Werkgelegenheid

Jarenlange groei van flexwerkers lijkt piek te hebben bereikt. ‘Er is een trend naar meer vaste banen’

Een ober maakt een stoel schoon op het terras langs de Oude Gracht. In de horeca werken veel mensen op flexibele basis. Beeld ANP, Robin van Lonkhuijsen
Een ober maakt een stoel schoon op het terras langs de Oude Gracht. In de horeca werken veel mensen op flexibele basis.Beeld ANP, Robin van Lonkhuijsen

De vaste baan wint voorzichtig weer wat terrein op de flexibele betrekking, becijfert het CBS. Al is er wel één maar: arbeidsmigranten blijven in de tabellen buiten beschouwing.

Het aantal flexwerkers – uitzendkrachten, oproepkrachten, mensen met een jaarcontract en zzp’ers – nam sinds het begin van deze eeuw jarenlang in rap tempo toe. In 2003, het eerste jaar uit de inventarisatie die het CBS dinsdag publiceert, had ongeveer 22,1 procent van de werkenden een flexibele baan. Dat percentage liep gaandeweg op tot 35 procent in 2017. 

De almaar stijgende grafiek lijkt de piek te hebben bereikt. De laatste twee jaar is zelfs sprake van een lichte daling: in 2019 verrichtte nog 33,8 procent van de werkenden tijdelijke arbeid. Maar is het een tijdelijk knikje in de grafiek of een definitief keerpunt? Peter Hein van Mulligen, hoofdeconoom bij het CBS, denkt dat er weleens sprake kan zijn van een structurele kentering. 

Toenemende vergrijzing

“De hoogconjunctuur van de afgelopen jaren speelt natuurlijk een rol. Daardoor was er krapte op de arbeidsmarkt: als het personeel voor werkgevers niet voor het oprapen ligt, zijn ze eerder bereid een vast contract aan te bieden.” Maar die krapte is er niet alleen vanwege een paar goede economische jaren, aldus Van Mulligen. “Er zit ook een structurele component aan: de toenemende vergrijzing.” 

Terwijl de grote generatie babyboomers stopt met werken, moeten de vacatures die zij achterlaten immers wel worden ingevuld. “Corona zorgt nu natuurlijk voor een economische crisis, waardoor er ook veel onzekerheid is over het behoud van banen. Maar ik sluit zeker niet uit dat daarna de trend naar meer vaste betrekkingen toch weer doorzet. Al zal de behoefte aan flexwerk ook altijd blijven.”

Zakaria Boufangacha, bestuurder bij vakbond FNV, ziet de dalende trend van de afgelopen jaren ook terug. “Mensen vonden voor de coronacrisis relatief makkelijk werk. We konden steeds beter afspraken maken met werkgevers over vaste banen.” Hij is echter een stuk minder optimistisch over de periode na de crisis. “Als straks de economie weer aantrekt, verwachten we een immense groei van flexwerk. Werkgevers hebben nog steeds alternatieven in de vorm van goedkope en flexibele contracten.”

Van alle groepen flexwerkers is de hoeveelheid oproepkrachten sinds 2003 het sterkst gegroeid, en bovendien het grootst. Het gemiddeld inkomen is er laag – nog geen 10.000 euro per jaar – en ook de baanzekerheid is beperkt. Maar dat komt mede doordat scholieren en studenten met bijbaantjes in supermarkt of horeca er doorgaans ook onder vallen. Zij zijn daarom over het algemeen helemaal niet zo ontevreden, aldus het CBS.

Anders is dat voor uitzendkrachten, die vaak in een veel kwetsbaarder positie zitten. Zij verdienen voor hetzelfde werk minder dan hun collega’s in loondienst, en het perspectief op een vaste baan is beperkt. Ook raken zij bij het beëindigen van het flexcontract vaker werkloos dan dat ze in dienst treden. 

Banen van arbeidsmigranten niet goed in beeld

Dat zijn dan weer allemaal constateringen die hoogstwaarschijnlijk ook gelden voor een groep die in het CBS-onderzoek buiten beschouwing blijft: arbeidsmigranten uit Centraal- en Oost-Europa. Omdat de CBS-cijfers zijn gebaseerd op de Nederlandse populatie aan werkenden, blijven de banen die zij invullen grotendeels buiten beschouwing. Alleen arbeidsmigranten die permanent in Nederland verblijven, tellen mee in de cijfers.

Die groep is lang niet zo goed in beeld als de Nederlandse werkende bevolking. Toch is een forse groei duidelijk uit andere CBS-cijfers af te leiden. Zo steeg het aantal werkenden uit Midden- en Oost-Europa zonder inschrijving in Nederland van 80.000 in 2010 tot 135.000 in 2017. Hoewel het om een forse en bovendien kwetsbare groep gaat, lijkt de invloed op het totaalplaatje van de Nederlandse arbeidsmarkt daarmee beperkt. “Maar het is lastig om deze cijfers uit verschillende databronnen met elkaar te vergelijken”, aldus Van Mulligen. Het CBS werkt nog aan onderzoek om beter zicht te krijgen op de cijfers over arbeidsmigranten.

Lees ook:
Roemer: zolang arbeidsmigranten uitgeknepen worden, kunnen ze niet integreren

Een keurmerk voor woningen voor arbeidsmigranten werkt niet. Toch adviseert Emile Roemer het uit te breiden. Maar dat is niet het enige.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden