Jan Tinbergen

Essay Economie

Het werk van econoom Jan Tinbergen is een halve eeuw na zijn Nobelprijs nog actueel

Jan Tinbergen

De vijftigste Nobelprijs voor de economie wordt op 10 december 2019 uitgereikt. De eerste winnaar van deze prijs en de jongste van het stel was de Nederlander Jan Tinbergen. Zijn gedachtengoed draaide om het verband tussen vrede, en welvaart en inkomensverdeling. Vijf lessen van Tinbergen die vijftig jaar na dato nog actueel zijn.

Les 1: Maatschappelijke problemen pak je met wetenschap aan

De huidige economische wetenschap staat nog wel eens in het beklaagdenbankje omdat ze te abstract zou zijn, of omdat ze zich nauwelijks iets heeft aangetrokken van de grote financiële crisis. Blijven steken in abstracties, dat deed Tinbergen zeker niet.

Een wetenschap kon de economie pas zijn als ze kwantitatief was geworden, vond hij, en zijn pionierswerk in de econometrie heeft daar sterk aan bijgedragen. Dat was de reden waarom hij, samen met zijn Noorse geestverwant Ragnar Frisch, in 1969 de allereerste Nobelprijs in de economie ontving.

Zijn fundamentele bijdragen over het bestuderen van de conjunctuurcyclus, het op en neer gaan van de economie, was direct gedreven door zijn drang iets te doen aan de Grote Depressie in de jaren dertig. Zijn grootste wetenschappelijke doorbraak, het eerste econometrische model van de Nederlandse economie, was zelfs een directe uitkomst van zijn bijdrage aan het Plan van de Arbeid, het actieplan van de ­sociaal-democraten om de crisis van de jaren dertig te bevechten.

De oorlogsjaren en de wederopbouw hielden Tinbergen in Nederland, maar zo snel de Nederlandse economie weer enigszins op de rails stond verschoof zijn blik. Een bezoek aan India in 1951 schokte hem diep, en deed hem beseffen dat de urgentie nu lag in het bestrijden van de wereldwijde armoede. Hij werd een van de pioniers van de ontwikkelingseconomie. Dat vakgebied richtte zich op de modernisering van ‘onderontwikkelde gebieden’, bijna altijd ex-kolonies. Bij de Verenigde Naties leidde Tinbergen van 1970-1979 de planning voor ‘Deve­lopment Decade II’ – een mondiaal plan voor ondersteuning van onderontwikkelde landen.

Na de noodkreet van de Club van Rome (1972) over de uitputting van natuurlijke hulpbronnen gooide hij wederom zijn onderzoeksagenda om; hij leidde het vervolgonderzoek dat in 1976 uitkwam. Daarin verbond Tinbergen de milieuproblematiek met de wereldwijde ongelijkheid. Het overmatige gebruik van hulpbronnen in het Westen was vooral een uitkomst van die ongelijkheid, en beide problemen vroegen om een mondiale aanpak.

Voor Tinbergen was wetenschap een manier om maatschappelijke problemen aan te pakken, daarom zouden die problemen leidend moeten zijn in onze onderzoeksagenda. De wetenschapper had een morele verplichting, vond hij, om het meest urgente probleem eerst aan te pakken.

Les 2: Van de verdeling komt (maar weinig) winst

‘Van de verdeling komt de winst’ staat in blinkende letters te lezen op de campus van de Erasmus Universiteit. Bij haar voorloper, de Nederlandse Economische Hogeschool, was Tinbergen zijn werkende leven lang hoogleraar, en de uitspraak is van hem. Maar vreemd genoeg is die stellingname over verdeling moeilijk terug te vinden in zijn werk. De uitzondering is de titel van een prijswinnend essay uit 1930. Dat essay, geschreven voor het gewichtige Legatum Stolpianum in Leiden, is verloren gegaan, dus de precieze betekenis van Tinbergens beroemde uitspraak is dat ook. Maar wat opvalt is dat zijn latere werk de gedachte vooral tegenspreekt.

Herverdeling van inkomen is hoogstens een pleister op de wonden voor hem. Om ongelijkheid echt aan te pakken moeten we de kwaliteit van arbeid verbeteren. Onderwijs dus! Dat is de centrale boodschap van Tinbergens werk over een rechtvaardige inkomensverdeling . De rechtvaardigheid zat hem niet direct in de verhouding tussen arm en rijk, maar in een eerlijke beloning voor iemands kwaliteiten.

In de ontwikkelingseconomie gold hetzelfde; hulp vanuit het Westen was noodzakelijk op korte termijn, maar op lange termijn kon alleen een open wereldeconomie helpen. Daarin zou internationale arbeidsdeling tot stand kunnen komen. Op deze manier zouden de onderontwikkelde landen zelf hun productieve kracht kunnen inzetten en daarvan profiteren. Hij was zich maar al te bewust dat dit ook zou leiden tot het sluiten van bijvoorbeeld de textielindustrie en de mijnbouw in Nederland. Als er van verdeling winst komt, dan is dat door de arbeids(ver)deling.

Wanneer er weer eens over compensatiemaatregelen wordt gesproken of over hogere belastingen voor de rijken, moeten we volgende keer maar eens aan Tinbergen denken. Alleen door achtergestelde groepen in staat te stellen hun eigen inkomen te verhogen doen we echt iets aan het probleem.

Erwin Dekker

Les 3: Wetenschap is een weg naar consensus

Tinbergens econometrie was bepaald niet onomstreden. De frontale aanval daarop van de Britse politiek econoom John Maynard Keynes is berucht. Deze vergeleek de modellen van Tinbergen met zwarte magie en alchemie. Ondanks aanmoedigingen van zijn vrienden was Tinbergens respons ingetogen en gematigd, maar bovenal was het een uitnodiging aan zijn opponent: als u mijn modellen te simplistisch of onrealistisch vindt, dan is het misschien een goed idee om zelf met een betere versie te komen. Tinbergen biedt nog net niet zijn hulp aan. Het tekent zijn visie op wetenschap: men moet altijd streven naar een nobelere manier om een conflict weer te geven.

Dit was een les die hij meekreeg van zijn mentor Paul Ehrenfest, een briljant natuurkundige. Tinbergen probeerde die altijd toe te passen, bij een wetenschappelijk conflict zocht hij naar een synthese. Grote ideologische verschillen tussen de communisten en de kapitalisten probeerde hij terug te brengen tot een verschil van inzicht over de optimale beslisstructuur in de economie. De communisten geloofden meer in centralisatie, de kapitalisten meer in decentralisatie. Maar beiden moesten toegeven dat hun eigen systeem niet absoluut was en er dus uiteindelijk enkel een gradueel verschil was tussen beide systemen.

Het was deze aanpak die Tinbergen ook van pas kwam als beleidsmaker. Zelden ontspoorde onder zijn leiding een conflict, altijd probeerde hij partijen dichter bij elkaar te brengen. Het creëren van neutrale grond, die van de wetenschap, was daarin centraal. Dit geloof is tot op de dag terug te vinden bij het CPB, waar Tinbergen eerste directeur was.

Politiek kan wat dat betreft beter gaan over koopkrachtplaatjes dan over ideologie. In een consensusland, wars van ideologie als het onze, is die boodschap blijven hangen. ‘Pragmatische’ leiders als Rutte zijn er een soort verpersoonlijking van. Maar diezelfde koopkrachtplaatjes, met hun focus op marginale verschillen op korte termijn, staan haaks op Tinbergens eigen werk. Dat was gericht op grote veranderingen; constant bepleitte hij vooral te denken aan de verre toekomst. Jan Tinbergen had ongetwijfeld meegelopen in een klimaatmars.

Les 4: De economie is instabiel, orden haar

De kritiek van Keynes op Tinbergen luidde dat diens modellen te weinig rekening hielden met de veranderlijkheid en onzekerheid in de wereld. Die kritiek nam Tinbergen zeer ter harte. Hij ging zich steeds meer afvragen in hoeverre de economie stabiel was. De theorie van de conjunctuurcyclus stelde dat de economie op- en neergang kende, maar uiteindelijk schommelde rond een evenwicht. Maar wat als dat niet het geval was, als herstel niet gegarandeerd is? Dan moest de economie stabiel gemaakt worden.

Bekend is het Keynesiaanse begrotings­beleid, dat vooral de cyclus zelf probeert af te zwakken: overheidsuitgaven remmen bij mooi economisch weer, stimuleren bij slecht weer.

Tinbergen dacht dat er meer nodig was om stabiliteit te garanderen. Daarvoor moest er een stabiel raamwerk komen, bestaande uit sturende instituties: een genationaliseerde centrale bank voor toezicht op de financiële sector, een planbureau voor doelgericht beleid, en een sociaal-economische raad om draagvlak te creëren en conflict te voorkomen.

Dat stabiele raamwerk was ook internationaal hard nodig. Want voor een kleine open economie als Nederland kwam de grootste bedreiging voor de stabiliteit uiteindelijk van buiten. Dat inzicht werd versterkt door zijn werk bij de Volkenbond in de late jaren dertig. Hijzelf en zijn leerlingen zetten dat na de oorlog voort, bijvoorbeeld Jacques Polak en Johannes Witteveen bij het IMF of Jan Pronk bij de VN. Open handelsgrenzen waren daarbij een belangrijke randvoorwaarde, zoals Tinbergen betoogde in een prominent rapport over vrijhandel voor de GATT, de voorloper van de Wereldhandelsorganisatie. De crisis van de jaren dertig was in zijn ogen verdiept door de daarop volgende handelsoorlog.

Tinbergen, bekend als econoom maar begonnen als gepromoveerd natuurkundige, keek vaak met de blik van een ingenieur. Als een dijk niet stevig genoeg is dan moet hij verstevigd worden. Als de economie van nature niet stabiel is, stabiliseer haar dan. Dat diende internationaal te gebeuren. De huidige afbraak van de internationale orde en het falen van de Verenigde Naties zouden Tinbergen een doorn in het oog zijn geweest. Nationalisme was daarom voor hem een van de grote obstakels voor een stabiele wereldorde.

Erwin Dekker (1984) is onderzoeker aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Volgend jaar verschijnt zijn biografie van Jan Tinbergen (1903-1994). Zie www.tinbergentoday.nl.

Les 5: Economie moet richtinggevend zijn

Een van de allerlaatste manuscripten in het archief van Tinbergen gaat over de optimale sociale orde. Deze optimale orde omvat niet alleen de nationale economie, maar ook de internationale economische verhoudingen, de mate van ongelijkheid, zowel nationaal als internationaal. Het omvat de samenhang tussen vrede, veiligheid en economische voorspoed, alsook het milieu. Voor een econoom als Tinbergen die bekendstaat als modelbouwer en die meten hoog in het vaandel heeft staan, lijkt het een enorme paradox. Wat moet een econoom met al die niet-economische factoren (milieu en veiligheid), die bovendien vooral kwalitatief van aard zijn (vrede en internationale verhoudingen)?

Het kenmerkt Tinbergen, die wetenschap allengs steeds meer zag als een manier om richting te geven aan onze samenleving. Daarvoor was vooral een brede, geïntegreerde blik nodig. Eerst in ‘Een Leefbare Aarde’ (1970) en nog sterker in zijn laatste boek ‘Kunnen wij de Aarde Beheren?’ (1987), met een stevig christelijke ondertoon, werd dat overduidelijk.

Meten is uiteindelijk een manier van boekhouden, van omkijken en de balans opmaken. Vooruitzien en vooral plannen van de toekomst vergt meer. Modellen kunnen ons helpen om te zien wat de toekomst gaat brengen, maar het uiteindelijke doel is om zelf de gewenste richting te bepalen. Daarvoor is een visie nodig. Tinbergen zag het als de verantwoordelijkheid van de grote wetenschappers om zo’n visie te ontwikkelen. In Tinbergens eigen visie stond vrede centraal. Dit kon op sociaal vlak gerealiseerd worden door (inkomens)verschillen terug te brengen.

Ook de vrede tussen landen had zijn aandacht. Hij bepleitte ‘convergentie’ van communisme en kapitalisme. Wederzijdse erkenning zou de tegenpolen naar elkaar toe doen groeien. Voor hem was de ineenstorting van het communisme dan ook een grote schok, zijn hoop op vreedzame toenadering vervloog. Maar enkele jaren na de val van de Muur zocht de Russische leider Gorbatsjov Tinbergen thuis op om hem te bedanken voor de steun die zijn convergentietheorie had betekend voor de perestrojka, Gorbatsjovs hervormingsprogramma.

Dat sindsdien ook in het Westen de staat zich steeds terughoudender opstelt in de economie was misschien wel een grotere teleurstelling voor Tinbergen geweest.

Hij was juist voorstander van een wereld­regering, ook voor het milieu. Dat noopte niet alleen tot respect van natuurlijke grenzen, maar vroeg ook om internationaal bestuur. De Europese Economische Gemeenschap (voorloper van de EU) en de Navo zag hij daarvoor aanvankelijk als hinderpalen: ze zouden vooral de tegenstelling tussen het Westen en de rest versterken. Later begon hij te accepteren dat regionale integratie beter was dan helemaal geen integratie, maar hij bleef hopen op veel sterkere Verenigde Naties.

Vrede was uiteindelijk een proces van internationale integratie voor Tinbergen. Hij woonde bijna zijn hele leven in Den Haag; toen hij 10 was werd er het Vredespaleis geopend. Die vredesidealen bleef Jan Tinbergen, de dienstweigeraar, zijn leven lang trouw.

Het was dan ook zeker niet alleen een grap toen zijn beste vrienden hem als felicitatie met zijn Nobelprijs in de economie schreven: en nu nog die voor de vrede.

Lees ook:

Opinie: Nobelprijs voor onderzoek van armoedebestrijding is terecht

Tinbergen ontving vijftig jaar geleden  de eerste Nobelprijs economie. De vijftigste wordt in december uitgereikt, aan onderzoekers van armoedebestrijding in de geest van Tinbergen. Hun uitverkiezing viel niet overal goed. Anderen vallen het Nobelprijscomité bij: de prijs is terecht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden