‘De spinster’, een huistafereel uit de 17de eeuw van de hand van de Vlaamse schilder Abraham Willemsens (1605-1672).

GeschiedenisWerk-privé-balans

Thuiswerken is niet nieuw, maar juist hartstikke oud

‘De spinster’, een huistafereel uit de 17de eeuw van de hand van de Vlaamse schilder Abraham Willemsens (1605-1672).

Thuiswerken gaat ver terug. Volgens sommige historici was het de norm tot de Industriële Revolutie. Denk aan bakkers, smeden en schoenmakers. Wat kunnen we leren van die tijd?

Sinds het begin van de coronacrisis lijkt voor veel gezinnen en werkenden een nieuw tijdperk te zijn aangebroken. Moeders worstelen zich op laptops in studeerkamers door spreadsheets heen, vaders hobbelen aan keukentafels van Zoom- naar Zoommeeting. Premier Mark Rutte hamert erop: thuiswerken is cruciaal om de coronabesmettingen onder de duim te krijgen. Ook na de crisis zal deze nieuwe manier van werken een blijvertje zijn, voorspelt bijvoorbeeld werkgeversorganisatie AWVN. Maar thuiswerken anno 2020 blijkt helemaal niet zo nieuw.

Klop een jaar of driehonderd terug aan bij een gemiddelde huisboerderij in Twente of Brabant en de kans is groot dat je een werkende moeder in de woonkamer aantreft. Achter een spinnewiel terwijl ze met haar vrije hand de wieg van haar kindje vastheeft. De oudere kinderen melken koeien in de kamer – of stal – ernaast, slechts afgescheiden door een dun muurtje. Vader scheert buiten een schaap en trekt ’s middag naar de markt om het overschot van de oogst te verkopen. Tijdens lunch en avondeten prikt iedereen uit één pan simpel eten.

Gezinsbedrijfjes

“Vóór de Industriële Revolutie liepen werk en privé bij veel gezinnen al compleet in elkaar over”, zegt Karin Hofmeester, onderzoeksdirecteur bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. “Eigenlijk net als nu.” Destijds werkten gezinnen samen om kleine boerenbedrijfjes overeind te houden. “Dat ging volstrekt anders dan nu. Wij zijn gewend dat elk gezinslid met zijn eigen pasje naar zijn eigen baan of school gaat. Maar lange tijd werkten mensen echt in gezinsverband.

Volgens sommige historici was thuiswerken de norm tot de Industriële Revolutie, mits je werkplaatsen aan huis met knechten meetelt. Denk aan schoenmakers, bakkers, en smederijen. In de tijd van jagers en verzamelaars waren er nog nauwelijks huizen en was ‘thuiswerken’ dus geen optie, maar van de Romeinse tijd tot in de negentiende eeuw werkte het grootste deel van de Nederlandse bevolking als boer of boerenknecht. Voor een aanzienlijk deel op kleine, grotendeels zelfvoorzienende gezinsbedrijfjes, met slechts een paar beesten en wat gewassen.

De tijd die volgens Hofmeester de meeste parallellen met de hedendaagse thuiswerkgolf vertoont, heet de ‘proto-industriële’ periode, vlak vóór de ‘echte’ Industriële Revolutie. Net zoals nu een iPhone uit honderden los van elkaar geproduceerde onderdelen bestaat, werd het productieproces van bijvoorbeeld kleding opgedeeld onder verschillende werknemers die zich met één kleine specifieke taak bezighielden. De één maakte een mouw, de ander knoopsgaten. Dit gebeurt nog niet met machines in fabriekshallen, maar al die losse onderdelen worden thuis gemaakt, en later opgehaald of weggebracht om tot een eindproduct te komen.

Niet zo idyllisch

Dat klinkt gezellig: moeder aan het spinnen, vader op het land of aan het weven, kinderen met wol in de weer. Maar zo idyllisch was het volgens hoogleraar sociale en economische geschiedenis Elise van Nederveen Meerkerk (Universiteit Utrecht) niet. “Kinderen gingen niet naar school omdat er nog geen leerplicht was. Vaak begon de werkdag al om 6 of 7 uur, als het licht werd, en werd er doorgewerkt tot het donker. Huizen hadden nauwelijks isolatie, verwarming of licht, dus ’s avonds chillen zat er ook niet in.” Plus, zegt de historica: mensen hadden simpelweg minder fut voor leuke dingen, omdat het dieet ‘totaal niet gevarieerd’ was en weinig calorieën bevatte. “Men at brood, gort en havermout, soep van groenten, met vanaf de achttiende eeuw aardappelen. Werkende Nederlanders kregen te weinig proteïne binnen, met slechts één of twee keer per week een echt stuk vlees.” Het aantal kilocalorieën tot het jaar 1850 was voor een hardwerkende arbeider slechts eenderde of minder dan wat-ie voor vergelijkbaar zwaar werk nu zou binnenkrijgen. “Er was geen energie om de hele avond op te blijven. Het was echt werken, eten, slapen, werken.”

De stoommachine luidde onze huidige manier van werken grotendeels in: met diensten met vastomlijnde tijden. Aan het begin van de 19de eeuw trokken mannen, vrouwen en kinderen het huis uit om in fabriekshallen lange dagen te maken, met uurroosters. Voor de elite was het voor vrouwen al sinds de zestiende eeuw een ‘statussymbool’ om niet te hoeven werken, legt hoogleraar sociaaleconomische geschiedenis Maarten Duijvendak (Rijksuniversiteit Groningen) uit. Door inspanningen van de vakbond werden ook vrouwen (en kinderen) uit de arbeidersklasse richting het eind van de 19de eeuw vaker vrijgesteld van werk. “Dat was bepalend voor de positie van vrouwen in de maatschappij”, zegt Hofmeester. Waar mannen en vrouwen eerder gelijk waren in de hoeveelheid ‘werk’ die ze voor hun rekening namen, werd de verdeling tussen ‘het huis’ als vrouwenwereld en ‘de fabriek’ als mannenwereld aangescherpt. Vanaf de vroege 20ste eeuw werd het ‘kostwinnersideaal’ gemeengoed. Hofmeester: “Nu zijn vrouwen nog steeds bezig aan de inhaalslag daarvan op de arbeidsmarkt, met lonen die gemiddeld lager liggen, en vrouwen die vaker in deeltijd werken.”

Ergonomische stoel

Een belangrijk verschil tussen thuiswerken driehonderd jaar geleden en nu, voegt de Utrechtse hoogleraar Van Nederveen Meerkerk toe, zit in wat we überhaupt onder het woord ‘huis’ verstaan. Wij denken al snel aan een gezellige woonkamer, met een grote televisie, een goed ingerichte boekenkast en een hip Italiaans koffiezetapparaat in de keuken. “Destijds was een woonkamer veel kaler, met niet meer dan een eettafel, wat harde stoelen en misschien één luie stoel in de hoek.” Van Nederveen Meerkerk vertelt over een woningopzichteres in Amsterdam die rond 1870 een arbeiderswoning van drie hoog bezocht, om daar ‘volksonderricht’ in gezelligheid en schoonmaken te geven. “In de keuken vond die vrouw toen een groot gat in de betonnen vloer, met vies water waarin een eend zwom. ‘Wat is dat?’, vroeg ze. Ja, dat was een eend die het gezin ergens gevangen had en een keer wilde opdienen.” Oftewel: de gemiddelde woning was vies, en onhygiënisch. Pas in het laatste kwart van de 19de eeuw kregen mensen beschikking over stromend water en riolering. 

Anno 2020, in een warm, licht, schoon huis met een ergonomische stoel en geluidsdichte hoofdtelefoon, lijkt thuiswerken nu bepaald geen ramp, althans niet qua comfort. Volgens Duijvendak staan we ondanks die luxe toch voor moeilijkheden “die onze tijd wel degelijk onderscheidt van welk moment in de geschiedenis dan ook”. Door licht, energie en internet kan iedereen de hele avond of nacht doorwerken. De werkcultuur is gedigitaliseerd en flexibel. Mensen blijven de hele avond werkmail ontvangen, of worden wakker door een appje van de baas. “Voor sommigen houdt de werkdag nooit op, terwijl het juist een verdienste was van de 40-urige werkweek dat alle burgers tijd kregen om zichzelf te ontplooien.”

De scheiding tussen werk en privé is volgens Duijvendak een relatief nieuwe uitvinding. ‘Vrije tijd’ zoals we dat nu kennen ontstond volgens hem pas honderd jaar geleden, toen na een lange strijd van vakbonden de 40-urige werkweek als wettelijke norm werd gesteld. Eerder was alleen de adel vrijgesteld van werk. Dat veranderde, en de nieuwe ontspanningsgedachte werd vooral na de Tweede Wereldoorlog belangrijk. “Om gezond te zijn”, zegt Hofmeester, “moet je ook wandelen, een boek lezen, naar het strand. Op vakantie.”

Dat het verschil tussen werk en privé toen al zo hoog in het vaandel stond, blijkt volgens Duijvendak uit een voorbeeld over de Noordoostpolder. Na de Tweede Wereldoorlog ging men op zoek naar ondernemende boeren die op het nieuw drooggelegde land een goed bedrijf konden opzetten. De overheid liet boerderijen bouwen, met daartussen steeds rijtjes van vijf á zes arbeidershuisjes, voor de werklui die bij de boeren werkten. “Maar halverwege de jaren zestig waren alle arbeiders vertrokken”, zegt Duijvendak. De werklui waren massaal naar Emmeloord verhuisd, en pendelden met een brommer naar de boer. “Ze vonden het veel prettiger om bij elkaar te wonen dan naast hun baas. Net zoals wij liever niet ’s avonds continu werkmails ontvangen.” 

Pauzeren

Kijkend naar het verleden, twijfelt Duijvendak of thuiswerken ook na de coronacrisis toekomst heeft, zoals vaak wordt gesuggereerd. “Veel mensen houden nu eenmaal van een helder verschil tussen werk en thuis – tussen kantoor en huis. Het zou best kunnen dat we na de crisis alsnog massaal met heimwee terugkeren naar de kantoortuin.”

Kunnen we meer lessen trekken uit het barre thuiswerkverleden? “Schroom niet om wat langer pauze te nemen”, denkt Van Nederveen Meerkerk. Ondanks de zeer lange werkdagen van 10 tot soms wel 14 uur, namen knechten en werknemers in de zeventiende eeuw wel middagpauzes van één à twee uur, waarin ze konden eten, bijkomen en een dutje konden doen. “Dat hadden ze ook echt nodig, omdat ze zwaar werk deden en minder energie uit hun eten haalden.” Maar de historica denkt dat het ook nu prettig kan zijn voor thuiswerkers om “écht even wat anders te doen midden op je werkdag, iets waar je op een fysiek kantoor misschien niet de kans voor had gekregen”.

Lees ook: 

Deze tips uit de topsportwereld helpen je om het thuiswerken vol te houden

Om het thuiswerken vol te houden, moeten we lessen trekken uit de topsport.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden