Wieken tot in de wolken

Windmolens reiken boven het wateroppervlakte van de Noordzee, 23 kilometer uit de kust. Beeld anp

Windmolens op land tot wel 300 meter - bijna drie Domtorens op elkaar - dat is de toekomst, aldus kenniscentrum ECN. De wind is er misschien niet harder, maar wel constanter.

Ze staan er her en der nog, maar je zou ze soms bijna over het hoofd zien. De eerste generatie windmolentjes die in de jaren tachtig verrezen. Tweewiekers meestal, bij boeren. Niet veel hoger dan de gebouwen in de omgeving, een meter of dertig. Destijds heel wat, maar hun vermogen was met nog geen 0,5 megawatt (MW) bepaald niet om van je stoel te vallen.

Dat is tegenwoordig wel even anders. Turbines bij nieuwe projecten zijn al snel 100 tot 200 meter hoog. Hun vermogen telt 3 MW, of zelfs al meer. Vuistregel: 3 MW is voldoende voor 2000 huishoudens. Je kunt ze van grote afstand zien. Laagbouw naast zo'n elektriciteitspaal komt er al snel uit te zien als Madurodam-spul, zoals het vissersdorp Urk naast het nieuwe windpark Noordoostpolder. De molens daar zijn bijna 200 meter hoog, tot het topje van de wiek. Molens van diezelfde hoogte verschijnen mogelijk in de Drentse Veenkoloniën, tot frustratie en woede van sommige omwonenden: zie de reeks artikelen, momenteel in Trouw, over de emoties die daar hoog oplopen.

Kwestie van smaak
En dan donderdag Energie Centrum Nederland (ECN): het kenniscentrum denkt dat er in 2030 windmolens geplaatst worden die 300 meter 'tiphoogte' hebben. Het moet wel, zegt woordvoerder Marijn van der Pas van de Nederlandse Windenergie Associatie (NWEA). "Het is nu een maal een meteorologisch feit dat het op grotere hoger harder en vooral ook constanter waait", stelt hij.

De NWEA publiceerde deze week een visie voor het jaar 2030 met ook daarin een pleidooi voor hogere molens. Van der Pas bevestigt dat er ook op andere manier gewerkt kan worden aan verbeterde rendementen. Door onderdelen en mechanismen soepeler, lichter en eenvoudiger te maken. Maar ook dan moeten de turbines hoger worden.

"Het is ook een kwestie van smaak", zegt Van der Pas. "Wat heeft een grotere impact op de omgeving: twee echt grote palen, of een handvol kleinere?" De bouwers zelf zetten, in lijn met lokaal overheidsbeleid, steeds meer in op vervanging van kleinere, oudere molens door minder exemplaren van veel flinker formaat.

Ontwikkeling windturbines van 1990 tot 2016. Beeld Bron: Nuon / Trouw

Stabielere luchtlaag
Ook volgens Hans Rijntalder van het windenergie-adviesbureau Pondera Consult zijn daarmee veruit de meeste vruchten te plukken. "Een vuistregel is: voor elke tien meter die je extra de hoogte in gaat vergroot je het rendement met 7 procent. Je kunt namelijk gebruik maken van een stabielere luchtlaag en zo het aantal draaiuren van een molen vergroten. Je pakt hoog niet zozeer hardere, maar wel constantere wind. Voor een energiebron die zo fluctueert is dat van groot belang."

Windexpert Michiel Müller van het onafhankelijke energieadviesbureau Ecofys, gelieerd aan energiebedrijf Eneco, onderschrijft dat. "Stromen in hogere luchtlagen leveren meer energie op." Wat kosten betreft zijn grote turbines ook stukken goedkoper dan een aantal kleinere. Er is minder staal voor nodig. "En er hoeft maar één keer een mannetje de paal in voor onderhoud en beheer", zegt hij. Werken aan efficiëntere aandrijftechniek blijft volgens hem ook van belang, voor zowel flinke of petieterige exemplaren.

Door lichtere materialen te kiezen en de beste locaties te kiezen kun je opbrengst ook vergroten, beaamt Rijntalder. Maar tegen de winst door lengte valt niet op te innoveren. "Met weinig extra kosten maak je een grote rendementssprong. De wind hoog in de lucht is eigenlijk te goed om onbenut te laten", lacht Rijntalder. Tweehonderd meter is gigantisch, erkent de energieadviseur.

Maar hij beweert ook dat voor de directe omgeving niet zo'n verschil in ervaring zit tussen een turbine van 150 meter en een van 200 meter. "Als je voor een wolkenkrabber staat kun je de hoogte niet goed meer inschatten. Hetzelfde geldt voor grote molens."

Maximale hoogte
De landelijke vereniging van omwonenden van windmolens (NLVOW) vindt dat er een maximale hoogte moet worden vastgesteld voor turbines. Wat deze groep betreft is de impact van turbines vaak te groot, zeker als ze steeds verder opklimmen. Voorzitter Rob Rietveld van NLVOW zegt dat hij het economische belang van windparkbouwers snapt. "Maar de vraag is ook wat dit betekent voor de woon- en leefomgeving. De waarde daarvan is niet uit te drukken in centen per kilowatturen." Op sommige terreinen kunnen 'kolossen' prima, vindt Rietveld, maar op dichtbevolkte plekken vindt hij dat de omgeving moet meepraten over de maximale hoogte.

Beeld anp

Megaturbines zorgen voor hakken in het zand. Illustratief is het afblazen van een gepland windproject op de locatie Lage Weide in Utrecht. Ondanks het feit dat dit initiatief lokaal werd opgezet ging het bouwplan van tafel, omdat een harde kern van bezwaarmakers niet kon leven met de komst van gewiekte palen van zo'n 100 meter. Dit gaat verder de lucht in dan de Domtoren (112 meter), was het schrikbeeld van de omgeving. De plannen gingen van tafel.

Alternatieve projecten
Aan alternatieve groene energieprojecten wordt nu gewerkt. In de windenergiesector wordt druk gebroed op manier om bewoners bij geplande windprojecten te laten zien hoe turbines de ruimte gaan bepalen. Animaties, visualisaties en 3D-modellen waren ruim vertegenwoordigd op de Winddagen deze week.

Het Nederlandse windenergiebedrijf EWT zet bewust in op relatief kleine turbines, met een hoogte van zo'n vijftig meter, zodat omwonenden de bouw eerder verwelkomen. Bij windparken op zee is de zichtbaarheid een minder heikel punt, zegt windenergiekenner Jasper Vis van het Deense energiebedrijf Dong. Maar ook bij turbines te water staat schaalvergroting voorop om kosten omlaag te brengen, zegt hij. "Hoog vang je meer wind. En grotere wieken vangen natuurlijk gewoon meer op. We gaan toen naar molens van 7 tot 8 MW op zee en daar houdt de vergroting zeker nog niet bij op."

Wel molens, liever geen subsidie

De windenergiesector moet opboksen tegen andere vormen van stroomproductie, zoals de vervuilende maar goedkope opwek van elektriciteit door kolencentrales. Dus luidt het windmantra: kosten omlaag, rendementen in de lift. Uiteindelijk moeten windturbines zonder subsidie een hoofdrol in de stroomproductie gaan spelen, zei directeur Paul Korting van Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) op De Winddagen, een groot congres over windenergie dat woensdag en gisteren plaatshad in Rotterdam. Minister Henk Kamp (economische zaken, VVD) liet daar ook zijn gezicht zien. Wind is een 'ideale energiebron', zei Kamp. Ook hij hamerde erop: de techniek moet wel goedkoper worden en loskomen van de SDE+-subsidie die windturbinebouwers nu kunnen ontvangen voor hun stroomproductie -vooral windmolens op zee zijn overigens nog duur.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden