Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Alle kevers en spinnen tellen mee voor bioloog Jan Meijer

Groen

Koos Dijksterhuis

Jan Meijer tijdens zijn laatste inventarisatie. © Koos Dijksterhuis
Reportage

Bioloog Jan Meijer kent de bodemfauna van 'zijn' Sennerplaat en Schildhoek op z'n duimpje na veertig jaar observeren, vallen zetten, tellen en noteren. Liefhebbers en vakgenoten nu ook: zijn inventarisaties zijn gepubliceerd.

Veertig jaar bracht Jan Meijer het kruipende gedierte in het Lauwersmeergebied in kaart, vanaf de drooglegging in 1969 tot en met 2008. Dat leidde afgelopen maand tot een wetenschappelijke publicatie. "Ik dacht dat de natuur in het gebied zou stabiliseren, maar die bleef tot op het laatst veranderlijk."

Lees verder na de advertentie

In die veertig jaar veranderde de lagune van zee in land, van nat in droog, van zout in zoet en van kaal in begroeid. Meijer groef insectenvallen in, waarin over de grond kruipende geleedpotigen verdrinken. "In totaal heb ik een half miljoen beestjes geofferd voor de wetenschap", zegt hij verontschuldigend.

Mede door invloeden van de mens gebeurt er zoveel met de natuur, dat je een vinger aan de pols moet houden

Bioloog Jan Meijer

Hij zit voor zijn camper bij de jachthaven van Zoutkamp, waarvandaan hij de laatste jaren in een open bootje naar zijn twee onderzoekslocaties pruttelde: de zandige Sennerplaat in het zuidwesten en de kleiige Schildhoek aan de oostkant van de Lauwerszeepolder. Op beide vlaktes koos hij twee plekken waar hij twee vangtrechters ingroef: acht vallen in totaal. Ieder jaar verzamelde hij van maart tot eind oktober elke twee weken de geleedpotige oogst.

"Alles wat ik ving en op naam kon brengen, noteerde ik", verklaart de intussen gepensioneerde biologieleraar. Het leeuwendeel van zijn vondsten bestaat uit loopkevers (203.815 kevers, 98 soorten) en spinnen (122.134 stuks, 103 soorten). Meijer heeft ze allemaal gedocumenteerd. Verder liepen er heel wat pissebedden, cicaden en hooiwagens in de val.

© Koos Dijksterhuis

Analyse

Meijer besloot na zijn veertigste seizoen met het veldonderzoek te stoppen en zijn tijd te gaan besteden aan het verwerken en publiceren van de lange lijsten met bodemdiertjes. Het rubriceren en analyseren is, ondanks een beroerte en andere ernstige kwalen gelukt, mede dankzij de hulp van zijn bevriende insectenkenner Aat Barendregt. De laatste is tweede auteur van Meijers publicatie, dat de dertig pagina's van het vakblad Entomologische Berichten geheel vult. Toen het besluit tot inpoldering van de Lauwerszee genomen was, zag Meijer meteen kansen om de veranderingen na zo'n ingreep langdurig te volgen. "Dat was nog nooit gedaan", vertelt hij. "Mede door invloeden van de mens gebeurt er zoveel met de natuur, dat je een vinger aan de pols moet houden. Je moet vastleggen wat er gebeurt, om zo nodig en indien mogelijk het tij te keren.

"Als wetenschapper was ik trouwens niet direct begaan met eventuele toepassingen van mijn bevindingen, maar was ik eenvoudigweg nieuwsgierig naar hoe de maagdelijke poldergrond zou worden gekoloniseerd door insecten en spinnen, hoe die bodemfauna vervolgens zou veranderen." Zonde dat zijn werk niet is voortgezet, nadat hij ermee stopte, vindt de bioloog. "Maar jarenlange studies zonder duidelijke verwachting zijn uit de tijd."

Topjaren

Meijer nam contact op met professor Bert Vlijm, bij wie hij aan de Vrije Universiteit op loopkevers was afgestudeerd, en met de beherende instantie Rijksdienst IJsselmeerpolders. De professor en de R.IJ.P. reageerden zeer enthousiast. Meijer werkte samen met plantenecoloog Wouter Joenje, die de vegetatie bijhield. Na tien jaar promoveerden beiden, waarna de plantenman ermee stopte. Meijer ging nog dertig jaar door.

Gevlekte kwelderpriemkever ofwel de Bembidion varium. © x

"Wouter verwachtte dat beide plekken binnen een paar jaar overwoekerd zouden zijn door een wildernis van bramen, maar dat gebeurde helemaal niet", vertelt de bioloog. "De kale zand- en slijkplaat raakten binnen een jaar bedekt met zeekraal, een zouttolerant wadplantje, en naarmate het zout verdween, verschenen er steeds andere planten. Maar ruigteplanten als bramen en brandnetels waren er na veertig jaar nog nauwelijks. Er kwam wel duinriet, wat weer verdween, en nu staat er op beide plekken vooral gewoon riet."

De Schildhoek is een kale grasvlakte met paarden en runderen, maar Meijers' locaties zijn nog altijd omheinde riet-enclaves, gevrijwaard van begrazing. Behalve bramen verwachtte Meijer destijds niet veel, hij wilde zich laten verrassen, maar hij verwachtte wel dat sommige pionierssoorten in groten getale zouden opduiken. "En dat kwam zeker uit", zegt hij, wijzend op de soortenlijsten in zijn artikel. Meer dan 10.000 Bembvari's en maar liefst 54.000 Dichgusten, met topjaren van ruim 5000 vangsten in een zomer!

Gewone kwelderloper ofwel de Dicheirotrichus gustavii © x

Bembvari? Dichgust? "Oh", zegt Meijer: "Bembidion varium en Dicheirotrichus gustavii". Eh... en dat zijn? "Loopkevers. Ik weet geen Nederlandse namen." Toch maar even opzoeken dan. Bembvari is de gevlekte kwelderpriemkever en Dichgust heet gewone kwelderloper, maar ook wel behaarde kustloopkever. "Zie je, daar ga je al", schampert Meijer. "Twee namen, en aan beide heb je niets als je met buitenlandse entomologen praat."

Bembvari en Dichgust zijn allebei kwelderkevers die na tien, respectievelijk dertien jaar aanwezigheid weer volledig verdwenen. Toen bleek ook het zoutgehalte nihil te zijn, op een paar plekken op de Schildhoek na.

Rietsnelloper ofwel de Agonum thoreyi © x

"Op zo'n winderige, kale vlakte met een zoute bodem kunnen maar enkele soorten overleven", legt Meijer uit. "En bij gebrek aan concurrenten en vijanden kunnen die zich explosief vermenigvuldigen." Vlak na de afsluiting van de lagune was er ook een dansmuggenplaag van jewelste. Vervolgens kwamen er veldmuizen, velduilen en weidevogels. "We liepen tussen de kemphanen door!" Pas na jaren doken er kikkers en padden op.

Aanvankelijk raakte de drooggelegde zeebodem bevolkt met slechts enkele kever- en spinnensoorten, die in enorme aantallen voorkwamen. Geleidelijk aan nam de soortenrijkdom toe, terwijl de aantallen per soort slonken. In 2008 liep nog altijd 1075 keer een graafloopkever (Dyschirius globosus) in de val, bleef de rietsnel-loper (Agonum thoreyi) tot het eind toe rijkelijk vertegenwoordigd en ving Meijer de laatste jaren iedere zomer honderden gladde zwartschildjes (Pterostichus diligens). Maar die haalden het niet bij de tienduizenden van enkele pioniersoorten in de beginjaren, zoals de 54.000 kwelder-lopers. Die ene soort neemt ruim een kwart van de gevangen loopkevers voor zijn rekening.

Volleerd spinnenman

Van de spinnen was gedurende de eerste tien jaar de langpalpstoringsdwergspin (Erigone longipalpis) prominent aanwezig. Dat is een hangmatspin die een draad van spinrag gebruikt om mee te zweefvliegen. Met de wind in de rug kan zo'n beestje enorme afstanden afleggen en nieuwe leefgebieden snel koloniseren. Meijer ving er bijna 19.000. Een van de latere spinnen die er nu waarschijnlijk nog voorkomt is Pardosa pullata, een wolfspin die tot tevredenheid van Meijer geen Nederlandse soortnaam heeft, of het zou al de 'gewone wolfspin' moeten zijn.

De spinnen vond Meijer aanvankelijk een stuk moeilijker te identificeren dan de kevers, omdat hij in zijn studietijd vooral met loopkevers bezig was en op die beestjes was afgestudeerd, terwijl hij van spinnen weinig wist. Maar bijna alles wat hij te pakken kreeg, leerde hij kennen en herkennen.

De keverman is in veertig jaar een volleerd spinnenman geworden. Toen hij tien jaar geleden voor de laatste keer de vallen inspecteerde, viste hij onder meer diverse hooiwagens uit de vallen: niet zoals de bolletjes met acht lange poten die wel-eens op de buitenmuur van een huis zitten, maar piepkleine speldenknoppen die je zomaar voor teken zou kunnen aanzien. Met het blote oog zijn zulke beestjes niet op naam te brengen, dat deed Meijer thuis onder een binoculair, op basis van een enkel detail zoals de vorm van de geslachtsdelen.

Van de gevangen diergroepen bleven alleen de wantsen onderbelicht. Meijer probeerde nog even zijn vrouw warm te maken voor die lastige insectengroep, maar zij had andere prioriteiten.

Op de vraag welke van de 500.000 door hem gevangen diertjes hij het bijzonderst vindt, antwoordt Meijer gretig: "Paradromius longiceps! Eén exemplaar in veertig jaar!" Even opzoeken: de langhalsschorsloper, een kever van rietvegetaties. Waarom die? "Omdat die zo extreem zeldzaam is!"

Deel dit artikel

Mede door invloeden van de mens gebeurt er zoveel met de natuur, dat je een vinger aan de pols moet houden

Bioloog Jan Meijer