Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Als we niet gaan werken, schoppen ze ons'

Home

REPORTAGE | THIJS KETTENIS

Opzichters die met scherp schieten op Bengaalse aardbeiplukkers: de crisis maakt dat vreemdelingen in Griekenland het zwaarder hebben dan vroeger. Maar op de kwekerij lijkt eerder sprake van uitbuiting dan van vreemdelingenhaat.

MANOLADA, GRIEKENLAND - Een kerk en een paar cafés rondom een pleintje. Een hoofdweg en enkele straten met vrijstaande huizen. Waar het asfalt ophoudt beginnen eindeloze fruitplantages. Nea Manolada, zo'n vier uur rijden van Athene, verschilt normaal gesproken in niets van andere boerendorpen op het Griekse schiereiland Peloponnesus. Maar vanmiddag hangt er, net als de afgelopen dagen, een chaotische sfeer. Honderden immigranten maken zich nerveus op voor een demonstratie op het plein. "Het is eenvoudig: wij willen ons loon", vat Zahir de boodschap samen. Directe aanleiding voor het protest is een schietpartij vorige week woensdag, waarbij opzichters het vuur openden op zo'n tweehonderd aardbeienplukkers, voornamelijk Bengalen. Naar eigen zeggen kwamen ze zes maanden achterstallig loon opeisen. Ongeveer dertig arbeiders raakten bij de schietpartij gewond en moesten verpleegd worden in het ziekenhuis.

Zahir - zelf geen getuige van de schietpartij - heeft al vier maanden geen salaris meer gekregen voor zijn werk op een aardbeienplantage. Hij werkt nu vier jaar op een plantage. "Elke dag negen tot tien uur, voor 23 euro. Maar iedere keer als we ons loon komen vragen zeggen ze: morgen. Of volgende week. Meestal duurt het maanden. En als we weigeren weer aan het werk te gaan, slaan en schoppen ze soms. Of ze schieten."

De 70 miljoen kilo aardbeien die plantages in dit gebied jaarlijks opbrengen worden allemaal geplukt door immigranten. Volgens schattingen werken er enkele duizenden op 1200 hectare rondom Manolada, op een oorspronkelijke bevolking van rond de zevenhonderd. Ongeveer de helft van de plukkers komt uit Bangladesh, de rest uit Noord-Afrika, Pakistan, Albanië en Bulgarije. Een verblijfsvergunning hebben ze vaak niet, net zo min als bescherming en verzekeringen. De Bengalen en Pakistanen leven veelal in tentenkampen op of naast de plantages.

Op het plein verdringen zich rond Zahir algauw tientallen aardbeienplukkers die ook hun verhaal willen doen. "Onze opzichters zeggen dat zij er ook niets aan kunnen doen dat het geld er niet is; dat we net als zij moeten wachten op de eigenaar van de plantage. Maar die hebben we nog nooit gezien", zegt een andere Bengaal. "Ze zeggen: ga maar naar de politie of het ziekenhuis als je een probleem hebt. Ze weten dat we dat niet doen omdat we dan worden uitgezet. Wat moeten we doen? Terug naar huis kan niet. In Bangladesh is geen werk voor ons." Dan roept iemand in het Nederlands: "Ik dacht dat Nederlanders slecht waren voor buitenlanders, maar Grieken zijn veel erger." Egyptenaar Mohammed werkte vier jaar geleden een tijdje als schoonmaker in Amsterdam, maar hij werd het land uitgezet omdat hij geen verblijfsvergunning had. "Bij jullie werd ik nog een beetje gezien als collega, hier voel ik me een slaaf." Hij zegt dat hij zijn salaris steeds later krijgt sinds Griekenland in een economische crisis verkeert.

Tussen de demonstranten blijkt niemand te zijn die getuige of slachtoffer was van de schietpartij van woensdag. "Maar dat was niet de eerste keer dat er geschoten werd", zegt Zahir. Hij stroopt zijn broekspijp op en wijst op littekens op zijn been en buik en in zijn nek. Veroorzaakt door hagelkorrels nadat een opzichter op zijn plantage een week eerder ook op zijn werknemers had geschoten. Zahir laat een filmpje zien op zijn telefoon, volgens hem direct na die schietpartij opgenomen. Te zien zijn bebloede migranten met kogelwondjes in hun lip, voorhoofd, been en hand. Vervolgens vallen er opnieuw schoten en zetten de migranten het op een rennen. Ook toont hij een foto van een man met een geweer aan zijn arm; volgens hem een van zijn opzichters.

Zahir woont achter het laatste huis in een van de straten van het dorp, samen met enkele tientalen Bengalen. Hij gaat voorop door de modder in het drassige grasland op weg naar een van de kampen die bestaat uit zes tenten. "Dit is mijn plek", zegt hij, wijzend op een deken op de grond. De tent bestaat uit een stuk plastic gespannen over bamboestokken die de bewoners zelf hebben weggehakt bij een nabijgelegen beek. Hij deelt de tent van ongeveer vijf bij tien meter met zestien anderen, van wie er nu enkele liggen te slapen. Enkele setjes kleren en schoenen, opgehangen aan waslijnen in de tent zijn hun enige bezit hier. Drinkwater krijgen ze via hun werkgever uit een grote watertoren, maar of het echt schoon is, betwijfelen ze. Elektriciteit, verwarming en sanitair zijn er niet. Hun behoefte doen de bewoners in het weiland, tussen schapen en geiten. In de winter zorgen alleen dekens voor warmte; in de zomer verandert de brandende zon de tent in een sauna. "Alles hier hebben we zelf gebouwd", zegt een van de Bengalen die net wakker wordt van het ongewone bezoek. "Iedereen betaalt maandelijks 30 euro per persoon aan onze baas voor de huur van het land. Als we die niet stipt op tijd betalen worden we weggestuurd." Door dezelfde man die zijn werknemers stelselmatig te laat salaris uitkeert.

"Kijk, hier is de keuken", vervolgt Zahir de tour. De kok van vandaag - iedereen kookt bij toerbeurt - snijdt breed glimlachend uien en braadt intussen kippenborst op een veredeld campinggasstelletje. Afvalwater giet hij in het open riool dat dwars door het kamp het beekje instroomt. "Wat we willen is dat we op tijd betaald worden", legt Zahir uit, terwijl hij de geïmproviseerde wasplaats - een pallet met wat teiltjes water - laat zien. "Zodat we onze families thuis kunnen onderhouden. Verder hoor je ons niet klagen. Zolang we aan het werk zijn is de omgang met onze toezichthouders goed. En ook in het dorp zijn we niet bang."

Dat laatste illustreert dat er in Manolada eerder sprake lijkt van uitbuiting dan van vreemdelingenhaat. Mensenrechtenorganisatie Amnesty International spreekt van 'een verschrikkelijke onderwereld' en 'leef- en werkomstandigheden die onacceptabel zijn in het Europa van de 21ste eeuw'. Maar incidenten zoals in Athene, waar buitenlanders geregeld zonder enige reden op straat in elkaar geslagen worden, zijn hier niet bekend.

De extreem-rechtse partij Gouden Dageraad, die er vaak van wordt beschuldigd geweld tegen buitenlanders aan te wakkeren en te organiseren, scoorde hier tijdens de laatste verkiezingen ook nauwelijks hoger dan gemiddeld. Toch komen de schietpartij en de ophef over de leefomstandigheden van de migranten voor de Griekse regering op een uiterst pijnlijk moment. Vlak voor de schietpartij bracht de Raad van Europa, een gezaghebbende toezichthouder op mensenrechten, nog een keihard rapport uit over het aanhoudende geweld tegen migranten en het gebrek aan daadkrachtig optreden door de Griekse overheid. Ook mensenrechtenorganisaties rapporteren al geruime tijd met grote regelmaat over mishandeling en zelfs marteling van migranten, ook door de Griekse politie. Politieke partijen waren er dan ook als de kippen bij om de schietpartij te veroordelen met woorden als 'barbaars', 'schaamteloos' en 'ongehoord'. Zelfs Gouden Dageraad keurde de schietpartij publiekelijk af. Inmiddels zijn de baas en de drie toezichthouders van de plantage opgepakt; hun wordt doodslag ten laste gelegd. De slachtoffers is verzekerd dat zij niet zullen worden uitgezet. Ook heeft de politie invallen gedaan op acht aardbeienplantages. Daarbij werd één eigenaar gearresteerd voor het in dienst hebben van illegalen. Verder zijn tegen drie eigenaren aanklachten ingediend wegens het overtreden van de arbeidswet.

De Griekse regering kondigde deze week aan extra controles te gaan uitvoeren. De aardbeienplukkers vrezen dat bij deze controles hun illegaliteit aan het licht komt, en dat ze naar huis gestuurd worden. Daarom durven ze het land niet meer op.

Weer terug in het dorpscentrum slaan drie politieagenten het immigrantenprotest van een afstandje gade, net als Griekse dorpsbewoners op het terras bij een dorpscafé. Allemaal keuren ze de schietpartij van vorige week af. Anders dan de aardbeienplukkers beweren ze dat het om een incident gaat. "Niemand kent de eigenaar van die plantage goed. Hij is pas een jaar geleden begonnen", zegt Panagiotis Christias boven een kop espresso. En alweer groet hij een voorbijganger; als importeur en verkoper van aardbeienplanten kent hij iedereen in het dorp.

"Zijn opzichters deugen ook niet, die schijnen in de drugshandel te zitten. Het zou mij niet verbazen als die plantage een dekmantel is voor witwaspraktijken." Christias maakt zich zorgen over de gevolgen van de schietpartij. "Die man bezorgt het hele dorp in één keer een slechte naam. Politieke partijen van links tot rechts proberen zich nu over onze rug te profileren."

Op dat moment scheurt met luide sirenes een geblindeerde auto voorbij - van een minister die een plantage bezoekt. "Jarenlang hebben we ze hier niet gezien, en nu herinneren ze zich ineens dat we bestaan."

Hij bestrijdt dat er sprake is van slechte arbeidsomstandigheden of vreemdelingenhaat. En van slavernij wil hij helemaal niet horen. "Wij haten geen buitenlanders. We hebben ze nodig, omdat Grieken dit werk niet willen doen. Niemand wordt hier gedwongen te werken. En de werk- en leefomstandigheden zijn een stuk beter dan in Bangladesh, dus hoezo zouden ze het slecht hebben?" Christias krijgt bijval van Dimopoulos Konstantinou, eigenaar van een plantage. "De Bengalen hebben zelf voor die tenten gekozen. Toen ze een paar jaar geleden hierheen kwamen hebben we ze appartementen aangeboden, voor 100 euro per persoon. Maar ze willen liever zoveel mogelijk geld terug naar huis sturen." Zelf heeft hij alleen Bulgaren en Albanezen in dienst.

Het blijkt deze middag onmogelijk de eigenaar van een plantage met Bengaalse werknemers te spreken te krijgen. Konstantinou beweert dat hij zijn werknemers op tijd betaalt. Wel geeft hij toe dat dat sinds het begin van de crisis lastiger is doordat afnemers later of niet betalen. "Ik hoop dat de ophef overwaait. Ik merk dat de bestellingen uit Duitsland afnemen."

In het café aan de andere kant van het plein gaat het over de boycot waartoe Griekse activisten via sociale media hebben opgeroepen. "Bloedaardbeien noemen ze het", smaalt een van de gasten aan de bar. "Bedenken ze wel dat als die boycot een succes is iedereen hier zijn werk verliest, inclusief de migranten voor wie ze opkomen? Waar kunnen die dan terecht? Hé, daar heb je de Gouden Dageraad!"

Er stapt een stevige man binnen, gekleed volgens de partijlijn: in het zwart en met legerkisten aan. "Kijk, als een echte Griek werk ik hard op het land", zegt Andreas Spatiotis terwijl hij trots zijn knoestige en gehavende handen laat zien. De partij spreekt normaal gesproken niet met buitenlandse media, maar de regionaal vertegenwoordiger maakt een uitzondering. Ook hij veroordeelt de schietpartij. "Iedereen moet het salaris krijgen waar hij recht op heeft, en het is idioot om op werknemers te schieten als ze het komen opeisen. Ook als het buitenlanders zijn."

Dat het zover heeft kunnen komen, wijt Spatiotis aan de 'totale wetteloosheid' die onder opeenvolgende regeringen is ontstaan. "Wij willen regels en gezag herstellen, en werk voor alle Grieken." De barman zet salade en wijn op de bar om zijn buitenlandse bezoek te verwelkomen. Buiten op het plein zwaaien de aardbeienplukkers met vlaggen. Uitgedeeld door een actiecomité uit Athene.

De namen van de aardbeienplukkers zijn gefingeerd.

Deel dit artikel