Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Alles wat leeft, gaat voor'

Home

door Els Buseman

Riek Milikowski-de Raat heeft altijd tegen de stroom in geschilderd. Oorlog, armoede en zorgen tekenden haar leven. Met haar penselen kwam ze op voor de onderdrukten in de samenleving, door niet alleen hun leed te verbeelden, maar ook hun kracht. Vanaf deze week is een overzicht te zien van zestig jaar werk in het Amsterdamse Vakbondsmuseum.

Eigenlijk had Riek de Raat verpleegster willen worden, in een koloniehuis waar ze zelf als stads bleekneusje ook vaak vertoefde. Maar dat zat er niet in. Haar wieg stond in de Amsterdamse Jordaan, in een christelijk arbeidersgezin dat geen cent te makken had. Vader was sigarenmaker, later grondwerker en tijdens de crisisjaren zat hij vier jaar zonder werk. Dus moest Riek, als oudste van vijf kinderen, aan het werk. Zes dagen per week in de huishouding voor een rijksdaalder, waarvan tweederde werd ingehouden door de 'steun'. ,,Dat heeft een enorme domper op mijn leven gezet. Je was helemaal niks. Ja, de voetveeg.''

Thuis waren ze erg klassenbewust. Haar grootouders hadden een portret van Domela Nieuwenhuis aan de muur hangen, haar vader was lid van de Christelijke vakbond en Riek sloot zich aan bij de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC). ,,Omdat mijn vader zo lang werkloos was, kreeg ik al jong te maken met de sores van armoede. We kregen bijvoorbeeld kleding van de stad, gebreide zwarte kousen en afschuwelijke rokken. Ten opzichte van de andere kinderen voelde ik me diep ongelukkig. Je stak af van de armoede.''

In tekenen vond ze een uitweg. Ze maakte schetsen van haar omgeving en van dingen die haar troffen, zoals haar opa's eeltige werkhanden. Toen ze dat liet zien, mocht ze gratis lessen volgen, eerst op het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs, later op de Nieuwe Kunstschool. ,,Ik vond het plezierig om met anderen te tekenen. Bovendien heb ik altijd de drang gehad om het bestaan van de arbeiders te verbeteren. Door de armoede zodanig in beeld te brengen dat iedereen het zou begrijpen, kon ik iets doen.''

Ondertussen brak de oorlog uit. Riek zat al in het verzet en ging daarmee door, ook toen haar eerste partner Anton Winterink in 1942 werd opgepakt en gefusilleerd. Met een hele groep voerde ze strijd op twee fronten, tegen het Duitse en tegen het Spaanse fascisme. ,,Er moest zoveel werk worden verzet. Onderduikadressen regelen, affiches plakken, manifesten verspreiden... Ik zie mezelf nog fietsen, terwijl ik al rijdende pamfletten uitdeelde voor de februaristaking: Staakt, staakt, staakt!''

Kunst telde niet in die tijd. Haar allereerste schilderijen gingen verloren tijdens een inval van de Duitsers en uit haar onderduikperiode zijn maar een paar schetsen bewaard gebleven. Tekeningen van kinderen in de hongerwinter, een noodrantsoen en een portret van een vrouw met hoofddoek.

Pas na de oorlog pakte Riek de penselen weer op. Ze genoot van modeltekensessies met oud-studiegenoten en ging portrettekenen op de Rijksacademie voor Schone Kunsten. Tegelijkertijd bleef ze politiek actief in De Waarheidsgroep (de latere CPN), waar ze haar tweede man leerde kennen, Herman Milikowski. Haar hele leven veranderde, want Milikowski had al een zoon bij zijn in het kamp omgekomen vrouw. Ineens had Riek de zorg voor een peuter van drie, later kregen ze samen nog een zoon. In 1953 verhuisde het gezin naar Leiden, waar Milikowski als socioloog aan de slag kon. Hij deed onderzoek in krottenwijken, zij tekende. ,,Mensen woonden in kleine wevershuisjes... naoorlogse misère'', mijmert Riek. Met Siberisch krijt zette ze hen op papier: het meisje in haar mooiste jurkje, de jongen in zijn veel te grote jas, de arbeider, de invalide glazenwasser. Niet alleen de onderdrukten, maar ook vrienden, familieleden en voorbijgangers, veel bloemen en stillevens vol symboliek.

Zelf beschouwt Riek haar werk niet als kunst. ,,Schilderen, tekenen en beeldhouwen zijn ambachten. Als je daarmee kunt spelen ben je kunstenaar. Helaas heb ik maar een klein beetje talent. Ik moet hard werken om iets weer te geven'', zegt ze. Ze noemt haar opleiding fragmentarisch, haar productie beperkt. Het duurde soms jaren voordat ze een stuk kon afmaken, veertien jaar zelfs voordat haar 'Goudrenetten' erop stonden. Ze kon nooit voluit gaan. Eerst was er geldgebrek, toen de oorlog, daarna werd ze opgeslokt door het gezin en ten slotte zorgde ze vijftien jaar voor haar echtgenoot die aan Parkinson leed. Toch kijkt ze niet verbitterd om. ,,Ik ben trouw gebleven aan mijn principe: alles wat leeft, gaat voor.''

Werk kwam altijd op de tweede plaats. ,,Ik heb wel altijd mijn ezel en penselen bewaard en een plekje gezocht waar ik kon werken.'' Nu staat haar schildersezel weer in Amsterdam, waar ze na het overlijden van haar man is teruggekeerd. Eindelijk heeft Riek Milikowski alle tijd, maar nu is ze 83 en snel moe. ,,Als ik een uur heb gewerkt, moet ik rusten. Zo gaat een dag vlug voorbij.'' Een van haar laatste schilderijen is een indringend zelfportret, een portret van een veelbewogen leven.

Riek heeft zelden geëxposeerd, een paar keer met het Leidse kunstenaarsgenootschap Ars Aemula Naturae en solo op haar tachtigste. ,,Gek eigenlijk, want je maakt het toch om het te laten zien.'' Ze wilde ook nooit iets verkopen. ,,Ik ben altijd van plan geweest om mijn werk na mijn dood aan een klein museum te geven. Dan zien de mensen het wel, maar ben ik er niet meer.'' Ze is blij dat de tentoonstelling 'Kleur als rode draad' in het Vakbondsmuseum is. Daar voelt ze zich thuis. ,,Omdat ik me altijd heb ingezet voor de arbeidersklasse, voor een betere wereld. Die wereld is nog steeds een puinhoop, mijn bijdrage is minimaal, maar ik heb gemaakt wat ik maken moest.''

Deel dit artikel