Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De strandgaper: schelp met een wijwaterbakje

Groen

Jelle Reumer

Aangespoelde schelp van een strandgaper op het Noordzeestrand. © Buiten-beeld
Column

Eerder dit jaar schreef ik over een lazarussoort: een diersoort die ergens voorkwam, daarna verdwenen was om vervolgens opnieuw aanwezig te zijn en die dus – als de bijbelse Lazarus – een wederopstanding lijkt te hebben beleefd. Het betrof de grindwolfspin; achteraf bleek deze spinnensoort tussen de veronderstelde verdwijning en terugkomst meerdere malen te zijn waargenomen; het was dus geen echte lazarussoort, eerder een draaideur-wederopstandeling.

Om deze weekdierkundige vergissing goed te maken is hier een echte, onvervalste terugkeerder die bovendien ook in taxonomisch opzicht een weekdier is: de strandgaper. Strandgapers zijn grote, eivormige en tamelijk dunne tweekleppige schelpen die dikwijls op de stranden en langs de Waddenkust gevonden kunnen worden. Een van de kleppen, de linker, heeft aan de binnenzijde bij het scharnier een grappig uitsteeksel in de vorm van een klein wijwaterbakje. De schelpen kunnen 13 centimeter lang en 7 centimeter hoog worden maar zijn desondanks te klein om het gehele dier te huisvesten. Dat hoeft ook niet. Strandgapers leven ingegraven in de zandige bodem van ondiepe zeeën.

Lees verder na de advertentie

Ingegraven

Behalve hun leefwijze is ook hun wetenschappelijke naam zanderig: Mya arenaria (van ‘arena’ = zand). Ze worden volgens het door Naturalis uitgegeven standaardwerk ‘De fossiele schelpen van de Nederlandse kust’ aangetroffen tot een waterdiepte van wel 75 meter. De dieren kunnen zich tot op wel 40 centimeter onder het oppervlak bevinden, waarbij de afstand tussen schelp en zeebodem wordt overbrugd door een vlezige en van een stevige huid voorziene dubbele sipho. Dit orgaan is slokdarm en endeldarm tegelijk.

Dat zit zo. Tweekleppige weekdieren filteren zeewater en halen daar hun microscopisch kleine voedsel uit. Ze zijn daartoe voorzien van een instroom- en een uitstroomopening die meestal zijn vormgegeven als een tweetal vlezige pijpjes, de siphokanalen of kortweg sipho’s. De soorten die een ingegraven leven leiden, moeten die sipho’s boven de zeebodem laten uitsteken zodat er water in en uit kan. Bij de strandgaper zijn die beide pijpjes samengevoegd tot één dikke worst die omhoog steekt als een rimpelige piemel met twee tuitjes. Het ding past niet in de schelp, dus om de structuur doorgang te verlenen sluiten de schelpen niet helemaal op elkaar; je zou er bij de beide op elkaar geplaatste schelpen een pink tussen kunnen steken. Vandaar de naam ‘gapers’ voor dergelijke schelpen. De strandgaper is de grootste gapersoort van ons land.

Uitgestorven

Strandgapers kunnen ook als fossiel worden gevonden langs de Nederlandse kust. De soort kwam hier namelijk voor vanaf het Plioceen tot na het vroege Pleistoceen, een periode die rond vijf miljoen jaar geleden begon en een half miljoen jaar geleden eindigde. Daarna bleken ze in het oostelijk deel van de Atlantische Oceaan uitgestorven, maar de strandgaper leefde door langs de Amerikaanse oostkust. Ergens in de tweede helft van de dertiende eeuw werden strandgapers door de Vikingen weer teruggebracht naar de Europese kusten, waarschijnlijk omdat de dieren goed eetbaar zijn. Inmiddels komen ze zelfs in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee voor. Wat Jezus met Lazarus deed, deden de Vikingen met Mya arenaria. Ze zorgden voor een wonderbaarlijke wederkomst.

Jelle Reumer is paleontoloog. Voor Trouw bespreekt hij iedere week een dier dat het nieuws haalt. Lees hier eerdere afleveringen van Jelle’s Weekdier.

Deel dit artikel