Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De stad is een bruisend laboratorium voor plant en dier

Groen

Jelle Reumer

© Hollandse Hoogte / Sijmen Hendriks

Steden herbergen een rijk scala aan dieren en planten. De mens speelt een belangrijke rol in de evolutie ervan. Menno Schilthuizen schreef er een boek over.

Sinds enkele tientallen jaren geleden het Anthropoceen werd gemunt als het geologische tijdperk waarin de mens een overheersende stempel op de aarde drukt, is het besef doorgedrongen dat wij een belangrijke geologische factor zijn geworden. 

Lees verder na de advertentie

De mens beïnvloedt de opbouw van sedimenten, graaft gesteentelagen af, zorgt voor verandering in de loop van rivieren, laat gletsjers smelten en koraalriffen verdwijnen. Ook over vele miljoenen jaren zullen dergelijke veranderingen in gesteentepakketten terug te vinden zijn, althans voor wie er dan is om dat te bekijken.

Maar nu dringt zich ook de vraag op of de mens invloed heeft op het leven zelf, niet in de zin van de voortschrijdende teloorgang van soorten maar op het ontstaan ervan. Is de mens behalve een destructieve, ook een vormende factor? Heeft de mens invloed op de evolutie?

Sinds 2007 woont de helft van de we­reld­be­vol­king in steden, een percentage dat de komende decennia zal stijgen tot wellicht zeventig of tachtig

Steden

Volgens Menno Schilthuizen, onderzoeker bij Naturalis en hoogleraar evolutie en biodiversiteit aan de Universiteit Leiden, is die invloed er. Zijn Engelstalige boek ‘Darwin comes to town’ rolde onlangs van de persen (in mei wordt de Nederlandse vertaling ‘Darwin komt naar de stad’ verwacht bij Atlas Contact). Het boek behandelt de vele invloeden die die ene diersoort, Homo sapiens, uitoefent op zijn leefomgeving en daarmee ook op andere soorten.

Sinds 2007 woont de helft van de wereldbevolking in steden, een percentage dat de komende decennia zal stijgen tot wellicht zeventig of tachtig. Steden nemen een steeds groter deel van het aardoppervlak in beslag.

De mens is niet de enige soort die er leeft. Steden huisvesten een rijk scala aan dieren en planten, achterblijvers en nieuwkomers en zowel gedomesticeerde als wilde of verwilderde.

Trilspin

Van de halsbandparkiet in het park tot de trilspin in uw kelderkast, de slechtvalk op de torenflat en de duiven die broeden op het platje driehoog achter: het zijn urbane soorten die zich in het nieuw geschapen ecosysteem uitstekend thuis voelen. 

Voor een bioloog lijkt het een uitgemaakte zaak dat zich daar dan ook evolutionaire fenomenen zullen voordoen (die doen zich per slot overal voor), maar de observatie daarvan is moeizaam en het studiegebied van de urbane evolutie staat nog in de kinderschoenen.

Een overzicht ontbrak tot nu toe, maar met zijn boek heeft Schilthuizen in die lacune voorzien. Hij beschouwt de stad niet als een biologisch ground zero, maar integendeel als een bruisend laboratorium waar diverse evolutionaire experimenten plaatsvinden.

Ecosystem engineers

Er zijn diersoorten die hun fysieke leefomgeving dusdanig beïnvloeden dat andere soorten daarvan kunnen profiteren. Zij maken constructies die veel groter zijn dan de dieren zelf. Bevers bouwen dammen, waarmee een stilstaande watermassa wordt gemaakt waarin bijvoorbeeld vissen kunnen leven. 

Koralen maken riffen die een schuilplaats of leefsubstraat bieden aan allerhande dieren. Mieren, die vaak enorm grote mierennesten bouwen, creëren daarmee habitat voor zogenoemde myrmecofiele (letterlijk: mierlievende) soorten, zoals kevers en vlinders, die in de mierenhopen kunnen leven en zich uit dank voor de gastvrijheid vaak stiekem voeden met mierenlarven of hun voedsel. Zulke soorten, die de omgeving manipuleren, worden ecosystem engineers genoemd. Ook de mens is zo’n ecosystem engineer en hij biedt daarmee ruimte aan anthropofiele soorten.

Muizen in parken passen hun spijsvertering aan de voedselresten van de mens aan

Met steden, wegen en andere infrastructuur wordt een enorm scala aan habitats gecreëerd voor de meest uiteenlopende soorten planten en dieren. Die vestigen zich er en passen zich vervolgens aan hun nieuwe omgeving aan. Wanneer deze aanpassingen verankerd raken in het genoom van de dieren en daarmee overerfbaar worden, is sprake van een evolutionaire verandering. Schilthuizen beschrijft tientallen voorbeelden van overerfbare aanpassingen van anthropofiele dieren (vooral dieren - hij is zoöloog en geen botanicus) aan de menselijke leefomgeving.

Groei plantensoorten

De biodiversiteit in steden is groot en neemt bovendien toe. Een voorbeeld is de Tjechische stad Plzen, waar eind negentiende eeuw 478 plantensoorten voorkwamen, een aantal dat groeide tot 595 in de zestiger jaren, en tot 773 nu. Dat zijn substantiële toenames. Het betekent dat inmiddels de biodiversiteit ín de stad dikwijls groter is dan erbuiten - een effect dat ook wordt bevorderd door de afname van soorten op het platteland.

De meeste steden werden ooit gesticht in streken met een grote verscheidenheid aan soorten, zelden in een woestijn. Ook kent de stad een grotere variatie aan (dikwijls kleine) habitats dan het buitengebied en er is bovendien een constante aanvoer van soorten middels het weg-, trein- en vliegverkeer.

Een belangrijke factor die de vestiging van een soort bevordert, is diens zogenoemde pre-adaptatie: het bezit van een reeds aanwezige eigenschap die bevorderlijk is om te overleven in de urbane omgeving. Zo is het gedrag van scholeksters, die graag broeden op een platte ondergrond zonder dat ze daarbij veel aandacht besteden aan nestbouw, gunstig om op grinddaken van gebouwen te gaan nestelen. Soorten die in de natuur op rotsrichels broeden, kunnen ook vaak goed terecht op gebouwen; denk aan gierzwaluwen en stadsduiven. Maar daarmee is nog geen evolutie aangetoond, slechts aanpassingen binnen bestaande genetische kaders.

Vleugelvorm

Anders is het wanneer de dieren van vorm veranderen om zich beter te kunnen handhaven, of een ander geluid gaan produceren. Daarvan zijn schitterende voorbeelden voorhanden. Een van de mooiste is de vormverandering van vleugels van Amerikaanse klifzwaluwen. Hoe afgeronder een vleugeltop is, hoe wendbaarder de vogel. In de stad is wendbaarheid een groot voordeel om botsingen met het snel rijdende autoverkeer te voorkomen.

Klifzwaluwen bouwen hun nesten van klei van nature aan overhangende rotsen, maar in de stad benutten ze graag bruggen langs (snel)wegen. Er zijn kolonies van wel zesduizend nesten waargenomen, allemaal bevestigd aan zulke kunstwerken. Een biologen-echtpaar uit Nebraska heeft gedurende vele jaren klifzwaluwen gevangen om ze te ringen en de vleugels op te meten.

Ook raapten ze doodgereden zwaluwen langs de weg op. Wat bleek: de vleugels van in het verkeer omgekomen zwaluwen waren gemiddeld een halve centimeter langer dan die van hun nog levende soortgenoten. Omdat de onderzoekers gedurende vele jaren hadden gewerkt, konden ze vaststellen dat de vleugels gemiddeld twee millimeter per tien jaar waren gekrompen om de wendbaarheid te vergroten. Dat lijkt weinig, maar het heeft grote gevolgen voor de soort.

Vogels zijn een hoger geluid gaan produceren om boven het lawaai in het verkeer uit te komen

Een mooi plantaardig voorbeeld van natuurlijke selectie is de zaadvorm van vleugelstreepzaad, een paardenbloemachtige plant die op de trottoirs van Montpellier in boomkransen groeit. Vleugelstreepzaad maakt van nature twee soorten zaden: lichte zaden met een parachuutje (net als we van paardenbloemen kennen) en zware zaden die geen parachuutje hebben. De lichte worden met de wind verspreid, de zware vallen ter plekke op de grond om te kiemen.

De urbane habitat van boomkransen biedt alleen aan de zware zaden een kiemkans; de lichte zaadjes komen willekeurig in de versteende stad terecht maar slechts zelden op een gunstige plek. Wat blijkt nu: de plantjes maken uitsluitend zware zaden en verhogen daarmee hun voortplantingskansen aanzienlijk.

Dof verkeerslawaai

Het boek puilt uit van voorbeelden: Visjes die zich aanpassen aan het overleven in zwaar met gifstoffen vervuilde stadse wateren. Vogels die een hoger geluid zijn gaan produceren om boven het doffe verkeerslawaai uit te komen. Muizen in parken die hun spijsvertering aanpassen aan het aanbod van menselijke voedselresten. Spinnen die eigenlijk niet van licht houden, maar hun webben aanleggen naast lampen om zoveel mogelijk insecten te kunnen vangen. En vogels die hun nesten versieren met sigarettenpeuken omdat het insectenwerende effect van nicotine ertoe leidt dat ze dan minder last hebben van vlooien en luizen in het nest. De stad als boeiend laboratorium van de evolutie, en Schilthuizen heeft het allemaal opgeschreven in een zeer leesbaar boek.

Menno Schilthuizen, Darwin comes to town. Londen, Quercus Editions, 344 blz.

Deel dit artikel

Sinds 2007 woont de helft van de we­reld­be­vol­king in steden, een percentage dat de komende decennia zal stijgen tot wellicht zeventig of tachtig

Muizen in parken passen hun spijsvertering aan de voedselresten van de mens aan

Vogels zijn een hoger geluid gaan produceren om boven het lawaai in het verkeer uit te komen