Polder Rijnenburg bij Utrecht. Moeten hier woningen komen of is er in de stad nog ruimte genoeg voor nieuwbouw?

Woningbouw

Nederland zoekt plek voor een miljoen woningen, dus trekt het lege weiland

Polder Rijnenburg bij Utrecht. Moeten hier woningen komen of is er in de stad nog ruimte genoeg voor nieuwbouw?Beeld Hollandse Hoogte / Erik van 't Woud

Weilanden volbouwen? Dat is onontkoombaar, zeggen sommigen, nu Nederland in tien jaar tijd één miljoen nieuwbouwwoningen nodig heeft. Anderen noemen dat ‘lariekoek’. Een lang lopende discussie herleeft.

Her en der in den lande is er de afgelopen dagen diep gezucht. Daar heb je ze weer, de onderzoekers van het Economisch Instituut voor de Bouw, met hun pleidooi dat het echt noodzakelijk is om ook in groene gebieden nieuwe woningen te bouwen.

“De bekende periodieke twintigste-eeuwse bouwberichten van het EIB”, twitterde Cees-Jan Pen, lector ondernemende regio aan de Fontys Hogeschool bijvoorbeeld. Joks Janssen, bouwkundige en hoogleraar brede welvaart aan de universiteit van Tilburg, spreekt van ‘een grijsgedraaide plaat’ en verbaast zich over de media-aandacht die het EIB kreeg. “Ging bouwen in de wei maar net zo snel als publiceren erover in de media.”

De aanleiding is een rapport van afgelopen maandag waarin het EIB de vraag opwerpt waar al die nieuwe woningen moeten komen die nodig zijn om de wooncrisis op te lossen. Tussen nu en 2030 één miljoen extra woningen, dat is het aantal dat in de politiek voortdurend rondgaat. Maar waar? Het antwoord van de EIB-onderzoekers op die vraag is helder: met alleen maar bouwen in de stedelijke gebieden redden we dat niet, die woningen moeten ook in groene gebieden komen.

Zuinig ruimtegebruik

Het EIB nam de zeven provincies onder de loep waar tot 2030 het aantal huishoudens het sterkst zal groeien en waar 900.000 van die één miljoen woningen terecht moeten komen. Voor 600.000 woningen liggen al plannen klaar, blijkt uit het EIB-onderzoek, voor de rest moet dus nog een locatie gevonden worden.

Dat is minder ingewikkeld dan het lijkt, stelt het EIB op grond van zijn eigen ‘verkenning’, ook als natuurgebieden gespaard worden. Bouw bijvoorbeeld het gebied tussen Arnhem en Nijmegen vol: 39.500 woningen. Of in het weidegebied ten noorden van Zwolle: 35.000 woningen. En in Waterland, tegen Amsterdam-Noord aan, kunnen er ook wel 3500 bij.

Hoewel, vol? Nee, vol moeten die gebieden niet worden, zegt EIB-directeur Taco van Hoek. “Áls we tegenwoordig al in het groen bouwen, dan doen we dat in hoge dichtheden, met veel woningen op weinig oppervlakte. Maar dat past op die plekken juist helemaal niet in het landschap. We moeten toe naar goed ruimtegebruik in plaats van zuinig ruimtegebruik, met wijken met veel groen. Dan zijn groen en woningen elkaars vijanden niet.”

Binnenstedelijk

Volgens het EIB moeten we daarom af van de zogeheten ‘ladder van duurzame verstedelijking’, het in wetten en regels vastgelegde beleid dat woningbouw bij voorkeur moet plaatsvinden op plekken binnen de steden waar leegstand is, en als dat niet kan liefst elders binnenstedelijk. Pas als ook dát niet kan, komen de groene gebieden in aanmerking als bouwlocatie.

Dat beleid heeft ertoe geleid dat driekwart van de bouwplannen die nu klaarliggen inderdaad gericht zijn op binnenstedelijk gebied, blijkt uit het EIB-onderzoek. “Maar niet iedereen wil in een appartement in de stad wonen”, zegt Van Hoek. “Er is ook veel behoefte aan eengezinswoningen met een tuin. Door te bouwen in het groen ontstaat er een betere balans.”

Dit alles heeft nóg een voordeel: bouwen kan in het groen veel sneller en goedkoper dan in de steden. In steden moeten vaak bedrijven worden verplaatst of infrastructuur omgelegd om woningbouw mogelijk te maken, voert het EIB aan, en zijn er omwonenden met bezwaren - wat al snel tot vertraging leidt.

Windmolens en zonnepanelen

“Het is niet of-of, hoor, het is in het groen én in de stad”, zegt Van Hoek. “Niet alles kan binnenstedelijk”. Dat is trouwens een standpunt dat het EIB al zeker vijf jaar inneemt.

En dat standpunt wordt ook al die tijd al betwist. Het Planbureau voor de Leefomgeving bracht al eens in kaart hoeveel ruimte de steden bieden als oude bedrijventerreinen voor woningbouw gebruikt gaan worden. En vorig jaar nog deed architectenbureau KAW onderzoek naar naoorlogse wijken: daar kunnen met het slim splitsen van woningen, met verbouwen en bijbouwen tussen de 500.000 en 800.000 huishoudens extra een huis krijgen.

De discussie hierover is nu opnieuw aangezwengeld door het EIB-rapport. Bijvoorbeeld over de kosten van nieuwbouw. Op Stadszaken.nl werd deze week verwezen naar Rijnenburg, een polder ten zuidwesten van Utrecht. Volgens het EIB kunnen daar 24.000 woningen verrijzen en bouwers staan te popelen om er aan de slag te gaan. Maar tot ergernis van de Tweede Kamer houdt de gemeente Utrecht vast aan haar plan om er windmolens en zonnepanelen neer te zetten - binnen de stad zijn volgens haar nog genoeg plekken om te bouwen.

Op het verkeerde been

De kosten spelen een rol in die afweging. Alleen al het aanleggen van wegen en inpassen van het openbaar vervoer zou volgens ramingen van het Rijk een miljard euro kosten, en dat wordt ook niet ontkend door het consortium van grondeigenaren dat zich inzet voor woningbouw in Rijnenburg. Daar komen dan nog eens de kosten van allerlei openbare voorzieningen bij, zoals scholen en parken. Dat soort kosten valt binnen de stad lager uit.

En zijn er sowieso wel één miljoen nieuwe woningen nodig? Sociaal geograaf Sjors de Vries, directeur van bureau voor stedelijke ontwikkeling Ruimtevolk houdt het op een aantal van 650.000 en stelt daarom op Twitter dat “er in de meeste regio’s grofweg wél genoeg plannen op de planken liggen”. De grootste uitdaging is om die plannen ook uitgevoerd te krijgen, voegt hij eraan toe. “Maar het EIB zet met zijn boodschap de politiek op het verkeerde been.”

Dat het het aanwijzen van nieuwe uit­leglocaties helpt om sneller te bouwen, noemt De Vries ‘lariekoek’: het kost gemiddeld twintig tot 25 jaar om zo’n locatie te ontwikkelen. En goedkoper? Niet per definitie, stelt hij, want denk ook eens aan de belasting voor het milieu en aan klimaat- en natuuropgaves. Maar de rekening daarvan ‘belandt deels op andere bordjes’.

Eerste paal in de grond

“Laten we nou niet doen alsof er niets gebeurt”, zegt Wouter Veldhuis, stedenbouwkundige en Rijksadviseur voor de fysieke leefomgeving. “Overal in Nederland, in heel veel steden, wordt keihard gewerkt. En de voorraad aan plannen is al groot.”

Het EIB zelf zet trouwens een bescheiden vraagteken bij het streefcijfer van één miljoen nieuwe woningen. Dat is waarschijnlijk ‘royaal’ meer dan nodig is, want in de statistieken waarmee het huidige woningtekort wordt vastgesteld, is enige overdrijving ingebouwd. Maar dat is alleen maar goed nieuws, redeneert het EIB: dat betekent dat er speelruimte is, niet dat de ambitie omlaag kan.

Dat laatste is verstandig, vindt Veldhuis: elke berekening levert weer andere getallen op, maar het is echt nodig om tempo te maken. Het aanwijzen van nieuwe uitleglocaties helpt daar niet bij, integendeel. “Elke keer als je een nieuwe locatie aanwijst, zorg je voor vertraging. Want nergens zal het lukken om vóór 2030 de eerste paal in de grond te krijgen.”

Weerstand veel te groot

Neem Waterland, voegt Veldhuis er ter illustratie aan toe - en hij laat er een lachje bij horen. “Daar gaat het in nog geen vijftig jaar lukken om iets te bouwen. Daarvoor is de weerstand veel te groot.” Hij wil maar zeggen: in de stad kan een bouwplan vertraging oplopen, in de groene gebieden is dat echt niet anders.

Beter is het daarom om geen nieuwe locaties aan te wijzen, maar de inzet op bestaande locaties te versterken. “Dan versnel je pas echt.”

Zoals in de Merwedekanaalzone in Utrecht, waar 10.000 woningen gebouwd worden. “Planologisch gezien is alles daar in kannen en kruiken. Nu is er vooral infrastructuur nodig om de boel op gang te brengen. Wie wil versnellen, moet dáárop inzetten.”

Het ‘meest zinnige deel van de discussie’ die het EIB nu opnieuw heeft aangejaagd, besluit Veldhuis, gaat over de vraag aan wat voor woningen er nu eigenlijk behoefte is: veel meer eengezinswoningen of toch ook appartementen in de steden? Er zijn inderdaad regio’s waar vooral eengezinswoningen gewild zijn, zegt Veldhuis. “Maar in de vier grote steden is dat anders. Dat zijn echte starterssteden, met veel studenten en mensen die aan hun eerste baan zijn begonnen, én met senioren die voor een leuke oude dag juist zijn teruggegaan naar de grote stad. In de regio Utrecht bijvoorbeeld zijn er ruimschoots genoeg eengezinswoningen. Het is een heel genuanceerd verhaal.”

Lees ook:

In de stad is nog plek zat voor nieuwe woningen

De woningnood is op te lossen door te bouwen in naoorlogse wijken, zegt architecten- en adviesbureau KAW. Ruimte genoeg en de stad vaart er wel bij.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden