelier, hij had er last van als we lawaai maakten, en in New York lag zijn werkplaats aan het andere einde van de stad. In Odiliënberg zag ik hem voor het eerst uitgebreid bezig en ik werd zo geboeid dat ik het vak wilde leren.”

Joep wijdt haar in in de geheimen van de glazenierskunst. “De eerste tijd droomde ik dag en nacht van loodlijnen. Ik wilde iedereen en alles in het lood zetten. Het moeilijkste vond ik om, zoals mijn vader mij leerde, op een bewuste manier ongelijk en onlogisch te werk te gaan, maar hij zei altijd: Het doet er niet toe als je het fout doet, als je het dan maar met overtuiging doet.”

Sylvia Nicolas voert opdrachten van haar vader uit, maakt samen met hem drie ramen voor de Sint Agatha kerk in Cuyk maar krijgt ook meer en meer eigen opdrachten. “Ik heb dertien jaar met hem samengewerkt. Met de nodige ruzie. Dan bracht hij verbeteringen aan op mijn raam, terwijl ik het niet zou wagen aan het zijne te komen, maar ik heb ook veel van hem geleerd. Van de levendigheid en menselijkheid waarmee hij zijn personages schetste. Hij was een verhalenverteller in glas.”

Over dat aspect zal Frits van der Meer, hoogleraar kunstgeschiedenis en iconografie, vriend en bewonderaar van Joep Nicolas in '77 in de Tijd schrijven: “Zijn eerbiedigste taferelen vertonen op de achtergrond altijd toegiften die aan een goed volksfeest of aan gewone huiselijkheid of plezierig ambacht herinneren.”

Terwijl Sylvia Nicolas haar werkterrein uitbreidt met mozaïeken en plafondschilderingen, werkt Joep Nicolas gestadig door aan zijn glazen voor de Oude Kerk in Delft. Sommige critici prijzen hem de hemel in, noemen hem 'het glaswonder van Delft' of spreken lyrisch over een 'geestelijke kameleon.. met het hart van een vuurhaard.. een mens wiens diepste taal het glas is', maar er zijn ook andere geluiden te bespeuren. Zo kopt een artikel in Elsevier: 'De mislukte ramen van Joep Nicolas', waarop Nicolas blijmoedig reageert dat wanneer je iets mislukt noemt de mensen tenminste komen kijken.

In mei '72 onthult prinses Beatrix het laatste Delftse raam. In diezelfde maand wordt hij benaderd met het verzoek om tien minder fraai gebrandschilderde ramen in Tubbergen te vervangen door nieuwe glazen. Nicolas gaat akkoord, brengt een bezoek aan de Sint Pancratiuskerk maar overlijdt vier dagen later, op 25 juli 1972. Zijn plannen voor de Tubbergse ramen bestaan dan uit niet veel meer dan wat korte krabbels.

Sylvia, inmiddels wonend in Amerika, en met een groot aantal werken - van Groningen tot Washington - op haar naam, wordt aangezocht om de opdracht te voltooien. Met succes, zo valt op te maken uit de woorden van Frits van der Meer in '77: “Zijn hoogbegaafde dochter heeft de cyclus van haar vader met waardige en zinrijke voorstellingen aangevuld”. Sylvia Nicolas: “Het was de eerste keer dat ik werkte zonder dat mijn vader over mijn schouder meekeek. Hoeveel ik ook aan hem te danken heb, het gaf toch een gevoel van bevrijding”.

Inmiddels heeft de vijfde generatie zich aangediend in de persoon van Diego Semprun, Sylvia's zoon. Diego Semprun: “Ik ben er net als mijn moeder ingerold. Als jongetje wilde ik graag glazenier worden maar op het moment dat ik voor de keuze stond zag ik er geen toekomst in. Ik heb de kunstacademie in Parijs gevolgd, ben als assistent-decorontwerper in New York gaan werken en vervolgens de grafiek ingegaan, maar als gevolg van de economische recessie kwam mijn baan op de tocht te staan. Ik ben naar New Hampshire vertrokken waar mijn moeder woonde. Op een dag kreeg ze een grote opdracht, ze had een assistent nodig maar die had zich nog niet aangediend en omdat ik 's middags vrij was zei ik: Ik help je wel. Een paar maanden later praatte ze helemaal niet meer over een assistent.”

Sylvia Nicolas: “Ik zag dat hij gevoel voor het vak had en heb hem op een keer voorgesteld zelf een raam te schilderen. Zijn eerste ramen waren figuratief, toen volgde de opdracht voor de beglazing van de Dagkapel van de Pancratiuskerk en 'De goede Herder'. Hij schildert heel gevoelig. Hij is nu overgestapt naar het glazeniersvak en is er bezeten van.”

Diego Semprun: “Je hebt een grote verbeeldingskracht nodig om je het uiteindelijke resultaat voor te stellen. Bij iedere lichtval is een schildering weer anders. Het feit dat ik de vijfde generatie ben heeft zowel voor als nadelen. Het is niet makkelijk om je moeder als lerares te hebben, zoals zij ook heeft ervaren bij haar vader. Je bent zo persoonlijk op elkaar betrokken. De eerste opdracht voor Tubbergen kreeg ik omdat ik de kleinzoon van Joep Nicolas ben, maar die voor de vier volgende ramen omdat ik het blijkbaar niet zo slecht deed, al is het wel lastig dat de rest van de familie ook al in de kerk hangt.”

Joep Nicolas had weinig vertrouwen in het voortbestaan van het ambacht, noemde zichzelf een anachronisme en werd daarin meer dan eens bevestigd door bewonderaars en critici die hem betitelden als 'de laatste der glas-in-lood schilders'. Ze hebben geen gelijk gekregen. “Er zijn,” zegt Diego Semprun (op dit moment bezig met een ontwerp voor een keukenwinkel) “zoveel eigentijdse mogelijkheden voor glas en lood. In banken, openbare gebouwen net zo goed als in kerken.”

En in de Pancratiuskerk in Tubbergen wacht nog een maagdelijk raam op beschildering door de vijfde, zesde of misschien zelfs zevende generatie. Want om met Joep Nicolas te spreken: 'Het glas is een willig materiaal dat God niet vergeefs den mens ontdekken deed'.

Deel dit artikel