Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Atheïsten zullen religie nooit uit kunnen bannen'

Home

Herman M. van Praag

Troosten bij verdriet en delen van voedsel: ook chimpansees kennen empathie en een zekere moraal. Foto reuters
Opinie

Verklaart de evolutie onze moraal? Ja, zeggen veel biologen. Nee, meent psychiater Herman van Praag. Hij bindt de strijd aan met mismoedige en lankmoedige atheïsten en betoogt dat ze de bijbelse moraal verkeerd beoordelen.

Atheïsten zijn er in schakeringen. De eerste is de categorie der 'soften': de agnostici. Ze erkennen het bestaan van God niet, maar verwerpen het concept niet zonder meer. Noch het een, noch het ander valt immers te bewijzen. Wél stellen ze dat de boven-natuur buiten het bereik valt van de wetenschappelijke methoden en dus niet ter verklaring mag worden gebruikt. Dat laatste punt valt niet te loochenen.

Daarnaast is er de harde kern van atheïsten. Zij kennen geen onzekerheid. God is een spiritueel placebo, een construct dat mogelijk wel effect sorteert, maar dat is zelfbedrog. Deze atheïsten willen dat we God en godsdienst - de denkende mens onwaardig - uit ons denkraam weren. Dit maakt de weg vrij naar een humanere maatschappij. Dit atheïsme is optimistisch: wetenschappelijke en technologische vooruitgang zullen dit proces versnellen.

Voor het type atheïst dat ik aanduid als lankmoedig, behoeft dit allemaal geen be­toog, geen verdediging. De neiging tot wat taalfilosoof, mediëvist en politicus Lam­bertus de Rijk 'omhoog denken' heeft genoemd, is hem vreemd. Hij mist iedere ontvankelijkheid voor religieuze overwegingen of ervaringen en heeft dan ook geen behoefte tegen God en godsdienst aan te trappen. Hij is overtuigd van zijn gelijk en gaat over tot de orde van de dag.

Dan zijn er nog de atheïsten die ik als mismoedig bestempel. Zij kennen de behoefte tot 'omhoog denken' wél; het metafysische domein trekt hen onweerstaanbaar aan. Daarop ingaan leidt niet - anders dan bij de religieuze mens - tot een bevredigend gevoel, maar tot onvrede en wrevel. Dit heeft agressie tot gevolg. Keer op keer, jaar na jaar etaleert hij zijn ongenoegen, in woord en geschrift. De Nederlander Rudy Kousbroek, de Engelsman Richard Dawkins en de Amerikaan Christopher Hitchens zijn karakteristieke voorbeelden.

Ze voeren hun strijd met twee soorten ammunitie. In de eerste plaats meten ze de wandaden die in de loop der eeuwen in naam van God en met de hand op de Bijbel zijn begaan breed uit. De zegenrijke consequenties die het 'omhoog denken' ook heeft gehad, negeren ze consequent.

Het tweede type ammunitie ontlenen ze aan de natuurwetenschappen. Geliefd doelwit is de ethische code die in de Bijbel besloten ligt. Niets geen openbaring zoals de Bijbel beweert. Niets geen boven-natuur. De verklaring ligt in de evolutie-biologie. Een opmerkelijk standpunt, maar is het juist?

Onlangs schreef J.L. Heldring - columnist van NRC Handelsblad en zelfverklaard ongelovige: "Het mengen van ethiek en geloof, dat is waar ik niets van moet hebben". 

Heldrings tegenzin lijkt mij een schot in de lucht. Er valt niets te mengen. Ethiek en (de monotheïstische) religies zíjn al gemengd, principieel. De moraal-code vormde de kern van de Sinaï-openbaring. De Sinaï-ervaring werd de kern van het judaïsme. Ook haar nakomelingen - christendom en islam - maakten die ethiek tot een integraal bestanddeel.

Ter verdediging van zijn opvatting brengt Heldring de evolutiebiologie in stelling. Hij beroept zich op een uitspraak van Dick Swaab: "Morele regels zijn niet uitgevonden door religies, maar door deze overgenomen, nadat ze in de evolutie ontwikkeld waren voor sociale dieren, inclusief de mens. Deze regels dienen om de samenwerking en onderlinge steun binnen een sociaal levende groep te bevorderen. Op een gegeven moment werd het sympathiseren met de ander een doel op zichzelf. Tenslotte werd dit product van miljoenen jaren evolutie een hoeksteen van de menselijke moraal, die pas recent, een paar duizend jaar geleden, in religies werd opgenomen."

Heldring concludeert:  "De menselijke moraal of ethiek, de leer van goed en kwaad, heeft dus een sociaal-biologische oorsprong. Daaraan hebben de religies zich in de loop der tijden aangepast".
Die redenering gaat behoorlijk mank. De afstand tussen de evolutionair-biologische gegevens en de bijbelse 'leer van goed en kwaad' is zo groot, dat zelfs een intellectuele spagaat haar niet kan overbruggen.

Want wat levert het biologische onderzoek op? Aanwijzingen dat bepaalde stukjes sociaal gedrag zich evolutionair ontwikkeld hebben. Groepsvorming en samenwerking leverden voordelen op, vergrootten overlevingskansen. Ieder voor zich kom je moeilijker aan voedsel en is het lastiger je tegen indringers te verweren. Zo jagen allerlei dieren, waaronder carnivoren, in groepen. Ze delen de prooi.

Bultrugwalvissen gaan gezamenlijk op jacht. Als ze een school vissen tegenkomen zwemmen ze om de vissen heen en blazen met zijn allen miljoenen luchtbelletjes uit. De vissen durven er niet doorheen. Ze worden opgedreven naar het wateroppervlak en daar opgegeten.

Muskus-ossen verdedigen zichzelf als collectief, door in een halve cirkel de vijand op te wachten. Samenwerking binnen de groep kan de machtspositie van een individu versterken. Er worden allianties gevormd. Hoger geplaatste dieren zijn niet noodzakelijkerwijs de sterkste, maar degenen die in staat zijn de meeste medestanders te mobiliseren.

In de dierenwereld ontwikkelt zich de kiem van altruïstisch gedrag. Chimpansees en capucijner apen zijn bereid voedsel te delen. Niet actief, maar ze staan toe dat anderen mee-eten. Chimpansees lijken bovendien een zeker empathisch vermogen te hebben - ze begrijpen wat er in een ander omgaat. Zo kan een verliezer, na afloop van een conflict door een soortgenoot 'getroost' worden, door een arm om hem of haar heen te slaan. Het zijn antropomorfe, maar aannemelijke interpretaties.

Dat diersoorten elkaar bij gevaar waarschuwen, mag ook altruïstisch heten. Ze alarmeren de groep, maar het waarschuwende dier trekt zo juist de aandacht van de aanvaller en loopt dus het grootste gevaar. Er zal de temptation to defect bestaan, maar het belang van de groep weegt kennelijk zwaarder dan dat van het individu.

Schijn-altruïsme betstaat ook. Zo vermeldt Sterelny dat sommige raven die een karkas gevonden hebben, soortgenoten hierop attenderen. Dat doen ze uit eigenbelang. 'Adverterende' raven bleken jong te zijn en nog geen eigen territoor te hebben. Volwassen raven zijn territoriaal. Op zijn eentje zou het jonge dier de eigenaar van het territoor niet hebben kunnen verdrijven. Nu vele 'gasten' ingevlogen zijn, staat de eigenaar machteloos. De jeugdige vinder van het karkas moet zijn buit nu met vele anderen delen, maar krijgt tenminste iets.

Frans de Waal toonde verder aan dat chimpansees methoden hebben ontwikkeld tot conflictbeheersing. Zo voorkomen ze schade aan de belangen van de groep. Hiërarchisch hoger geplaatste dieren grijpen in. Als de interventie slaagt volgt 'verzoenend gedrag': zoenen, omarmen, grooming, seks. Het conflict schijnt zo vergeven en vergeten te worden. De Waal: "Ik denk dat de mens geboren wordt met de bouwstenen van de moraal" - die dus 'ouder is dan het christendom."

Met de eerste opmerking kan ik wel meegaan, met de restrictie dat het hier gaat om enkele en nog primordiale bouwstenen.
De Waals tweede opmerking moet een slip of the tongue zijn. Correct is te stellen dat de kiemen van onze moraal ouder zijn dan het judaïsme. Het is de Hebreeuwse Bijbel waarin het ontwerp van de westerse moraalcode besloten ligt.

Wat biedt de Hebreeuwse Bijbel ten aanzien van sociaal gedrag? Een uitgebreide wetgeving met civiele, religieuze en ethische componenten. In bepaalde opzichten was deze codex niet uniek. Het Mesopotamië van het derde en tweede millennium voor de gewone jaartelling, kende al juridische codes. De bekendste is die van koning Hammurabi, een tijdgenoot van Abraham.

De bijbelse codex was in ander opzicht wél uniek: in z'n ethische regelgeving. Deze betekende een omwenteling in het denken over menselijke verhoudingen en over maatschappijstructuur. Er werd gesteld dat een ieder gelijke rechten heeft, dat een ieder voor de wet gelijk is, ongeacht zijn status en antecedenten. Dit gold zelfs voor de koning. Niemand stond boven de wet, Gods wet. Veel later zullen de profeten deze grondregels het volk, inclusief de koning, keer op keer en in niet mis te verstane woorden inprenten.

Misdeelden en hulpbehoevenden moesten worden bijgestaan: armen, wezen, weduwen, ontheemden. Niet als een vorm van liefdadigheid, maar als een religieuze plicht. Van een volksgenoot die tot armoede vervalt en geld leent, mocht je geen rente vragen. Als hij zich, om z'n schulden af te betalen, als slaaf verkocht moest hij na zes jaar worden vrijgelaten. De slaaf kreeg geen slavenbehandeling, maar werd gezien als loonarbeider of vreemdeling die bij je woont. Een slaaf is geen rechteloos ding, maar heeft recht op een menswaardig bestaan. Aldus besliste God, "want alle Israëlieten horen mij toe".

Hetzelfde gold voor het land Kanaän: de Israëlieten mochten het beheren. God had iedere stam, clan, familie zijn deel gegeven. Het convenant hield daarmee een economische omwenteling in. Het legde het 'graaien' aan banden. Land dat men had moeten verkopen, moest na vijftig jaar aan de oorspronkelijke eigenaar worden terug gegeven.
Zo voorkwamen de Israëlieten een tweedeling in hun agrarische maatschappij : grootgrondbezitters aan de ene kant, permanente armoedzaaiers aan de andere. De wet beschermde humaniteit meer dan eigendom.

De rechtspraak kende een nieuw principe: dat van de evenredigheid. Volgens de lex talionis dienden delict en strafmaat  in verhouding te zijn. Geen onbeheerste wraakacties. Een oog voor een oog, niet tien ogen. Bovendien is het oog van een landarbeider niet minder waard dan het oog van een aristocraat.

De Sinaï-code, tenslotte, werd geïntroduceerd met de zogeheten Tien Geboden. Deze zijn niet voorwaardelijk gesteld - als je dit doet zal dat het gevolg zijn - maar dwingend: "Gij zult niet". In een maatschappij zoals God voor ogen stond, mochten deze dingen niet gebeuren. Onder geen enkele voorwaarde. Het was Zijn intentie, zo bleek, de maatschappij te transformeren tot een morele gemeenschap van vrije mensen. De regelgeving werd aan het hele volk gepresenteerd, niet aan één mens, niet aan Mozes alleen. Niet een koning, maar God zelf gaf deze wet door en het volk aanvaardde dat.

Het volgen ervan was daarmee geen uiting van goed burgerschap, maar een religieuze plicht. Liefde voor God zou zich moeten manifesteren in een fatsoenlijk leven. Niet zozeer in rituele vroomheid en geloof. Plichten jegens God vallen goeddeels samen met plichten jegens de medemens. Religieus humanisme in zuivere vorm.

De moraalcode had een goddelijke imprimatur en daarmee een ongekende impact, een uniek document dat als blauwdruk diende voor een maatschappij die diametraal anders was dan die de Israëlieten in  Egypte hadden leren kennen. Een document dat het volk samensmeedde en in de loop der tijden een enorme draagwijdte zou blijken te hebben. Het stelde immers een maatschappij in het vooruitzicht gebaseerd op de overtuiging dat, all men are created equal, zoals de Amerikaanse president Abraham Lincoln het vele eeuwen later zou uitdrukken. Een maatschappij niet gebaseerd op macht maar op consensus, waarin de zwakken zich gesteund zouden weten door staat en medeburger.

Zeker, de biologie leverde wat ruwe, onafgewerkte bouwstenen voor het machtige ethische bouwwerk dat in de Hebreeuwse Bijbel werd opgetrokken. Maar het verband tussen steen en bouwwerk is flinterdun. Net zo dun als dat tussen enkele ongepolijste 'Jerusalem-stenen' en de tweede Tempel in Jeruzalem waarvan ze een deel zouden worden. Of als tussen een kleutertekening en  en het werk van Rembrandt. De kunstenaar heeft zich ontwikkeld uit de kleuter, maar uit weinig kleuters ontstaat een Rembrandt.

Om een meesterwerk te scheppen is meer nodig dan materiaal en vakmanschap: genie. Dat is een zeldzame kwaliteit met twee hoofdbestanddelen: scheppingskracht en het vermogen bestaande gegevens te transformeren tot een nieuwe werkelijkheid. Dat gebeurde indertijd in de Sinaïwoestijn. Uit enkele gegeven elementen - deels evolutionair ontwikkeld, deels ontleend aan traktaten die in omloop waren in het Tweestromenland - werd een meesterwerk opgebouwd, een unieke visie op mens en maatschappij.

Dit is het werk geweest van enkele begeesterde individuen. De Bijbel spreekt van openbaring. Sommigen beschouwen dit als een metafoor voor een zuiver innerlijk proces, iets dat de mens overkomt. Een manifestatie van uitzonderlijke begaafdheid. Wat dat 'uitzonderlijke' precies is, laat zich niet specificeren.

Volgens anderen heeft genie een externe component nodig om zich te manifesteren, een bovennatuurlijke impuls die aan God wordt toegeschreven. Ons taalgebruik verraadt die opvatting - een voortreffelijk kunstenaar heet 'begenadigd'. Begenadigd door wie? Niet door een medemens; door de boven-natuur. Zo spreken we bij wijze van hoogste lof ook van 'hemelse muziek' of van een 'goddelijke stem'. De religieuze interpretatie van genie is speculatief. De seculiere is dat ook. De één niet meer dan de ander.

Atheïsten van het mismoedige type zetten met biologische gegevens hun standpunt kracht bij. God is een hersenschim, religiositeit een anomalie. Onze ethiek heeft geen bijbelse herkomst. Het is niets meer dan een evolutionair product, een manifestatie van onze overlevingswil. Bepaalde gedragsregels verhoogden overlevingskansen van de groep en haar reproductieve succes. Dat is alles. Er is geen sprake van een niet te verklaren doorbraak van een humanistisch ideaal. Het gaat om de werking van wat de evolutiebioloog Dawkins 'zelfzuchtige genen' heeft genoemd - genen die onderling wedijveren voor representatie in de volgende generatie.
Ik beschouw deze redenatie als een vorm van zelfmisleiding. Wie tussen bouwstenen en geniaal bouwwerk een direct verband ziet, een vloeiende overgang, negeert de essentie van het kunstwerk, het genie dat erin besloten ligt.

Zo is er in dit geval geen sprake van een brede verbinding tussen evolutie en bijbelse ethiek; het verband is niet meer dan een  stippellijn. Atheïsten misbruiken wetenschappelijke gegevens voor een vooringenomen standpunt. Een naïeveling laat zich in de maling nemen. Een verlicht mens ziet er doorheen.

De evolutiebiologie is vooralsnog geen geschikt strijdmiddel tegen religie. Sterker nog: dit godsdienstige bolwerk valt langs rationele weg überhaupt niet te slechten. Omdat het diep en solide verankerd ligt in de menselijke geest. Het is een denksysteem dat voortkomt uit een behoefte, de behoefte het leven te voorzien van een verticale dimensie.

Ik onderscheid scherp tussen de begrippen religiositeit en religie. Religiositeit verwijst naar een persoonlijkheidstrek, één die deels erfelijk is vastgelegd: de ontvankelijkheid voor en behoefte aan religieuze ervaringen en overwegingen. Religiositeit is geen zeldzaamheid. Het verschijnsel manifesteert zich in een meerderheid van de bevolking, ook in het Westen, zij het in individueel wisselende mate. Dat toont epidemiologisch onderzoek  aan.

Met 'religie' bedoel ik een geloofsleer, een mens- en levensbeschouwing. Religiositeit vormt er de grondslag, de onderbouw van. Religie geeft aan de behoefte tot 'omhoog denken' vorm en inhoud. Religie is als het ware een gecodificeerde en gestructureerde vorm van religiositeit.

Tegen het denksysteem - de religie ­- vallen rationele argumenten in te brengen, maar die tasten de wortels ervan - religiositeit - niet aan.
De mens bestaat uit meer dan verstand. Zijn doen en laten wordt niet uitsluitend, zelfs niet in hoofdzaak, gestuurd door verstand. De ziel omvat talrijke irrationele, emotionele bestanddelen die ons weten, en daarmee ons gedrag en onze beslissingen beïnvloeden. Het weten, het verstand kan daar niet omheen. Ook onze irrationaliteit vraagt om bevrediging. Stáát op bevrediging. Het eist zijn plaats op en oefent een krachtige invloed uit op onze ratio.

In verlichte kringen heet dat een ongelukkige situatie, een markies voor verlichting. Ze gaan eraan voorbij dat verstand niet per se zaligmakend is, het kent doodlopende paden, kronkelwegen, dwaalwegen. Irrationaliteit hoeft niet destructief te zijn. Zo kan de ene mens de andere helpen met een gerede kans zichzelf schade te berokkenen. Als ze in evenwicht zijn kunnen rationaliteit en irrationaliteit een leven goed op smaak brengen.

Religiositeit hoort thuis in het irrationele domein van de ziel. Dat schept behoeften die niet weg te denken zijn uit de menselijke conditie, en niet weg te krijgen. Daarom is de strijd van de atheïsten - zeker van radicalen als Dawkins - gedoemd te mislukken. Zij vechten niet tegen windmolens, zij vechten juist tegen krachten waartegen de ratio niet opgewassen is en nooit zal zijn.

Herman M. van Praag is emeritus hoogleraar psychiatrie aan de universiteiten van Groningen, Utrecht, Maastricht en aan het Albert Einstein College of Medicine in New York.


Deel dit artikel