FNV-Pensioenstemming

D-Day voor de ouwe dag: komt er nu écht een einde aan tien jaar pensioengepolder?

Beeld Studio Vonq

Zaterdag stemt vakbond FNV over een historische wending in het pensioenstelsel. Voor welke problemen zou dat nieuwe stelsel precies een oplossing zijn?

 Daar zitten ze dan zaterdagmiddag, niet in hun vertrouwde zaal bovenin het glazen vakbondsgebouw van de FNV in Utrecht, maar vanwege de anderhalvemeter afstand in een ruime hotelzaal in Bunnik. Ze hebben documenten doorgenomen, veelvuldig overleg gepleegd, aanvankelijk om extra tijd gevraagd. En nu moeten de 105 parlementariërs van het FNV-ledenparlement een historische beslissing nemen.

Echt een historische? Voor polderbegrippen toch wel. Het hoogste beslissingsorgaan van de vakbond stemt over de uitwerking van het pensioenakkoord. Vorige zomer sloot het vakbondsbestuur dat op hoofdlijnen met andere bonden, werkgevers en het kabinet. Nu moet de achterban van de grootste vakbond van Nederland nog akkoord gaan met alle afspraken. Zegt die ja, dan kan Nederland afscheid nemen van een pensioenstelsel dat sinds de jaren vijftig niet veel is veranderd. 

Dat huidige stelsel kent heel wat kwalen, waar de nieuwe afspraken een oplossing voor zullen bieden. Een breed aanslaand medicijn tegen verschillende soorten pijn, dat in grote lijnen al heel lang op tafel lag, maar waar lange tijd maar geen overeenstemming over kwam. Daar ging tien jaar van praten en onderhandelen overheen, tot drie weken geleden nog.

De voorgestelde veranderingen zijn dan ook ingrijpend, veel fundamenteler had pensioensparen niet op de schop kunnen gaan. En als de sociale partners iets weten, is het dit: aan het pensioen van Nederlanders moet je niet zomaar gaan morrelen. Dat maken die Nederlanders geregeld duidelijk tijdens stakingen en emotionele vakbondsbijeenkomsten.

Wat behelzen die voorgenomen historische veranderingen nou eigenlijk? Voor welke kwalen is dit precies een beoogd medicijn? En wat was telkens de moeilijkheid, de reden om dat maar niet te slikken? Drie hoofdonderwerpen op een rijtje.

De eerste kwaal: Altijd maar die dreigende kortingen

Dit is niet meer uit te leggen, verzuchten bestuursvoorzitters van de grote fondsen regelmatig. Het ging de laatste jaren, althans vóór corona, geweldig met de economie. Maar de pensioenuitkeringen mochten vaak niet omhoog. Niet eens om op zijn minst de stijgende consumentenprijzen bij te houden. Sterker, gepensioneerden kregen constant te horen dat er hoogstwaarschijnlijk gekort zou worden.

Het probleem zit hem in het beloven van een bepaalde uitkering. De fondsen doen in de huidige pensioenregeling een toezegging over hoeveel geld iemand vanaf zijn pensioengerechtigde leeftijd gaat ontvangen. En als je iets toezegt, moet je dat ook waar kunnen maken. Daarom mogen fondsen er in het huidige systeem niet zonder meer van uitgaan dat ze mooie beleggingsrendementen blijven maken in de toekomst, om de uitkeringen voor de huidige gepensioneerden daarop vervolgens alvast te verhogen. Dat beleggen kan namelijk ook een keer verkeerd gaan. En dan hebben de gepensioneerden geld ontvangen uit een fictieve pot met beleggingsresultaten, die nooit is waargemaakt.

Het medicijn: Loslaten van zekerheden om zo minder geld te hoeven oppotten

De oplossing is, van een afstandje bezien, niet heel ingewikkeld. In het nieuwe stelsel wordt er gewoon niets meer beloofd. De toezegging over een zekere pensioenuitkering verandert in een verwachting daarvan. Op die manier mogen fondsen nu al wél iets uitdelen van de rendementen die ze officieel nog niet hebben gemaakt. Hoeveel? Dat kunnen de fondsen straks zelf bepalen, al groeien de bomen natuurlijk niet tot aan de hemel. Er zijn regels voor opgesteld: het zogeheten ‘projectierendement’ (de projectie voor de toekomst) waarop een fonds mag rekenen bij het uitkeren, is begrensd. Toezichthouder De Nederlandsche Bank blijft erop toezien dat fondsen niet onverantwoord veel gaan uitkeren.

Door het loslaten van toezeggingen hoeven fondsen in elk geval niet meer te berekenen hoeveel geld ze nu in kas moeten hebben om later aan al hun verplichtingen te kunnen voldoen. Ze hebben namelijk geen verplichtingen meer. Eindelijk kunnen ze dus in de prullenbak, termen als ‘dekkingsgraad’ (een maandelijks terugkerend getal om uit te drukken of er genoeg vermogen in huis was) en rekenrente (waarmee berekend werd hoeveel een pensioenuitkering in de toekomst vandaag de dag zou moeten kosten). Niemand zal ze missen.

Bijwerking: De angst voor een ‘casino-pensioen’, een te onzekere uitkering

Nou is het denken in verwachtingen in plaats van beloften niet nieuw. Eerder waren met name vakbondsmensen tegen dit ‘casinopensioen’, zoals zij dit noemden. Want wie zit er te wachten op een uitkering die telkens helemaal anders kan zijn, afhankelijk van de stand van de financiële markten? Vakbondsbesturen, ook die van de FNV, zijn nu wel overstag. Dat komt door geruststellende afspraken.

Zo mogen mee- en tegenvallers op de beurs over meerdere jaren worden uitgesmeerd. Mocht het een keer mis gaan op de beurs, dan vereffen je dat met de goede jaren. Daarnaast kunnen de vakbonden ook niet om een harde economische realiteit heen, die van een verder gedaalde rekenrente. Aan de hand van die rente moesten fondsen berekenen hoeveel geld ze nodig hadden om al hun beloften waar te maken, waarbij geldt: hoe lager de rente, hoe meer vermogen je nu moet oppotten. Door de huidige extreem lage stand ervan is het bijna onmogelijk duur om tot in de verre toekomst geld te beloven aan mensen. Dat werken met toezeggingen is niet meer te doen, en dat zien de vakbonden ook.

Beeld Studio Vonq

De tweede kwaal: Botsing tussen jong en oud

Zo vaak als de dreiging van korten op pensioen op tafel kwam, zo vaak kwam ook de vraag op of dat probleem niet doorgeschoven kon worden naar een volgende generatie. Politiek Den Haag bleek vaak gevoelig voor die maatschappelijke druk, en ook afgelopen najaar versoepelde minister Koolmees van sociale zaken de regels voor 2020 zodat de pijn even niet genomen hoefde te worden. Dat stak jongeren dan weer. Als er niet genoeg geld is voor alle uitkeringen van de huidige gepensioneerden, maar die krijgen die uitkeringen alsnóg, dan blijft er minder over voor toekomstige generaties. Dat is het nadeel van één grote pensioenpot per fonds waar alle leeftijdsgroepen samen in zitten. Verzetjes voor de ene leeftijdsgroep gaan altijd af van de oudedagsvoorziening van andere generaties.

Het medicijn: Ieder zijn eigen pensioentje

Aan dat één-grote-pot-gedoe komt daarom een einde. Straks hebben werknemers hun eigen aandeel, zeg maar hun eigen pensioenpotje. Dat potje vult de werknemer samen met zijn baas door elke maand premie in te leggen. Daarbovenop komen dan nog de beleggingsrendementen die het fonds behaalt met die premies. Door zijn eigen potje leeg te lepelen betaalt de werknemer zich vanaf het moment van pensioneren als het ware zelf uit.

De beleggingswinst of -verliezen dalen daarbij ‘evenwichtig’ neer bij de verschillende leeftijdscategorieën, zoals dat heet in polderjargon. Jongeren krijgen veel van de winst bijgestort, maar verliezen komen ook harder bij hen aan. Dat kan prima, want zij hebben ook veel langer de tijd om eventuele grote verliezen op te vangen. Naarmate de werknemer ouder wordt, krijgt hij steeds minder van de totale winst in zijn potje, maar ook steeds minder van de financiële missers. Zo zal de verwachte uitkering een steeds stabieler getal worden. De verwachting van wat er voor de werknemer gereserveerd is, staat steeds in een brief van het fonds gepresenteerd.

Bijwerkingen: Solidariteit?

Traditioneel krijgen veel vakbondsleden rode vlekken in de nek bij de woorden ‘persoonlijk pensioenpotje’, en officieel mag het dan ook niet zo heten in de gepresenteerde plannen. Critici vrezen dat persoonlijke vermogens een eind maken aan de solidariteit tussen generaties. Misschien krijgt één bepaalde leeftijdscategorie toevallig wel een gigantische financiële crisis op zijn bord, waardoor zijn persoonlijke kapitaal aan diggelen gaat. Terwijl een andere generatie zo’n beurskrach gespaard blijft. Dan krijg je pech- en geluksgeneraties, was lang de angst. 

Daar is nu een oplossing voor: de solidariteitsreserve. Een extra pot geld, maximaal 15 procent van het totale fondsvermogen, die gevuld gaat worden uit een klein deel van de premies en behaalde rendementen. Dat reservepotje dient straks ter verzachting voor wanneer een bepaalde groep onevenredig hard geraakt wordt. Fondsen hebben vrijheid om de regels voor het uitdelen en vullen van de solidariteitsreserve zelf vast te stellen, al moeten ze dat wel van te voren doen, en niet tijdens een beurskrach zelf.

Ook belangrijk, qua solidariteit: de fondsen blijven al die individuele aandeeltjes wel als één pot beleggen. Dat geeft schaalvoordelen. Je mag er daarom betere resultaten van verwachten dan het apart investeren van al die kleine potjes. Tot slot blijven alle deelnemers ook nog het zogeheten langleven-risico delen. De uitkering loopt totdat je overlijdt, ook al leef je ‘per ongeluk’ langer dan gemiddeld. Dat kan doordat er ook altijd mensen eerder overlijden dan gemiddeld, waardoor hun pensioengeld dan naar de langlevenden gaat. Ook best solidair.

De derde kwaal: Pensioenregeling sluit niet meer aan op arbeidsmarkt

Eigentijds kun je het huidige pensioenstelsel niet noemen. Het is gebaseerd op een arbeidsmarkt waarin mensen hun hele leven bij dezelfde baas blijven werken, en wie doet dat nog? Anders dan in de jaren vijftig van de vorige eeuw zeggen veel werknemers die baas vaarwel en beginnen als zelfstandige. Of ze gaan in een andere bedrijfstak werken, laten zich omscholen van ICT’er naar basisschooldocent, of omgekeerd. Daar is het oude pensioensparen helemaal niet op berekend.

Van oudsher sparen jonge mensen namelijk voor de oudere deelnemers in dat fonds. Dat komt doordat de ingelegde premie van een jongere meer waard is dan die van een oudere – die van een jonge werknemer rendeert veel langer en draagt daardoor meer bij aan het totale fondsvermogen. Omdat een jongere alsnog slechts evenveel pensioen opbouwt per ingelegde euro, stroomt er rendement naar de oudere generatie. Dat kun je zien als subsidie van jong naar oud.

Op zich geen probleem, want later zijn ze zelf wat ouder, en schuift er op hun beurt weer vermogen hun kant op van de mensen die tegen die tijd jong zijn. Behalve dus als je op je veertigste zelfstandige wordt, of via een nieuwe baan in een ander fonds terecht komt. Dan heb je je hele werkende leven oudere deelnemers gesubsidieerd, en krijg je daar niets voor terug.

Het medicijn: Ophouden met die subsidie van jong naar oud

Afschaffen dus, die zogeheten doorsneesystematiek. Straks betaalt jong en oud evenveel premie, maar krijgen jongeren daar méér pensioenopbouw voor terug. En subsidiëren zij die oudere deelnemer dus niet meer.

Bijwerking: Dan is er wel compensatie nodig

Maar voor degenen die halverwege hun carrière zijn, de veertigers, levert dat eenmalig een probleem op. Zij hebben altijd te weinig pensioen opgebouwd voor de premie die ze inlegden, en nét als zij gaan profiteren van de jongere werknemers, wordt die doorsneesystematiek afgeschaft. Die moeten gecompenseerd worden. Bij de grote bedrijfstakpensioenfondsen, zoals die voor ambtenaren of die voor zorgpersoneel, lijkt er wel wat te regelen door met hun vermogens te schuiven. Of doordat het overstappen op de nieuwe rekenregels gunstig uitpakt: het rekenen met een hoger projectierendement, in plaats van een risicovrij rendement.

Maar een deel van werkend Nederland, pakweg zo’n 10 procent, zit bij een zogeheten premieregeling waar helemaal geen collectief vermogen is om mee te schuiven. De oplossing voor dit compensatieprobleem blijkt het hardnekkigst op te lossen. Minister Koolmees kwam met de vakbonden en werkgevers overeen dat deze werknemers dan maar gewoon in hun oude regeling moeten blijven, en dat alleen nieuwe werknemers in het nieuwe systeem terechtkomen.

Daar zijn de verzekeraars, die deze pensioenovereenkomsten aanbieden, dan weer niet blij mee. Onwerkbaar, een nieuw en oud pensioencontract naast elkaar laten bestaan, zeggen zij. Ook vakbond VCP, die twee weken geleden al vergaderde over goedkeuring voor het nieuwe stelsel, zegt vanwege het compensatieprobleem nog geen ja tegen de uitwerking van het nieuwe contract. Zij vreest voor de werknemers die overstappen van baan, en hun privileges dan mogelijk alsnog verliezen. VCP heeft een eigen plan om die compensatie deugdelijk te regelen, en wil dat de Tweede Kamer zich daar binnenkort nog over buigt. Dit is ook een van de spannendste onderwerpen waar de FNV zich zaterdag over buigt, in het Bunnikse hotel.

Lees ook:

Na tien jaar is er een akkoord: er komt een nieuw pensioenstelsel

Na tien jaar hebben kabinet, vakbonden en werkgevers een pensioenakkoord bereikt. Het nieuwe stelsel gaat uiterlijk 2026 in. De meeste pensioenen gaan volgend jaar niet omlaag.

Hoe groot is de kans dat vakbondsleden en werkgevers het nieuwe pensioenstelsel van tafel vegen?

Komende week gaan de afspraken over het nieuwe pensioenstelsel langs de achterban van de sociale partners. Zal dat nog problemen opleveren? 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden