Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Hoe meer we over de natuur weten, hoe minder we snappen; twee biologen leggen uit waarom dat niet erg is

Groen

Willem Schoonen

© Hollandse Hoogte / Sijmen Hendriks

Twee biologen schreven een fascinerend boek over dingen die ze zien maar niet begrijpen: hun ‘ontsnapte’ natuur.

Het verhaal begint op de Banc d’Arguin, een uitgestrekt waddengebied voor de kust van Mauretanië. Het is de drukste overwinteringsplaats voor wadvogels aan de oostkant van de Atlantische oceaan. De strandlopers, die in de zomer met hun driftige pasjes op onze Wadden lopen, overwinteren daar. Maar ook veel andere soorten, zoals pelikanen en flamingo’s.

Lees verder na de advertentie

Theunis Piersma, hoogleraar ecologie aan de Rijksuniversiteit Groningen, en Thomas Oudman, bioloog bij NIOZ, het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee, volgen kanoeten die voor de winter afreizen naar de Banc d’Arguin.

Honderdduizenden kanoeten doen dat, maar hun aantal is de afgelopen dertig jaar gehalveerd. Dat is een van de redenen voor het onderzoek; de biologen willen weten of de vogels er iets tekortkomen. Om die vraag te kunnen beantwoorden moeten ze uitzoeken wat die kanoeten op de Banc d’Arguin eten. Iedere kanoet blijkt zijn eigen smaak te hebben; de een eet vooral kleine cirkelschelpen, de tweede juist grote schelpensoorten, de derde is vegetariër en eet alleen de wortelstokken van zeegras.

Omdat deze vogels schelpen niet openbreken maar geheel naar binnen werken en pas in de maag kapotmaken, vergt het eten van grote schelpen een grote, sterke maag. En de maaggrootte varieert bij kanoeten. Een logische veronderstelling is dat die variatie genetisch is bepaald, en dat kanoeten die gezegend zijn met een grote maag zich tegoed doen aan grote schelpen, kanoeten met een kleine maag kiezen voor cirkelschelpen, en kanoeten met een zwakke maag het houden bij zeegras.

Hoe komt het eigenlijk dat bij zeepaardjes het mannetje zwanger wordt?

Maar zo logisch is die veronderstelling niet, betogen Oudman en Piersma. Want het kan evengoed andersom zijn. Misschien wordt de grootte van de maag niet bepaald door genen maar door eetgewoonte. Misschien kiest een kanoet niet voor grote schelpen omdat hij een grote maag heeft, maar heeft hij een flinke maag gekregen door het eten van grote schelpen. De maag is een spier, dus die kun je oprekken. Als dat het geval is, dan moet je de verklaring voor de eetgewoonten van kanoeten dus ook niet zoeken in hun genen. Misschien is hun menukeuze helemaal niet genetisch bepaald, maar heeft die een andere oorzaak.

Filosofische vragen

Ze begonnen met een simpele vraag - hebben kanoeten voldoende te eten op de Banc d’Arguin? - maar de biologen stuitten daarna op grote, complexe vragen: “Voor we het wisten discussieerden we over psychologische en zelfs filosofische vragen. In hoeverre kunnen kanoeten van voorkeur veranderen? Waarom gaan we ervan uit dat ze wel hun voedselvoorkeuren, maar niet hun maaggrootte kunnen aanpassen? Wat is precies het verschil tussen lichamelijke en geestelijke ontwikkeling? Denken kanoeten ‘bewust’ na over hun dag? En wat ís bewustzijn precies?”

Dit is de centrale boodschap van Oudman en Piersma: ook met de simpelste vraag kom je al snel aan de grenzen van de biologie. Grenzen die er nog altijd zijn. De wetenschap van het leven heeft grote vooruitgang geboekt. Er is veel bekend geworden, heel veel raadsels hebben een oplossing gekregen. Maar iedere ontdekking levert nieuwe vragen op. Het onbekende wordt niet kleiner maar juist groter, zeggen de twee biologen.

De ontrafeling van de structuur van DNA 65 jaar geleden leidde tot de illusie dat de genetische code was gekraakt en dat het antwoord op alle vragen over leven, groei, ziekte en gezondheid in genen zou worden gevonden. Genen zijn inderdaad heel belangrijk, maar het zijn slechts recepten voor de aanmaak van eiwitten die allerlei functies hebben. Of er op basis van die recepten iets wordt bereid, kan afhangen van allerlei factoren in het levende organisme zelf en in zijn omgeving.

Oudman en Piersma geven het voorbeeld van geslacht. Een krachtig voorbeeld, want als iets genetisch wordt bepaald dan is het het geslacht, zou je denken. Je ziet het in de genetische code, in de seks-chromosomen: mannen hebben een X- en een Y-chromosoom, vrouwen hebben X-X. Een foetus met X-Y gaat op een gegeven moment testosteron produceren, waardoor het mannelijke eigenschappen krijgt. Maar in sommige gevallen wordt het signaal van die testosteron niet ontvangen en ontwikkelt de foetus zich tot een vrouw. Een vrouw die geen baarmoeder heeft en niet menstrueert, maar oogt als een vrouw en zich vrouw voelt.

Hoe meer we over kanoeten te weten kwamen, hoe meer vragen er opdoken

Kijk je alleen naar het DNA dan zie je een man (X-Y!), en in het verleden zijn kinderen die zo geboren werden gestimuleerd - zo niet gedwongen - zich daarnaar te schikken. Kijk je naar de mens, dan zie je een vrouw. Het is onzin haar man te noemen omdat ze een Y-chromosoom heeft, zeggen Oudman en Piersma. Chromosomen en genen hebben geen geslacht. Geslacht heeft wat zich op basis van die genen ontwikkelt, en dat is een complex proces met invloed van tal van factoren.

DNA-antwoord

Dat mis je als je ervan overtuigd bent dat de biologie het antwoord op haar vragen moet zoeken in het DNA. Bij zeepaardjes wordt het mannetje zwanger, niet het vrouwtje. Is dat gekomen door een toevallige genetisch mutatie of doordat vrouwtjes het vertikten om de kraamzorg alleen te dragen? Ga je met die vraag naar een DNA-lab, dan weet je wat voor antwoord je krijgt, betogen Oudman en Piersma. Een DNA-antwoord.

De vragen die we stellen bepalen onze kijk op de werkelijkheid. En de afgelopen decennia gingen die vragen vooral over genen. Er zijn hoogoplopende debatten gevoerd over de vraag of deze of gene eigenschap werd bepaald door genen of door de omgeving: nature of nurture, erfelijke aanleg of opvoeding. Inmiddels weten we dat het een samenspel van beide is.

Dat maakt de zaak niet eenvoudiger, schrijven de biologen: “Hoe meer kennis we krijgen van de natuur, hoe meer er is dat we niet begrijpen. We hebben allerlei ontdekkingen gedaan over het gedrag van kanoeten. Waarom kanoeten eten wat ze eten, en waarom ze graag op de ene plek foerageren en niet op een andere. Maar tegelijk weten we bijna niets over kanoeten. Hoe meer we te weten kwamen, hoe meer vragen er opdoken.”

Voor deze biologen is dat een verheugende ontdekking, die verstrekkende gevolgen zou moeten hebben. In plaats van blind door te gaan op bekende wegen moet de wetenschap oog krijgen voor de natuur die zij niet kan begrijpen. We moeten de natuur ontsnappen, schrijven Piersma en Oudman. Vandaar de cryptische titel van hun boek. De ontsnapping van de natuur kan er volgens de auteurs voor zorgen dat we de natuur niet alleen anders leren zien, maar dat we ook anders met haar zullen omgaan.

Thomas Oudman en Theunis Piersma, De ontsnapping van de natuur.
Een nieuwe kijk op kennis,
Uitg. Athenaeum - Polak & Van
Gennep, 240 blz., € 19,99.

Deel dit artikel

Hoe komt het eigenlijk dat bij zeepaardjes het mannetje zwanger wordt?

Hoe meer we over kanoeten te weten kwamen, hoe meer vragen er opdoken