InterviewHistorica Lenneke Berkhout

Ze wáren iemand, die hoveniers van de Oranjes: bequaem en van beproefde deugd

‘Het Huis ten Bosch in Den Haag’ van Jan van der Heyden (1668-1670).Beeld The Metropolitan Museum of Art, New York

In de zeventiende en achttiende eeuw waren de tuinen van de welgestelden pronkstukken. Over wie ze onderhield, is veel te vertellen, blijkt uit het werk van historica Lenneke Berkhout.

‘Considerend dat om de thuynen, hoven en plantagien in goeden stant en beter ordre te brengen en ’t onderhouden wel nodig een nut, bequaem en geexperimenteert persoon als directeur en opsigter van d’selve, diende te worden aangestelt.’

Nee. Het waren niet zomaar ‘vuile, bedrieglijke, domme onverlaten’ die in de zeventiende en achttiende eeuw in de tuinen van de Oranjes tuinman konden worden, net zo min als vrouwen. Onbekwaam als ze heetten te zijn, was wiedster worden voor hen, op een enkele uitzondering na, het hoogst haal­bare.

Wie onderhield de tuinen van de Oranjes, van edelen en van puissant rijke anderen eigenlijk? Wie deden het echte werk? Alle roem en aandacht gingen en gaan nog steeds naar de architecten en eigenaren van historische tuinen, terwijl hoveniers volgens historica Lenneke Berkhout minstens evenveel eer toekomt. “Zíj waren het immers die plantten, snoeiden, maaiden, wiedden en koninklijke en rijke lieden van voedsel voorzagen; die de ‘lusthoven en plantagien bij pragtige en gemeene land­huizen in goede staat hielden’.”

Berkhout promoveerde aan de Universiteit van Groningen op de hoveniers van de Oranjes in de periode van 1621 tot 1732. Het onderzoek, nu ook gepubliceerd, betrof uitsluitend de Oranje-tuinmannen, maar gaat net zo goed over de hoveniers van andere welgestelden. “De ­hoveniers van de Oranjes zijn goed gedocumenteerd door de Nassause Domeinraad, die verantwoordelijk was voor het beheer van de goederen van het Huis van Oranje.”

Een negenjarige zoon als tuinman

Voor de periode die het onderzoek beslaat, is ook een goede verklaring. Juist die tijd was er een van grote horticulturele ­ontwikkelingen. “De broeikunst kwam op, parterres – patronen van buxus - raakten in zwang, oranjeboompjes deden hun entree net als veel planten uit de overzeese gebieden. Dat alles vergde vakbekwaamheid.”

Het beroep van hovenier was eeuwenlang, net als dat van schoenmaker, smid en boer, een kwestie van erfopvolging. Geschiktheid deed er minder toe. Dat leidde ook bij de Oranjes soms tot merkwaardige situaties. Zo werd op de Tuinen van Buren Anthony, de negenjarige zoon van Simon van Langelaer, tot tuinman benoemd. Overigens stond in zijn contract dat een knecht de leiding kreeg tot de jongen meerderjarig was. Willem III, stadhouder van Oranje, schafte de erfopvolging af. Vakmanschap stond vanaf toen voorop, ook al omdat ­Willem III de tuinen van zijn rivaal, de Franse koning Lodewijk XIV, wilde overtroeven.

Getrouwde tuinmannen

Het belang van vakmanschap valt ook af te lezen aan het tuintraktaat van de invloed­rijke Leidse lakenhandelaar en tuinkenner Pieter de la Court. Hoveniers dienden ‘van beproefde eerlijkheid, deugd en bequaemheid’ te zijn. Niet alleen het vakmanschap telde mee. Getrouwde tuinmannen genoten volgens De la Court de voorkeur. Zij waren ‘meerder ’t huis en van bezadigder leven’, mits althans hun vrouw ‘deugdelijk, gezond, oplettend en schikkelyk’ was.

“Over de tuinvrouwen werd sowieso ­weinig vleiends opgemerkt. Ze zouden lui zijn en tot weinig meer bereid dan het naar de keuken brengen van de keukenvruchten. En áls de vrouw al gedienstig was, was dat een teken dat haar man onbekwaam was of andere tekortkomingen had. Het was nooit goed”, merkt Berkhout glimlachend op.

In de tuinen van Soestdijk waren veel broeibakken te vinden waarin meloenen, komkommers en andere groenten werden geteeld.

Terug naar de horticulturele ontwikkelingen in de zeventiende en achttiende eeuw. Volgens de historica gingen door deze ontwikkelingen de eisen aan de vakbekwaamheid van de tuinmannen omhoog.

Neem de mode van parterres. “Architecten bedachten ingewikkelde patronen van buxushagen en de hovenier moest het maar zien te klaren. Het valt niet mee om met stokken en touwen het juiste patroon uit te zetten. Vandaar ook dat het beheersen van de ‘arithmetick’ of ‘geometry’ – rekenkunde of meetkunde – tot aanbeveling ­diende.”

Paardemest

Ook de broeikunst, kostbaar en daarom een statussymbool, was geliefd bij de Oranjes en andere tuinbezitters en vergde de nodige tuinmanskwaliteiten. Voor dit broeien werd een kuil gegraven, waarin een laag paardemest kwam met daarop aarde. De grond werd daardoor warm en daarmee geschikt voor bijvoorbeeld meloenen, in die tijd nog hoogst exclusief. De broei maakte het ook mogelijk om gewassen als courgettes en aardbeien vroeger te laten bloeien. 

“Dat plus de kostbaarheid van de ruiten waarmee de broeibakken vaak werden af­gedekt, maakte de broei iets om mee te pronken, om de anderen de ogen mee uit te steken. Voor welgestelden en ja, ook de Oranjes nogal belangrijk.” Dat pronken  gebeurde ook met de hovenier, want die moest wel zeer bekwaam zijn. Berkhout: “Hij moest immers met de hand de tem­peratuur exact kunnen bepalen. Thermo­meters waren er in die tijd nog niet.”

Vrouwen die kool oogsten.

Eind zeventiende eeuw deden oranjeboompjes (citrusbomen) en uitheemse ­gewassen dankzij de VOC hun entree. Exo­tische gewassen waarvan de hoveniers nog nooit hadden gehoord en waarvan ze in het begin zeker niet wisten hoe ze die moesten behandelen. Om hen bij te scholen, werden de hoveniers van botanische tuinen ingeroepen.

Willem III haalde zelfs een hovenier uit Engeland. Ralph Mose paste op de ‘graswercken’ van Het Loo en leerde de andere hoveniers ‘maeyen, rollen, vegen ende oock somtyts begieten’ van de gazons. Niet alleen de graswerken vergden speciale vaardigheden. Een ‘fonteinier’ voorkwam dat de fonteinen verstopt raakten en dekte ze ’s winters af met mest en bladeren, de ‘faisantier’ zorgde voor de vogels die voor de sier maar zeker ook voor de keuken werden gehouden.

Een eigen tuinmanswoning

Hoveniers waren heer en meester. Zij overlegden met de prinses en bepaalden met de teeltkeuze wat er aan het hof werd gegeten, vertelt Berkhout. Niet dat ze daarin helemaal vrij waren. In hun traktaat stond uitvoerig beschreven welke gewassen in elk geval dienden te worden geteeld. Dat was een lange lijst. Van ‘esperges, suyker­peen en starkers tot roomse boonen soo vroeg en soo laet als ’t mogelyck en van salsifie (haverwortel) tot blom en alderhande groene bladen om de schotelen mede te versieren’. 

Ze wáren iemand, die hoveniers van de Oranjes. “Ze droegen livreien, rode want die vielen goed op in het groen. En handig, omdat ze ook gasten moesten rondleiden. Het waren echte tuinmanagers die zowel de wiedster als de knechten strak hielden.”

Belangrijke taken, maar de beloning was ernaar, blijkt uit Berkhouts onderzoek. Een gewone hovenier verdiende niet meer dan 250 gulden; de tuinmannen in dienst van de Oranjes mochten al gauw zo’n 400 tot 500 gulden opstrijken en hadden bovendien de nodige emolumenten. Zo hadden ze een eigen tuinmanswoning, inclusief ‘vrije brand’ oftewel turf om te stoken en vrijstelling van lokale belastingen. “Ze moesten wel de knechten onderdak bieden, maar ach, een plek op de koude, klamme en tochtige zolder was gauw gevonden.”

Het waren, ‘net echte mensen’, die hoveniers. Ze gaven de tuinen – vaak toch erg formeel en daarmee emotioneel ontoegankelijk – een menselijk gezicht. ‘Deugdelyk en bequam om alles ’t geen in den boomgaerd, moes- en bloemhof te doen is, moet verrigten.’

Lenneke Berkhout: Hoveniers van Oranje. Functie, werk en positie 1621-1732. Uitgeverij Verloren, 471 blz.; €39,00.

Wie bemestte de rozen in de uitgestrekte kasteeltuinen?

Van de bewoners van buitenplaatsen weten we dat ze door hun tuinen kuierden. Maar wie onderhield die lustoorden eigenlijk?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden