Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Boer zoekt stad

Groen

Kees de Vré

Terwijl echtgenoot Wietze de laatste hand legt aan de partytent, zet Brigitte Venturi thee en vruchtensap klaar. Eindelijk is het zover. Na er twee jaar lang van te hebben gedroomd ging op zondag 18 maart in de Utrechtse wijk Voordorp op een centraal gelegen grasveld de buurtmoestuin van start.

Nou ja, moestuin. Venturi en haar moestuinmaatjes beginnen met het planten van een appelboom en het zaaien van kruiden in het perk om de boom. In een volgende fase zijn de bessen- en kiwistruiken aan de beurt. Daarna wellicht de tomatenplanten en de stokbonen. Alles op zijn tijd. De tuin moet langzaam worden opgebouwd, vinden ze. Ze waken er vooral voor door de omwonenden te worden weggezet als lobbyisten van de 'groene kerk'. De tuin is iets voor de hele wijk. Het idee moet daarom rustig kiemen, net zoals de tuin.

Venturi is een van de tienduizenden die veel vrije tijd stoppen in het opzetten van eetbaar buurtgroen. Voor al deze mensen is het niet zomaar een hobby, om af en toe lekker buiten met je handen in de aarde te werken en de natuur om je heen te voelen. Ze worden mede gedreven door een gevoel van onbehagen over het huidige industrieel geteelde en verwerkte voedsel. Dat onbehagen uiten ze niet alleen maar, ze pakken het ook aan, op hun eigen bescheiden manier.

Nadruk op de gemeenschap
Bij zo'n moestuin ligt de nadruk niet alleen op 'moes', op voedsel, maar zeker ook op buurt, op de gemeenschap. Voedsel en gemeenschap horen bij elkaar. Die band hebben we uit het oog verloren, vinden velen. Verbinding is een woord dat in gesprekken vaak valt. Voedsel moet weer geteeld worden dichtbij de monden waar het in verdwijnt. Stad en ommeland moeten weer naar elkaar kijken en voor elkaar zorgen, en niet met de ruggen naar elkaar staan. De boer moet niet wijken voor de stad, maar juist geïntegreerd worden in die stad.

De huidige strikte scheiding van functies is mensen aan het opbreken. Voedsel telen gebeurt nu onzichtbaar, vaak ver weg, door mensen zonder naam. De ketens zijn erg lang. De ingrediënten van een simpele pizza, in plastic verpakt in het supermarktschap, kunnen uit vijf werelddelen komen. Afgezien van enkele tientallen inkopers van grote supermarkten heeft niemand zicht op die ketens. Door die onzichtbaarheid is de verleiding groot om de ethiek uit het oog te verliezen. Aandeelhouders, kostenreductie en winstmaximalisatie zijn steeds bepalender geworden in de voedselketen, terwijl mensen voeden toch de aloude opdracht is.

Dat in grote hoeveelheden aangevoerde anonieme voedsel wordt drie maal daags genuttigd, vaak met een achteloze vanzelfsprekendheid. Eten is er altijd en overal en bovendien spotgoedkoop. Voedsel is letterlijk waardeloos geworden, zowel uitgedrukt in prijs als in respect, en zo wordt het ook behandeld. Het is lange tijd geen thema geweest op de maatschappelijke agenda.

Enerzijds is het geruststellend dat voedsel voldoende beschikbaar is tegen een redelijke prijs. Het bestaan van honger is ook in onze contreien nog niet zo heel lang verleden tijd. Anderzijds heeft het voedselsysteem dat gericht is op kwantiteit en hoge efficiëntie ook kwalijke gevolgen. Die worden steeds manifester: milieuvervuiling, gezondheidsschade, verlies aan soortenrijkdom, smaakverlies. Het systeem moet grondig hervormd worden. Dat is, om met voedselschrijver Michael Pollan te spreken, geen esthetische voorkeur maar een biologische realiteit.

Burgerinitiatief
Het is opvallend dat het juist de burgers in dorpen en steden zijn die het initiatief nemen om een ander voedselsysteem te organiseren. Overal in Nederland, en daarbuiten, ondernemen ze initiatieven. De afgelopen drie, vier jaar krijgen die een behoorlijke omvang. Met veel vallen en opstaan vinden de ondernemende burgers hun weg, want de drempels voor voedselteelt in de stad zijn legio en voor hobbyisten lastig te slechten. Soms liggen grondeigenaren dwars, of werken gemeentelijke regels tegen. Ook omwonenden kunnen lastig zijn. Omdat ze denken dat de gemeente hun weer iets oplegt, of ze willen liever geen verrommeld veldje om op uit te kijken. Of de kennis van het moestuinieren ontbreekt simpelweg. Toch zetten de meesten door, hun onbehagen is groot en hun wil om het anders te doen navenant.

Het zijn echter niet alleen goedwillende amateurs zoals Venturi en haar Voordorpers die zich laten gelden. Klein vooral, maar ook wel wat groter, staan er ondernemers op die in de slipstream van het burgerlijk onbehagen aan de slag gaan. Wachten tot de politiek iets onderneemt heeft geen zin, vinden ze. Er is genoeg gepraat, de handen moeten nu uit de mouwen.

Daktuin
Zo is daar dakboerin Annelies Kuiper uit Haarlem. Zij denkt dat alleen moestuinen de stad niet genoeg opleveren. Daarom is ze op zoek gegaan naar platte daken die geschikt zouden kunnen zijn voor het telen van groenten en fruit. Volgens Kuiper zijn er in Nederland vele miljoenen vierkante meters die daarvoor in aanmerking komen. Ze wil haar oogst in eerste instantie leveren aan scholen, bedrijfskantines, maar ook aan restaurants en hotels het liefst onder de desbetreffende daken of in ieder geval in de buurt ervan. Korte lijnen is ook haar insteek. Binnenkort gaat ze van start op het oude gebouw van het Seinwezen bij het station van Haarlem. In het gebouw vestigen zich jonge ondernemers van diverse pluimage. Op het platte dak gaat Kuiper ingrediënten telen die onder datzelfde dak in de kantine in de lunch worden verwerkt.

In het westen van Rotterdam, op een braakliggend rangeerterrein, zijn drie jongemannen bezig om onder de naam Uitjeeigenstad een boerderij in de stad op te zetten. De boerderij levert aan het restaurant en de winkel op het terrein. Wat over blijft kan naar restaurants in de buurt. Zij willen per se ín de stad hun boerderij. Er moet verbinding zijn met de mensen er omheen. Ook hebben ze zich bewust gesitueerd aan de rand van een volkswijk. Het moet niet iets zijn voor alleen yuppen, vertellen ze. Iedereen heeft recht op vers en betaalbaar eten. Zo dichtbij de mensen bevordert het bovendien de bewustwording over waar voedsel vandaan komt. Het laat onze band met de natuur zien, de wisseling van de seizoenen en de invloed van het weer. Zo krijg je weer respect voor het eten en de inzet van de teler, redeneren ze.

Weg met de chemie
Aardbeienteler Jan Robben was tot vijftien jaar geleden een voorbeeld van een boer uit het oude systeem. Zijn tuinderij aan de rand van Oirschot, tussen Eindhoven en Tilburg, leverde grote hoeveelheden en met veel chemie geteelde aardbeien aan de veiling. Er werd één soort geteeld. Die was hoogproductief, had de juiste vorm en was lang houdbaar. Ze moesten negen dagen overleven voordat de consument er mee in aanraking kwam. Smaak deed er niet toe, vertelt Robben. Hij wist toch niet wie zijn afnemers waren, hij stond met zijn rug naar de stad.

Nu is de chemie eruit en teelt Robben bovendien andere aardbeiensoorten. Die zijn vooral op smaak uitgekozen. En: 's morgens geoogst, 's avonds op het bord van de klant. Robben kent ze nu bijna allemaal, via zijn winkel aan huis en via zijn aardbeienacademie. De mensen komen terug omdat zijn aardbeien zo verrekte lekker zijn. Ze staan vaak voor de deur het doosje al leeg te eten en kloppen dan aan voor een nieuw doosje, vertelt hij trots. Hij komt ook als cateraar op bruiloften en partijen en biedt daar, gekleed in smoking met rode strik, zijn aardbeien zelfs per stuk aan. Robben heeft zijn gezicht naar de stad gekeerd en voelt zich inmiddels onderdeel van de opkomende voedselbeweging. Hij ziet echter ook dat zijn oude makkers in de grootschalige tuinbouw gaan bijdraaien. De kritische consument prikkelt hen om milieuvriendelijker te werken. Daarbij is niet alleen oog voor duurzaamheid, maar ook voor smaak.

Frank van Kleef is een van hen. Deze tomatenkweker uit de Wieringermeer kan met zijn jaarlijkse opbrengst van 25 miljoen kilo in zijn eentje een vijfde van Nederland voorzien van tomaten. Toch gaat deze gigant er prat op dat hij vooral op smaak selecteert en niet op kwantiteit. Wat je zelf niet wilt eten moet je ook niet telen, zegt hij. Hij beschouwt die focus op kwantiteit als korte-termijndenken, en Van Kleef wil er over vijftien jaar nog bij zijn. Zijn oogst gaat voor tweederde per vrachtwagen naar Duitsland. Voor Van Kleef is dat ook nog de regio.

Voor ondernemers uit de nieuwe voedselbeweging en de consumenten die hen steunen is deze manier van opereren niet de bedoeling. Dat is het oude, verfoeide systeem, vinden ze. Maar dat valt nog te bezien. Van Kleef beseft enerzijds dat hij een goed verhaal voor het voetlicht moet brengen, want er is geen vanzelfsprekende band met de stad of de regio. Hij blijft daardoor anoniem. Anderzijds werkt deze tomatenteler bijna per maand milieuvriendelijker en gebruikt biologische bestrijdingsmiddelen. Daarnaast voorziet de regen voor 100 procent in zijn waterbehoefte en werkt hij met een uiterst zuinig energiesysteem.

De prijs kan omlaag
De hoog ontwikkelde technologie, zegt Van Kleef, stelt hem in staat om een van de grote drempels van de nieuwe stadslandbouw op te lossen: de prijs. Boeren in en om de stad werken op dure grond. Dat kan er alleen uit als de producten een behoorlijke prijs opleveren, zoals bij voorbeeld de aardbeien van Jan Robben. Maar in de ervaring van Van Kleef wil de doorsnee nieuwe consument wel eten van dichtbij, maar het mag tegelijkertijd niet te veel kosten. Vandaar al die techniek.

De techniek bij PlantLab in Den Bosch is van een totaal andere orde. De vier tuinbouwingenieurs die het bedrijf hebben opgezet, denken een paradijs voor planten te hebben gerealiseerd. Pas als een plant onder optimale omstandigheden kan groeien kunnen water en milieu gespaard worden en komt de smaak het beste tot zijn recht, is hun stelling. Optimaal betekent het uitsluiten van de grillen van weer en klimaat, de wisseling van seizoenen, maar ook los van licht en donker. Zelfs zonlicht is taboe. Dus staan de planten van PlantLab 24 uur per dag, 7 dagen in de week in afgesloten ruimtes onder rood en blauw led-licht te groeien en te bloeien.

De eerste proeven met sla-plantjes zijn hoopgevend, zeggen ze bij PlantLab. De producten zien er prachtig uit en de smaak is super. Nu is het idee om leegstaande gebouwen te vullen met Plantlabs in alle soorten en maten. Dus hightech-boeren in de stad, lekker dicht bij de consument. Die kan de 's morgens geoogste groenten en fruit 's avonds op het bord hebben liggen. Door die korte lijnen kun je de producten plukken als ze goed rijp zijn. Dan zijn ze het lekkerst en voedzaamst.

Reuring in voedselland
Van hobbyist Venturi tot de supertechneuten van PlantLab, er is veel reuring in voedselland. Wat decennia geleden begon als radicaal denken, is nu gemeengoed aan het worden. Dat uit zich niet in één beweging. Er zijn er verscheidene naast elkaar, die vaak los van elkaar werken, maar ze zijn verbonden door het besef dat het huidige systeem op de schop moet.

Om het momentum vast te houden en de ontwikkelingen structureel te maken is het zaak uit de sfeer van de moestuinromantiek te komen. Niets ten nadele van de moestuin, het is zeer goed voor de bewustwording dat het anders moet, maar het zal dat snel groeiende verlangen naar voedzaam, gezond en smaakvol eten niet kunnen oplossen. Het moet komen van nieuwerwetse ondernemers die in nieuwerwetse bedrijfsconcepten de vele initiatieven gaan verbinden. Het moeten ondernemers zijn die met name oog hebben voor de gemeenschap. Dus meer samenwerking in de keten en minder concurrentie, meer ethiek in het handelen en rekening houdend met de grenzen die de natuur stelt.

Natuurlijk moet zo'n bedrijfsmodel rendabel zijn. Niemand is gehouden om met verlies te werken. De bedrijven moeten zich in deze piepjonge wereld nog bewijzen, al werkende weg. Daarbij moet hulp van bedrijven in de oude keten niet worden uitgesloten. Daar zit toch het geld en vooral de kennis. Kennis van de logistiek met name, want met wat voor uitgangspunten je ook werkt, de vraag blijft steeds: hoe krijg je al dat eten bij al die consumenten en hoe verwerk je alle resten weer? Alleen al een stad als Amsterdam heeft dagelijks (!) 2,5 miljoen maaltijden (ontbijten plus lunches en diners) nodig, toeristen niet meegerekend. Daar zorgt de huidige keten toch maar geruisloos voor.

Er lopen vele sporen naar het eten van de toekomst. Die moeten bij elkaar worden gebracht. In dat amalgaam van in de stad en erbuiten, van lowtech en hightech moet niets worden uitgesloten. Als voedsel maar centraal staat en het onze opvattingen over het goede leven weerspiegelt. De keuze van de consument met al zijn grillen zal daarbij de doorslag geven, alhoewel die best een beetje gestuurd kan, en vanuit oogpunt van duurzaamheid misschien wel moet worden.

Deel dit artikel