Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Waardeloze natuur, bestaat die?

Groen

Willem Schoonen

Yellowstone National Park. © Hollandse Hoogte / Arie Kievit

Wat is natuur waard? En hoe moeten we met haar waarde omgaan? Twee vragen waarmee de wetenschap worstelt. Eerste deel van een tweeluik: geld riekt niet, maar natuur wel.

Wat is de waarde van natuur? Een levensgevaarlijke vraag. Voor je het weet slaat de econoom aan het rekenen en vindt hij allerlei prachtigs dat verhandeld kan worden en geconsumeerd. En dan gaat het alleen nog maar over euro’s en dollars, winst en verlies. Laten we derhalve de vraag omdraaien: Waardelóze natuur, bestaat die? Zijn er ecosystemen die geen waarde hebben? Alexander van Oudenhoven denkt na. Nee, zegt hij dan, niet zo lang er mensen zijn.

Lees verder na de advertentie

Daar heeft de milieuwetenschapper een cruciaal punt: de natuur heeft waarde zo lang er iemand is die haar waarde kan toekennen. En dat moet de mens wel zijn. Best mogelijk dat ook dieren waarde kennen. Die zijn tenslotte thuis in economie. De eekhoorn die beukenootjes begraaft, weet wat sparen is. De ekster gaat voor alles wat blinkt onder de zon. En mieren bouwen complexe samenlevingen met hiërarchie en taakverdeling en een eerlijk delen van de opbrengst.

Economie is het dierenrijk niet vreemd. Maar het is niet waarschijnlijk dat de zeehond waarde hecht aan behoud van de populatie ijsberen, of dat de kikker zich druk maakt om de ooievaarsstand. De mens is, voor zover bekend, het enige wezen dat waarde kan toekennen aan wat buiten hemzelf is, in zijn omgeving, van de kale bodem en de levende natuur tot aan de sterrenhemel.

Maar waarin schuilt dan de waarde die de mens aan de natuur toekent? Daar houdt Van Oudenhoven zich mee bezig. Hij is een van de weinige Nederlanders die actief is in IPBES. IPBES is een panel, een platform van wetenschappers, dat opereert onder de vlag van de Verenigde Naties, net als het klimaatpanel IPCC. Maar in IPBES gaat het over ‘B’ biodiversiteit en over ‘ES’ ecosystem services, ofwel ecosysteemdiensten.

Inmiddels hebben zo’n 130 landen zich aangesloten bij IPBES, waaronder Nederland. Maar dat betekent niet dat wetenschappers ook budget krijgen om voor dit panel onderzoek te doen. Dat doen ze veelal in hun vrije tijd. Van Oudenhoven, die in Wageningen promoveerde en nu verbonden is aan de Universiteit Leiden, heeft het geluk dat zijn hoogleraar hem wat ruimte geeft om werk te doen voor IPBES. Dat werk resulteerde onder meer in een recent artikel in vakblad Science, dat de nodige discussie heeft opgeroepen.

Mijnenveld

In dat artikel schetsen Van Oudenhoven en enkele tientallen collega’s uit IPBES een inhoudelijke vernieuwing van het concept van ecosysteemdiensten. En dan begeef je je in een mijnenveld. Als het over natuur gaat, kan de onenigheid hoop oplopen, eigenlijk gelijk in beton wordt gegoten, en argwaan de boventoon voeren. Het woord ecosysteemdiensten alleen al kan argwaan wekken. Het klinkt als een vloek in de kerk van natuurethici. Want bij ecosysteemdiensten gaat het om de waarden die de natuur heeft voor de mens. De waarde van de grondstoffen die de natuur levert, bijvoorbeeld, en van de recreatiemogelijkheden die zij biedt.

De mens is, voor zover bekend, het enige wezen dat waarde kan toekennen aan wat buiten hemzelf is

Het draait per definitie om de mens. Terwijl, zeggen de natuurethici, de natuur ook waarde in zich heeft. Haar rijkdom aan planten en dieren heeft waarde, ook zonder dat er een mens op aarde is om daarvan te eten of anderszins te genieten. Die intrinsieke waarde van natuur wordt gereflecteerd in klassieke opvattingen van natuurbehoud; het idee dat natuur moet worden beschermd tegen de mens, en in zijn oorspronkelijke vorm moet worden behouden. Dat streven heeft in de vorige eeuw geleid tot Yosemite en Yellowstone, de grote natuurparken in de VS, en in ons land tot de redding van het Naardermeer, onder leiding van Jac. P. Thijse. Behoud van de natuur om de waarde die zij in zich heeft.

Aan de andere kant van het spectrum zit de beweging die in de jaren negentig opkwam en die natuur ging waarderen in klinkende munt. Tot de voortrekkers van die beweging hoorden Rudolf de Groot, van Wageningen Universiteit, en zijn Amerikaanse collega uit Maryland Robert Constanza. De Groot en Constanza kwamen in een vermaard artikel, in vakblad Nature in 1997, tot de conclusie dat de aardse biosfeer 33 biljoen dollar waard was, bijna tweemaal zoveel als het mondiale bbp. De natuur bleek dus veel meer waard te zijn dan de goederen en diensten die de mens zelf produceerde.

Belangrijker dan dat getal, was de achterliggende gedachte. De waarde die natuur voor de mens heeft wordt op geen enkele manier meegenomen in economische beslissingen, schreven De Groot en Constanza. Dat kan ertoe leiden dat die waarde wordt vernietigd, met noodlottige gevolgen voor welzijn en welvaart van de mensheid. Als er geen bossen zijn om water vast te houden, zal de mens van de dorst omkomen. Als er geen bijen meer zijn, is het met de bloemen gedaan. Zonder leven in de bodem wordt landbouw onmogelijk. Enzovoort, enzovoort. Om hun juiste gewicht te krijgen in de economische beslissingen die mensen nemen, moeten al die functies van de levende natuur worden gewaardeerd.

De Groot en Constanza haalden alle gegevens uit eerdere onderzoeken die ze te pakken konden krijgen, en maakten schattingen van de waarde van uiteenlopende ecosystemen en de verschillende diensten die deze de mensheid bewijzen. En dan niet alleen de diensten waarvoor al een markt bestond, maar ook diensten waarvoor nog geen markt bestond. Een bos heeft waarde voor de houtwinner, maar een bos is nog veel meer. Het heeft invloed op luchtsamenstelling en klimaat, het bos houdt water vast, voorkomt bodemerosie, biedt onderdak aan bloemen en bijen, produceert voedsel, ruimte voor rust en verpozing, inspiratie voor de kunstenaar, en herbergt heilige geesten.

De Groot en Constanza kwamen tot zeventien categorieën diensten van de natuur aan de mens. En het idee was om al die categorieën te waarderen om tot een schatting van de totale waarde van ecosysteemdiensten te komen. Langs deze lijnen is er de afgelopen decennia heel veel gerekend aan de waarde van ecosystemen. Met bruikbare uitkomsten, maar ook groeiende kritiek.

Er is fundamentele kritiek: je kunt niet alles waarderen in geld. In waardering schuilt ook morele waarde, die in geld niet te wegen is, zeggen critici. De schoonheid van natuur, de waarde van een dierenleven, de toekomst van de aarde, zijn niet in geld te vatten.

Welke waarde gaat de westerse econoom hechten aan een bosgeest die voor een inheems volk heilig is?

Onzin, zegt de econoom; bij iedere beslissing die we nemen spelen morele waarden een rol. We kunnen een snelweg zo aanleggen dat er gemiddeld tien mensen per jaar verongelukken, of extra geld uitgeven om de weg zo veilig te maken dat er maar één per jaar omkomt. In die kostenafweging waarderen we mensenlevens, of je wilt of niet. En als we natuur serieus willen nemen, zegt de econoom, dan moeten we haar juist op eenzelfde manier waarderen.

Westerse blik

Dat mag zo zijn, reageren de critici, maar daarmee wordt de waardering van ecosysteemdiensten heel erg bepaald door de westerse wetenschappen van economie en ecologie. Daarin wordt wel de materiële waarde gezien, de recreatiewaarde en misschien de esthetische, maar welke waarde gaat de econoom hechten aan een bosgeest die voor een inheems volk heilig is? Heeft die westerse econoom al eens de waarde berekend van zijn eigen God?

Hier komt een minder fundamenteel, maar toch ernstig kritiekpunt om de hoek: de waardering van ecosysteemdiensten die afgelopen decennia op gang is gekomen, leunt zwaar op wetenschappelijke kennis, economische waarderingsmethoden, en sociaal-economische context. Hij leunt, kort gezegd, op westers kennen, kunnen en willen. De uitkomsten kunnen dan ook bizarre trekken vertonen. Een hectare mangrovebos in de buurt van een vijfsterrenhotel en een goudgeel strand blijkt dan tienduizend keer meer waard te zijn dan eenzelfde mangrovebos in verlaten streken. Terwijl het hetzelfde ecosysteem is!

Daar komt bij dat een universele eenheid van waarde niet te vinden is. Een dollar is in een Indonesisch dorp veel meer waard dan in New York. Dus zelfs de meest universele munt is niet universeel te begrijpen, zegt Alexander van Oudenhoven: die waarde verschilt naar plaats, tijd, omgeving en cultuur. Als je alle waarden gaat uitdrukken in dollars, doe je geen recht aan de verscheidenheid van volken en culturen en hun, even verscheiden, relaties met de natuur.

Die verscheidenheid, daar gaat het juist om in IPBES. En die verscheidenheid was ook de boodschap van eerder genoemd artikel in Science van Van Oudenhoven en zijn IPBES-collega’s. Het vele, goede werk dat de afgelopen decennia is gedaan in het denken over ecosysteemdiensten, is resultaat geweest van economie en ecologie, van wetenschappen met een westerse dominantie. Nu moet dat denken worden ontwikkeld door binnenhalen van sociale wetenschappen en van inheemse kennis.

De waarde van natuur wordt hiermee zo breed en divers, dat je je afvraagt of het nog werkbaar is. Van Oudenhoven denkt het wel: “We slaan hiermee bruggen van klassieke ideeën over natuurbehoud, namelijk een hek eromheen en er niet aankomen, en het economisch-ecologisch denken naar de sociale wetenschappen en naar inheemse kennis van de natuur. Dat we met zoveel landen en zo verschillende culturen over dat raamwerk van waarden van gedachten kunnen wisselen, is heel waardevol.”

Bovendien is het een feest. Het IPBES belegt vandaag zijn zesde plenaire zitting, dit keer in Columbia (zie kader). Dat wordt een veelkleurige bijeenkomst. De vele werkgroepvergaderingen die aan zo’n plenaire zitting voorafgaan, zijn voor een westerse wetenschapper een bijzondere ervaring, zegt Van Oudenhoven. Taaie wetenschappelijke data en analyses worden er afgewisseld met zang, dans en gebed.

Het combineren van die wetenschappelijke en inheemse bronnen van kennis moet duidelijk maken welke waarde ecosysteemdiensten hebben. Daarmee is over die waarde echter nog geen oordeel gegeven. Die waarde kan positief zijn,maar ook negatief; de natuur levert de mens fruit, maar ook ziekteverwekkers. De wetenschappers van IPBES willen het daarom ook eigenlijk niet meer hebben over ecosysteemdiensten.

De waardering van eco­sys­teem­dien­sten leunt zwaar op westers kennen, kunnen en willen

Dat woord wekt de indruk dat de natuur een fabriek is, een bedrijf in de dienstverlenende sector. IPBES heeft het liever over bijdragen van de natuur aan de mens, nature’s contribution to people. Dat veronderstelt geen bedrijvigheid, en omvat zowel goed als kwaad, vrucht en gif.

De mens is onderdeel van de natuur, van het leven op aarde, en heeft door zijn handelen invloed op die waarden. Een beschrijving van de waarden die natuur heeft, levert niet direct een richtlijn op voor dat handelen. Maar dat is wel het doel. Na inzicht in de waarde van natuur, rijst de vraag hoe we daarmee moeten omgaan. Dat is het volgende onderwerp in dit tweeluik.

Botsende culturen

IPBES, het Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services, werd zes jaar geleden opgericht en opereert onder de hoede van de Verenigde Naties. Inmiddels hebben zo’n 130 landen zich aangesloten. Vandaag begint de zesde plenaire vergadering van IPBES, in de Columbiaanse stad Medellín.

Natuurwaarden zijn ook cultureel bepaald. Het kan in IPBES daardoor flink botsen tussen volken en culturen. Voorbeeld van zo’n botsing is quinoa. Dat werd hier twintig jaar geleden niet gegeten, maar is nu een hip graanproduct, onderdeel van een gezond en verantwoord menu. Maar quinoa is zo verantwoord niet. De groeiende westerse vraag heeft geleid tot prijsstijging, en tot de komst van grote bedrijven die quinoa gingen verbouwen, ook in gebieden waar het nooit werd verbouwd en waar quinoa nu lokale gewassen heeft verdrongen.

IPBES bracht twee jaar geleden een rapport uit over bestuiving. Ook daarin botsen culturen. Voor de westerse landbouw is bestuiving vooral een productiefunctie; zonder bestuiving geen nieuwe bloemen en gewassen. Europa maakt zich dan ook druk over de teruggang van de honingbij door een parasiet, de varaomijt. Maar de bij is de enige bestuiver niet, er zijn er vele, van mieren en vlinders tot vogels en de wind. En de grote monoculturen van de westerse landbouw doet die verscheidenheid aan bestuivers geen goed.

In andere culturen is bestuiving niet zomaar een productiefunctie. Dat maakten Kuna-indianen uit Panama duidelijk in een van de IPBES-werkgroepen over dit onderwerp: “Wij zien bestuiving niet als een onderwerp op zich. We zien dat alles onderdeel is van het proces: bomen, rivieren, de wind en zelfs de mens. We kunnen die niet scheiden.”

Deel dit artikel

De mens is, voor zover bekend, het enige wezen dat waarde kan toekennen aan wat buiten hemzelf is

Welke waarde gaat de westerse econoom hechten aan een bosgeest die voor een inheems volk heilig is?

De waardering van eco­sys­teem­dien­sten leunt zwaar op westers kennen, kunnen en willen