Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Wat doen we eigenlijk met dode dieren?

Groen

Emiel Hakkenes

2009: Geiten worden geruimd om verspreiding de Q-koortsbacterie te voorkomen. © anp

Hoe gaan we eigenlijk om met dieren die dood zijn? De beschaving van een samenleving valt af te meten aan de wijze waarop ze omgaat met dieren, zou Mahatma Gandhi ooit hebben gezegd. Daarbij doelde hij op de omgang met levende dieren. 

Wat gebeurt er met dode dieren en wie doet dat? En hoe ging dat vroeger? Om die vragen draait het boek ‘Animal Rendering, de geschiedenis van de kadaververwerking’ van Anne-Marie Oudejans.

Lees verder na de advertentie

Wat er gebeurt met een dood dier, hangt af van de vraag of het eetbaar is. Als dat zo is, dan belandt het in cellofaan in de winkel. Is het niet te eten, dan gaat het naar het destructiebedrijf. Over wat daar gebeurt, gaat het boek van Oudejans, die gepensioneerd procestechnoloog is, en als ingenieur werkte in de aardolie-industrie.

Stinkfabrieken

In Nederland is de richtlijn dat een kadaver binnen 24 uur wordt opgehaald en binnen 48 uur verwerkt. Van foto’s in de krant of beelden op het Journaal, zoals tijdens de fipronilcrisis in de pluimveesector vorig jaar zomer, weet het publiek vaak wel dat kadavers met een vrachtwagen worden opgehaald en afgevoerd naar een destructiebedrijf. Daar gaan de dode dieren naar binnen en komt er stank weer naar buiten – vraag dat maar aan de inwoners van Burgum of Wijster of Son, waar zulke ‘stinkfabrieken’ staan. Maar wat gebeurt er binnen de muren? Oudejans beschrijft het tot in detail: hoe de kadavers worden gevild, in mootjes worden gehakt in de breker of shredder, waarna de papperige resten worden gepasteuriseerd, gesteriliseerd, ingedampt en gedroogd. Nee, het is geen boek voor op de nuchtere maag.

© x
Neem de autoclaaf, een soort snelkookpan om botten te koken. Oudejans beschrijft er meer dan twintig verschillende.

Oudejans heeft een achtergrond in de techniek en is geen historicus, stelt ze in het voorwoord van haar omvangrijke en rijkelijk geïllustreerde boek. ‘Animal rendering’ staat dan ook vol beschrijvingen van machines en hun werking. Neem de autoclaaf, een soort snelkookpan om botten te koken. Oudejans beschrijft er meer dan twintig verschillende. Verder zijn er in de kadaververwerking talloze ‘processen’ – ieder genoemd naar hun bedenker, zoals het Proces van Pfützner en dat van Ord, Wannenwetsch en Folsom – en ‘systemen’. Er is de ‘Kadaververwertungsanlage’ van Rud. A. Hartmann en het ‘natte extractieproces’ van Fahle. De lezer staat perplex van wat de auteur allemaal heeft uitgeplozen, maar van zulke beschrijvingen had de procestechnoloog best een onsje minder mogen toevoegen. Dan hadden de passages over de geschiedenis van de verwerking van dode dieren, die het boek óók volop bevat, meer ruimte gekregen.

Vilders

Juist de sociaal-historische kant van de kadaververwerking blijkt reuze interessant. Oudejans beschrijft hoe in de Middeleeuwen het besef doordrong dat kadavers en slachtafval niet zomaar langs de kant van de weg achtergelaten konden worden. Het stonk verschrikkelijk, en het verspreidde ziektes. De dode beesten moesten voortaan naar speciaal aangewezen plekken buiten de steden en dorpen worden gebracht, door daarvoor aangestelde mensen, zogeheten vilders. Het werk van deze ambachtsmannen was van groot belang voor de hygiëne en de volksgezondheid. Maar ondertussen werden ze persoonlijk geassocieerd met stank en ziekte. Ze werden behandeld als een paria en als ‘eerloze’ werden ze uitgesloten van het kerkelijk leven. “Vaak leefden zij – geheel als gevolg van hun werk – onder de meest erbarmelijke en mensonterende omstandigheden. Verregaande uitsluiting, bittere armoe, ziekten en eenzaamheid waren meer regel dan uitzondering”, schrijft Oudejans.

De vilderijen staan aan de basis van de tegenwoordige industriële destructie. Nog altijd is er het besef dat dierlijk afval onschadelijk moet worden gemaakt om ziekteverspreiding tegen te gaan. Maar onschadelijk maken betekent niet per se vernietigen. Want als je de ingewanden van een kadaver kookt en stoomt om de ziektekiemen te doden, kun je ze vervolgens vermalen tot meel en dat verkopen als ingrediënt voor veevoer. Pas eind twintigste eeuw is duidelijk geworden dat vee ziek kan worden van het eten van zulk dierlijk materiaal, en dat het leidt tot ziektes als BSE en Creutzfelt-Jakob.

Dierziekten

De les, volgens Oudejans: “Deze crises met dierziekten hebben duidelijk gemaakt dat een verkeerd gebruik van dierlijk materiaal de gezondheid van mens, dier en milieu en de gehele voedselketen in gevaar kan brengen.”

Als een kadaver het hele destructieproces doorgegaan is, blijven er meel en vetten over. En, door het verhitten van sterk bederfelijk materiaal dat soms al aan het ontbinden is: stank. Vooral veel stank.

Anne-Marie T.M. Oudejans, Animal Rendering. De geschiedenis van de kadaververwerking (destructie). Uitgeverij Nobelman. 408 blz.; €49,95

Lees ook: 

Over de portofoon klinkt: De gassing is gestart’

Bij de Total Culling Company in Amsterdam draait alles om het respectvol en efficiënt doden van dieren. ‘Het is niet mijn hobby’, zegt directeur Ruud Laarman, ‘maar het moet soms wel gebeuren’.

Deel dit artikel

Neem de autoclaaf, een soort snelkookpan om botten te koken. Oudejans beschrijft er meer dan twintig verschillende.