Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Direct doorgeven van vangst Noorse vissers is voorbeeld voor Brussel

Groen

Eric Fokke

Bjørn-Tore Yttergård snijdt een otoliet, het gehoorbeentje, uit de kop van een schelvis. Het botje, dat de leeftijd van de vis verklapt, gaat naar het Noorse Instituut voor Zee-onderzoek. © Eric Fokke

Noorse vissers geven op zee aan wetenschappers door welke vis zij net hebben gevangen. Dankzij die gegevens kan er efficiënter en duurzamer worden gevist. Brussel overweegt dit voorbeeld te volgen.

De Eggumsvaering is 15 meter lang en gebouwd van hout. De vissersboot van Morten Erik Kristiansen hoeft niet ver de zee op. Een goed half uur varen uit de kust van de eilandengroep Lofoten liggen rijke visgronden.

In het eerste net dat boven komt zit roodbaars, leng, koolvis en kabeljauw. Er gaat geen vis overboord. "Streng verboden in Noorwegen", zegt Kristiansen. "Ook kleine vissen en soorten waar ik geen quotum voor heb, moet ik aanlanden. Ik vang echter vrijwel geen ondermaatse vis, want wij gebruiken grote mazen."

Logboeken
In de met apparatuur afgeladen stuurhut staan twee laptops opengeklapt. Op de linker voert de visser direct in wanneer en waar hij een net omhoog haalt. "Met logboeken melden alle Noorse vissers doorlopend wat ze doen en wat ze vangen. We worden per satelliet gevolgd. Van alle soorten die we vangen, moeten we op zee al schatten hoeveel kilo we hebben. Je hebt kans dat we in de haven controle krijgen. Het komt niet vaak voor, vorig jaar maar twee keer, maar je weet dat het kan gebeuren. Je mag met je schatting maar 10 procent afwijken van de werkelijke hoeveelheid, anders krijg je zware straffen."

Op de rechter laptop voert Kristiansen gegevens in voor het Noorse Instituut voor Zee-onderzoek (IMR) "We melden bijzondere soorten. Maar ook van de gebruikelijke soorten sturen we gegevens door. Lengte, gewicht en maaginhoud - zodat het IMR weet of er voldoende voedsel beschikbaar is. We snijden regelmatig een otoliet uit, het gehoorbeentje van een vis. Aan de hand daarvan bepalen wetenschappers welke leeftijd de vis heeft en dus welke jaarklassen van bepaalde bestanden aanwezig zijn. Dat helpt bij het voorspellen van bestandsontwikkelingen en het bepalen van quota. De meetplank beneden is verbonden met deze laptop, dus als we er een vis op leggen, lopen de gegevens vanzelf binnen. Met een druk op de knop sturen wij alles vanaf onze boot naar het IMR. De otolieten gaan nog per post", lacht de visser.

Verdeeld over de Noorse kust
De Eggumsvaering maakt deel uit van de zogeheten referentievloot. Die werd in 2000 gesticht en bestaat nu uit veertig grote en kleinere vissersschepen die verdeeld over de lange Noorse kust het IMR van gegevens voorzien. Dit biedt zeebiologen min of meer de gelegenheid het hele jaar door op zee aanwezig te zijn, zonder zelf uit te varen - wat ze overigens nog vaak doen. Niet alleen het IMR benut gegevens die vissers verzamelen, maar ook de visserij-inspectie en de Internationale Raad voor Onderzoek der Zee (ICES).

"Dankzij de logboeken, het aanlanden van álle vis en de gegevens van de referentievloot hebben we doorlopend een actueel beeld van de visserij", zegt Olav Lekve van de Noorse visserij-inspectie. "We kunnen visvelden per direct sluiten als er te veel bijvangst van andere soorten is of als vissen te klein zijn. Als de vangst die een visser meldt te veel afwijkt van de samenstelling en de grootte van vissen die wij ter plekke verwachten, gaan we controleren."

Onderzoek betaalt zichzelf
Buiten het uitrusten met apparatuur en het geven van cursussen, kost de referentievloot Noorwegen vrijwel niets. Het IMR krijgt jaarlijks 'wetenschapsquota' toegewezen die het weer uitdeelt aan de vissers die aan onderzoek deelnemen. Zo betaalt het onderzoek zichzelf. Kristiansen: "Je wordt er niet rijk van, maar de economische compensatie is er en ik vind het zelf wel interessant om hieraan mee te werken. Het is ook in ons belang dat visbestanden duurzaam beheerd worden. Ik heb voor dit jaar een quotum van 160 ton plus 15 ton van het IMR. Ik ben maar 170 dagen op zee om mijn quotum op te vissen. Afgelopen winter had ik mijn kabeljauw-quotum al in 54 dagen binnen. Voor mijn hele quotum gebruik ik 7000 tot 8000 liter brandstof, dat is niet veel."

Nog geen liter diesel voor twintig kilo vis dus. De omstandigheden verschillen enorm en laten zich dus lastig vergelijken, maar de moderne en zuinige Nederlandse visserij gebruikt al snel een liter voor twee kilo 'marktwaardige' vis tot soms een paar liter per kilo in de ouderwetse visserij op tong.

"1200 kilo", schat Kristiansen aan het eind van de dag. Tevreden? "Ach, het is de ene keer meer dan de andere keer. Ik vind het wel goed zo. Met de visserij zelf is niets mis, dankzij streng beleid. Ik moet wel zeggen dat het wat veel wordt met dat doorlopend melden van wat je doet. Je verwerkt veel data. Toch schrijven we ons weer in voor een contract van vier jaar met het IMR. Het is leuk aan dat onderzoek deel te nemen."

Lees verder na de advertentie

'Big brother op zee' moet vissen op kabeljauw en schol duurzamer maken
In de zeeën van Europa gaat volgens schattingen meer dan de helft van de vis meestal dood over de reling. De visser heeft dan geen quotum voor die soort of vindt de vis te klein en commercieel oninteressant. Veel vissoorten staan er slecht voor. Onder meer de kabeljauw in de Noordzee.

In een poging het tij te keren hervormt de EU het visserijbeleid. Daarbij kijkt ze met een schuin oog naar Noorwegen. Begrippen als 'volledig gedocumenteerde visserij' en 'discardban' gaan rond, waarbij kabeljauwvissers hun gehele werkproces op video vastleggen en geen kleine vis meer terug in zee mogen gooien. Als beloning wordt hun quotum met 30 procent verhoogd. "Noorwegen werkt al langer met volledige documentatie", zegt Derk Jan Berends van de Nederlandse Vissersbond. "Kabeljauwvissers in Schotland en Denemarken experimenteren al een paar jaar met een soortgelijk systeem. Nederland sinds vorig jaar."

Volgens Berends is het big brother is watching you op zee. "Nu doen vijf Nederlandse schepen mee aan het project. Dat worden er vijftien. Op die schepen wordt met camera's alles vastgelegd, van het moment dat het net boven water komt tot de verwerking van de vis. Onderzoekers van Imares (een instituut, gespecialiseerd in zee- en kustonderzoek, red.) analyseren die beelden en krijgen inzicht in de hoeveelheid ondermaatse kabeljauw als bijvangst - informatie die belangrijk is voor schattingen van het bestand en het bepalen van quota."

Volgens Berends gaat het met de visbestanden in de Noordzee op zich goed. "Alleen de kabeljauw in de zuidelijke Noordzee gaat slecht. Het is de vraag of de kabeljauw voor onze kust ooit weer op het oude niveau komt. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen veel meststoffen in het water en maakten we in de jaren zeventig en tachtig een bloei mee. De laatste tien, twintig jaar neemt de hoeveelheid meststoffen af, evenals de kabeljauwstand. We zullen wellicht nooit meer de vroegere hoeveelheden halen, welke maatregelen we ook treffen."

"Er is een kabeljauw-herstelplan dat nu nog werkt met zeedagen", zegt Berends. "Dat aantal dagen kun je elk jaar terugbrengen - het wetenschappelijke instituut ICES zegt dat eigenlijk niet meer op kabeljauw gevist moet worden. Je kunt ook voor een ander systeem kiezen. Volledig gedocumenteerde visserij dwingt vissers selectiever te vissen en daardoor bijvangst te beperken. Als ze met grotere mazen vissen en visbestekken met veel jonge vis mijden, komt er minder kleine vis aan boord en benutten ze hun quotum beter. Vissers hebben nu een aanlandingsquotum waarmee alleen maatse vis aan wal gebracht mag worden en ondermaatse terug in zee moet. De Europese Commissie wil dat vervangen door een vangstquotum waarbij alle vis aangeland moet worden. Dan wil je als visser de meest waardevolle vissen boven halen."

Hoewel de volledig gedocumenteerde visserij zich nu op kabeljauwvissers richt, is ook in de platvisvisserij sprake van bijvangst, zegt Berends. "Daar komt ongewild ondermaatse vis boven water en daarom zou uitbreiding van het experiment naar bijvoorbeeld de gerichte scholvisserij met twinrig-techniek waardevol zijn." De twinrig is vistuig waarbij twee sleepnetten met zwevende borden worden opengehouden. De bijvangst zou erdoor afnemen, de beroering van de zeebodem ook.

Waarom experimenteren als deze maatregelen in Noorwegen hun nut hebben bewezen? Berends: "De visserij daar verschilt sterk van die van ons. Hier heb je andere habitats en is meer gemengde visserij. Noren kunnen door de omstandigheden voor hun kust selectiever vissen."

Edwin van Helmond van Imares: "Je moet maar in staat zijn om selectiever te vissen. Met platvis wordt dat lastig. Het mooist is zoals het in Noorwegen gaat, waar de visser alle soorten moet aanlanden en registreren. De schepen waarmee wij nu werken, registreren alleen wat ze vangen aan kabeljauw."

Deel dit artikel