Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Het geheim van het Friese vogelparadijs

Home

Koos Dijksterhuis

Lente in de Surhuizumermieden, waar weidevogels volop aan het baltsen, paren en nestelen zijn. Balts van de Watersnip. © mvk

In het noordoosten van Friesland is het goed toeven voor broedende vogels. Hier neemt de populatie toe, waar die elders afneemt. Wat is het geheim?

Vijfentwintig paar watersnippen! Dan doen we in deze weiden blijkbaar wel iets goed!” Boswachter Arno Paulus van Staatsbosbeheer ziet vanaf een uitkijktorentje tevreden uit over de velden van de ‘Broekster Petten’. Vijfentwintig, meer dan anderhalf procent van de vijftienhonderd paar in heel Nederland, het restant van wat ooit een algemene weidevogel was. Dat de grutto wegkwijnt is bekend, maar dat de watersnip al eerder uit het boerenland verdween, wie herinnert zich ze nog? In zompige natuurreservaten is het mekkerende baltsgeluid van watersnippen nog te horen, als ze met wapperende staartveren door de lucht buitelen. Aan dat luchtige gemekker danken ze hun bijnaam ‘hemelgeitje’.

Lees verder na de advertentie
Ja, ook de koning van de weide en nationale vogel des vaderlands doet het hier goed

Tekst loopt door onder afbeelding

© Louman&Friso

Deze ‘Broekster Petten’ maken deel uit van de Surhuizumermieden in het noordoosten van Friesland. In de tachtig hectare, zestig van Staatsbosbeheer en twintig van particulieren, hebben vorig jaar 374 paar vogels gebroed. Behalve de 25 snippenparen waren dat 9 paar scholeksters, 44 paar tureluurs, 87 paar kieviten en 67 paar grutto’s. Ja, ook de koning van de weide en nationale vogel des vaderlands doet het hier goed. En hun aantallen zijn sinds tien jaar ieder jaar toegenomen. In 2008 broedden er 112 vogelparen. Daaronder waren 2 paar slobeend en 1 paar krakeend. Nu zijn dat er 19 en 15. Van watersnippen broedden er toen 14 paartjes, van grutto’s 22. Staatsbosbeheer en zijn pachters beheren de weiden dus zeker goed.

Waaraan is zo’n forse toename van vogels, die bijna overal verdwijnen, te danken? “Tja”, peinst Paulus, “we doen meer niet dan wel. We maaien minder en vooral later en we bemesten niet. En we zorgen voor een hoge waterstand.”

Twee weken geleden telde Paulus een kleine twintig gruttogezinnen

Afweging

Tijdens het gesprek, eind juni, is een boer een perceel aan het maaien. Een ooievaar stapt achter de maaimachine aan, in de hoop op muizen, wormen, kikkers of kuikens. De boer roept boven zijn trekker en de loeiende wind dat hij meteen alles wel even wil maaien. “Laten we daar nog even mee wachten”, roept Paulus terug. Het maaien is uitbesteed aan boeren die er een bescheiden pachtsom voor neertellen. Behalve het hooi hebben ze baat bij oppervlakte, met het oog op melk- en mestquota. Paulus vertelt dat er nergens voor 1 juli gemaaid wordt en dat hij eerst inspecteert of er nog alarmerende vogels zijn. “Vorige week had ik nog één alarmerende grutto”, vertelt hij, “en daar achter die koeien, zwenkt een late kievit. Maar vrijwel alle vogels zijn klaar en vertrokken. Alleen de watersnippen blijven, maar daar kunnen we niet op wachten, die blijven tot oktober, november.” Als om ’s mans woorden te onderstrepen fladdert een watersnip over ons, die in de oeverplanten van een sloot neerstrijkt.

“Het is altijd een afweging”, vervolgt de beheerder. “We moeten maaien, zeker de weiden die nog niet zo lang van ons zijn. Die zitten zo vol meststoffen, dat ze anders verruigen en nutteloos worden voor weidevogels. Mochten er nog kuikens zijn, dan kunnen die al lopen en waarschijnlijk al fladderen, want een watersnip wordt in drie weken groot. Er blijven genoeg hoekjes over waar de trekker niet bij kan en oevers die te drassig zijn. Daar kunnen ze heen vluchten. Bovendien wordt een groot deel van de weiden pas twee weken later gemaaid. En die paar weiden waar koeien lopen, worden nog later gemaaid. Dat doen de boeren vanzelf al, omdat de koeien ze relatief kort houden. Op die manier hebben we een afwisselend weideland met verschillende graslengten.”

Twee weken geleden telde Paulus een kleine twintig gruttogezinnen. De kuikens stapten door het gras. “Die andere 47 paar waren eerder klaar en al vertrokken. Hun kuikens zouden ook verhongerd kunnen zijn, wat in Zuidwest-Friesland een probleem is. Maar dat valt hier denk ik mee, omdat het aantal grutto’s toeneemt.”

Babyvoeding voor gruttokuikens

Gras is een understatement voor het door boter- en pinksterbloemen opgefleurde hooiland. Op bloemen leven insecten: babyvoeding voor gruttokuikens. Die kruidenlaag moet ook weer niet te hoog zijn, want dan kunnen de kuikens er moeilijker bij. “Een beetje stalmest is wel goed voor weidevogelland”, weet Paulus, “maar hier is het niet echt nodig vanwege het rijke kwelwater. Er was hier altijd al een uitstekend weidevogelgebied, waarvan Staatsbosbeheer een paar hectare beheerde. Toen in de jaren tachtig de stalmest verdween, begonnen de boeren er drijfmest uit te rijden. Stalmest is goed voor wormen, maar drijfmest juist dodelijk. Pas in 2010 hebben we dat gestopt. Sindsdien is de daling van het aantal weidevogels hier omgebogen.”

Als ik hier fietsers in mei zie, staan ze vaak verwonderd op dit uit­kijk­to­ren­tje te glimlachen

Er waren altijd al watersnippen, grutto’s en kieviten en dat is cruciaal. “Als soorten helemaal verdwenen zijn, waarvandaan kunnen ze dan terugkeren?”vraagt Paulus retorisch. “We hebben vergelijkbare gebieden waar geen snip broedt. Maar hier waren ze nog toen het platteland verder stil werd.”

Dat het platteland stil is, valt mensen pas op als ze eens op een zeldzame plek komen waar boeren en natuurbeheerders weidevogels hebben gespaard. “Als ik hier fietsers in mei zie, staan ze vaak verwonderd op dit uitkijktorentje te glimlachen”, aldus de boswachter. “Als er dan een kiekendief, buizerd of kraai nadert, krijgt ie de luchtmacht over zich heen. Zevenhonderd oudervogels, daar komt geen roofvogel doorheen.”

Wezels, katten en vossen

En andere roofdieren? “Muizeneters als wezels, katten en vossen, weren we uit het gebied met een hoge waterstand”, vertelt Paulus. “In de herfst gaat het peil omhoog en omdat het door grondwater gevoed wordt en niet in verbinding staat met het oppervlaktewater in de omgeving, wordt er door omringende boerderijen weinig water onttrokken. Daardoor blijft het hier de hele zomer nat, zoals je ziet.”

Vossen houden niet van natte voeten, maar zouden die voor lief nemen om in een ochtend een paar honderd eieren te snoepen. Eieren zijn echter maar extraatjes voor deze muizenjagers. “Door ’s winters de weiden bijna blank te zetten, kunnen hier geen muizen overleven en dus ook geen vossen en hermelijnen”, verklaart Paulus. “En voordat zich dan een nieuwe vos heeft gemeld…” Dat jagers in de omgeving eventuele vossen doodschieten, ontkent de beheerder overigens niet.

Maar dat waterpeil, dat is vast cruciaal voor watersnippen, die niet voor niets zo heten. Paulus knikt. “Ja, ze willen drassige oevers, ondiep water, modder. Daarin wroeten ze met hun lange snavel op zoek naar wormen en larven. Ook moet er genoeg dekking zijn voor de kuikens. Dat vinden ze allemaal hier.”



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie
Ja, ook de koning van de weide en nationale vogel des vaderlands doet het hier goed

Twee weken geleden telde Paulus een kleine twintig gruttogezinnen

Als ik hier fietsers in mei zie, staan ze vaak verwonderd op dit uit­kijk­to­ren­tje te glimlachen