Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Alle kinderen redden is onmogelijk'

Home

Arlette Dwarkasing

Laura Dekker met haar zusje Kim, haar moeder Babs en vader Dick in de haven van Sint Maarten. © ANP

Wat is 'goed' en wat is 'niet meer goed genoeg' voor kinderen? De Raad voor de Kinderbescherming houdt zich dagelijks met deze vraag bezig. Wim Theunissen schreef een boek over de morele dilemma's.

'Ik ben vertrouwd met het kwaad", zegt Wim Theunissen (67) nadat hij zijn loopbaan in dienst van justitie heeft geschetst. Hij werkte als psycholoog in gevangenissen, gaf leiding in jeugdinrichtingen, was plaatsvervangend directeur van de Raad voor de Kinderbescherming en geeft, ook al is hij met pensioen, trainingen aan nieuwe raadsonderzoekers bij de kinderbescherming.

Bij al zijn ervaringen met 'het kwaad' filosofeerde hij over het waarom. "Dat zal te maken hebben met de studie theologie waar ik ooit mee begon", vertelt hij. "Waarom handelen mensen zoals ze handelen? Waarom doen mensen die het beste voor hebben met hun kinderen, toch dingen waarvan de samenleving zegt: dat is niet normaal? Wie zijn wij - samenleving, overheid, wetgever, raadsonderzoekers - om te bepalen wat normaal is?"

Theunissen zocht naar antwoorden in wetenschappelijke publicaties en ook in driehonderd rapporten van zijn eigen raad. Een studie van jaren die een paar jaar geleden leidde tot wezenlijke veranderingen in de werkwijze van de raad. Het had uiteindelijk kunnen resulteren in een promotie, maar hij besloot zijn bespiegelingen op te schrijven in een handzaam boekje dat vorige week is gepresenteerd.

De vraag 'Waar bemoeit u zich mee?' - ook de titel van uw boek - heeft een vijandige ondertoon.

"Ouders vragen zelden zelf om interventie door de Raad voor de Kinderbescherming. Als raadsonderzoekers over de vloer komen, is het omdat Bureau Jeugdzorg, het Openbaar Ministerie of de politie de raad heeft ingeschakeld. Voor de raad staat het belang van het kind voorop. Dat loopt principieel langs de belangen van ouders of andere voor het kind belangrijke volwassenen. Als het erop aankomt, stelt de raad het welzijn van het kind boven het opvoedingsrecht van ouders. Een defensieve houding, vijandig soms, is dus begrijpelijk."

Raadsonderzoekers geven advies aan hulpverleners, het OM of de kinderrechter. Hun werk is gebaseerd op twee grondslagen: de juridische en de pedagogische. U vraagt aandacht voor de morele grondslag.

"De rechten van kinderen (op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling) en ouders (om hun kinderen naar eigen inzicht op te voeden) staan in wetten en internationale verdragen vastgelegd. De pedagogische visie is niet statisch. De raad beweegt mee met wetenschappelijke inzichten over opvoeding en met ontwikkelingen in de maatschappij.

"De morele grondslag is verweven in het recht en in de wijze waarop wij in deze tijd naar opvoeding en de sociale werkelijkheid kijken. Bij de vraag wat 'goed' is en wat 'niet meer goed genoeg' in het leven van kinderen, kunnen de persoonlijke waarden en normen van de individuele medewerkers - hun referentiekader - een rol spelen.

"Neem het voorbeeld van het zeilmeisje dat met dertien, veertien jaar in haar eentje de wereld over wilde zeilen. Kan een meisje van die leeftijd dat aan? Wordt zij daardoor niet in haar ontwikkeling bedreigd? Ik zie een vader die zo geobsedeerd is door de zeilsport dat je je kunt afvragen in hoeverre het een vrije keus is van de dochter. Dat komt omdat ik zelf heb meegemaakt hoe een meisje werd meegesleurd in de balletambities van haar moeder. Maar je ziet ook een vader die beter dan wie ook zijn dochter kent en weet wat ze aankan. Wat ik daarmee bedoel is: wat je ziet, wordt beïnvloed door waar je vandaan komt. "Een ander voorbeeld: hoe gaan jij en ik om met de streng gelovige ouders die leven volgens de regel: wie ik liefheb, die tuchtig ik?"

U wilt dat raadsonderzoekers zich meer bewust worden van de morele dilemma's in hun werk. Zijn ze dat niet genoeg?

"De beste raadsonderzoeker is voor mij degene die twijfelt en die kan erkennen dat een beslissing fout kan zijn. Van een raadsonderzoeker die een besluit motiveert met: 'Zo hoort het' of 'Zo doen we het nou eenmaal' word ik buitengewoon narrig. In zo'n houding zit de arrogantie van een organisatie met een monopoliepositie - en dat is de raad - én de arrogantie van het eigen gelijk van de medewerker. "Morele dilemma's doen twijfelen. Dat is goed. Een beslissing van de raad mag niet vanzelfsprekend zijn. Maar ook bij twijfel moet altijd een besluit worden genomen. Achteraf kan wel eens blijken dat het niet het juiste besluit is geweest. Als we daarvan leren is het goed."

Daar hebben de ouders en kinderen die het nu treft niets aan.

"Wat is gebeurd, kun je niet terugdraaien. Wel goedmaken. Het is dan onze plicht te erkennen dat we fout zaten en te proberen een andere oplossing te vinden."

Uw onderzoek leidde in 2010 tot invoering van een nieuwe raadsmethode. Ging het niet goed?

"Toen ik in 1992 bij de raad begon, waren de afzonderlijke maatschappelijk werkers de baas over hun casussen. Ieder deed zijn werk naar eigen inzicht en vanuit zijn eigen persoonlijkheid. Sommigen deden wel twee jaar over een dossier, waarvoor anderen een half jaar nodig hadden. Wachtlijsten groeiden. Bij besluiten dacht één praktijkbegeleider mee en bij moeilijke zaken kon een unithoofd worden ingeschakeld. Dat was het tijdsgewricht.

"Toen volgde een periode waarin nieuwe methoden, structuren en bewakingskaders overheersten. Het gevaar daarvan is dat je een gesloten systeem creëert. Als je bijvoorbeeld jarenlang als medewerker in een gesloten systeem van een gevangenis zit, loop je het risico niet meer de mens achter de gedetineerde te zien. Dat is een gegeven in een organisatie met macht. Dat geldt voor het gevangeniswezen, maar ook voor de Raad voor de Kinderbescherming. Dan kan het gebeuren dat een raadsonderzoeker beslissingen neemt 'omdat we het nou eenmaal zo doen'."

Wat is er veranderd?

"Heel bepalend voor de nieuwe werkwijze is de invalshoek. Niet alleen kijken naar de ellende in een gezin en bedenken hoe je kinderen uit die ellende haalt, maar ook komen met perspectieven voor de kinderen. Niet blijven hangen in het beeld van 'kwade' of 'onbekwame' ouders, maar hen betrekken bij die perspectieven. Zien dat ook zij het goede met het kind voor hebben.

"En er gaat nu geen rapport de deur uit zonder dat de raadsmedewerker het verloop van het onderzoek heeft besproken met een gedragskundige én een jurist."

Toch is de raadsonderzoeker meestal de enige die het kind, ouders en andere betrokkenen spreekt. De arrogantie van het eigen gelijk ligt dus nog steeds op de loer.

"De tragiek is inderdaad dat de gedragskundige en de jurist de informatie bijna altijd uit de tweede hand hebben. Het kritisch vermogen van de raadsonderzoeker is dus van wezenlijk belang. Daar gaat het in mijn boek om. Door morele dilemma's te bespreken blijf je scherp.

"In de training van nieuwe medewerkers stel ik altijd de vraag: 'Wat is voor jou de belangrijkste waarde in het leven'. Een ieder kijkt op basis van zijn persoonlijke referentiekader naar de waarden van anderen. Daar moet je je van bewust zijn en dat moet je bovendien ter discussie kunnen stellen."

De opstelling van de media, schrijft u, brengt nieuwe dilemma's met zich mee.

"Incidenten lijken de boventoon te voeren; soms sturen ouders complete rapporten door aan de media. Openheid en transparantie zijn onmisbaar voor organisaties met een machts- en monopoliepositie. Maar de raad moet terughoudend blijven in het belang van het kind, en dan neem je soms maar reputatieschade op de koop toe. Voor kinderen is publiciteit over hun moeilijke situatie zonder uitzondering schadelijk. Zeker nu informatie via internet nog jaren beschikbaar blijft.

"Incidentenjournalistiek heeft als nadeel dat het steeds weer lijkt alsof instanties falen. Beeldvorming heeft invloed op mensen. Ook op raadsonderzoekers. Het kan ze 'overalert' maken om maar geen fouten te maken. Dan kan leiden tot te vroeg of te laat ingrijpen. Onderbelicht blijft dat het principieel onmogelijk is alle kinderen te redden. Ook niet de kinderen bij wie we intensief betrokken zijn. Voor de gemiddelde televisiekijker is dit een onverdraaglijke waarheid."

Wim Theunissen, 'Waar bemoeit u zich mee? Morele dilemma's in het werk van de Raad voor de Kinderbescherming', uitgeverij SWP, 152 pagina's, 19,90 euro.



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie