Wat is natuur nog in dit land?

Milieufilosoof Martin Drenthen (auteur van 'Natuur in mensenland') en biologe Roelke Posthumus (auteur van 'Heibel in de polder'). Beeld Koen Verheijden

Twee boeken over mens en natuur in Nederland, geschreven door twee verschillende auteurs: een filosoof en een biologe. Een dubbelinterview. ‘De natuur moet ons weer raken.’

Je zou ze zo met elkaar verwarren. Op de eiken tafel in een tot koffiehuis omgetoverde chalet in de Millingerwaard liggen twee boeken met haast identieke kaften naast elkaar. Grazende dieren op een groene vlakte, onder een grijzige wolkenlucht, de onscherpe neus van een NS-trein die het beeld in flitst. De titels zijn verschillend. ‘Natuur in mensenland’ van milieufilosoof Martin Drenthen (52) en ‘Heibel in de polder’ van biologe en schrijfster Roelke Posthumus (67).

Beide auteurs bestuderen en bespreken aan tafel elkaars boek. De dampende koppen koffie slagen er niet in de intense houtgeur van het interieur te verdringen. Op de achtergrond klinken volkse klanken van countrymuziek.

Dat beiden in hun poging om de Nederlandse natuur in één beeld te vatten tot twee sprekende kopieën kwam, is veelbetekenend. De kaften laten iets zien over de mens en de natuur in Nederland, zegt Posthumus. "Het landschap is een nauw samenspel tussen die twee." Drenthen laat zijn vinger over de kaft van zijn boek gaan. Elektriciteitsmasten, windmolens en sloten. "De mens is heel nadrukkelijk aanwezig. Maar je ziet ook hoe de konikpaarden ongestoord grazen - er is beheersing in het aanleggen van de natuur."

Posthumus, die na twintig jaar in Noorwegen opnieuw in Nederland woont, beschreef haar verwondering over wat ze hier nu aan natuur aantreft. Drenthen bundelde essays, waarin hij het 'wildernisverlangen' duidt en ook de worsteling daarmee beschrijft. Ze zijn beiden gegrepen door dezelfde vraag. Het is de vraag die dichter J.C. Bloem halverwege de vorige eeuw al opwierp in zijn sonnet 'de Dapperstraat':

En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Wandelend door de Millingerwaard, nabij Nijmegen, gaan de twee auteurs op zoek naar een antwoord. Onder zijn olijfgroene jas draagt Drenthen een gitzwarte fleecetrui. Zijn kraag is tot over zijn nek opgetrokken. Hij koos dit gebied als ontmoetingsplek. Hier, 'in de achtertuin van Nijmegen', wisselt het beeld van vredig grazende kuddes konikpaarden en gallowayrunderen af met ooibossen, moerassen, graslanden, plassen en rivierduinen.

Na een half uur lopen in de bijzondere, uitgestrekte vegetatie langs de rivier is een verzameling zwartgeblakerde boomstronken te zien, loodrecht neergezet in de drassige bodem. Dat alleen enkele rookwitte wolken de donkergrijze hemel onderbreken, hult het tafereel in mystieke sferen. De boomstronken blijken restanten van eiken uit de oertijd te zijn. Drenthen noemt ze ook in zijn boek. Uit de Waal zijn bij baggerwerkzaamheden in de jaren negentig tientallen eiken boomstammen van 8000 jaar oud opgegraven. Er is een kunstwerk van gemaakt: 'Woodhenge'.

Grote stappen

Ook Posthumus nadert het oeroude schouwspel. De grote stappen die ze neemt beletten dat ze in de vochtige, krioelende vegetatie komt vast te zitten, maar ogen wat onnatuurlijk. Haar handen scheren over de stam: "Wat een pure kracht van de natuur." Drenthen vuurt er om de zoveel meter een paar nieuwe feiten over af: "Het zijn fossiele boomstammen." En: "De oudste bomen van Nederland. Overblijfselen van een voormalig hardhoutooibos."

Er schuilt een geschiedenisles in het kunstwerk. Daarvoor haalt Drenthen de uitspraak van Voltaire aan. 'God schiep de wereld, maar wij schiepen Nederland'. "Dat is dus helemaal verkeerd gedacht. Deze bomen vertellen iets over het landschap dat veel ouder is dan wij. Ze waren duizenden jaren eerder op deze plek dan de mens. Men vergeet vaak dat deze zogeheten 'diepe tijd', bestaat. Eigenlijk fungeren deze bomen als geheugensteun. Het is een relativerende ervaring: dat de menselijke wereld is ingebed in de natuurlijke wereld. Alsof er vóór de mens niets was. We moeten onszelf niet belangrijker maken dan we zijn. Het biedt ons context. Voor mij is dat een natuurervaring"

De kleurige bandana van Roelke Posthumus wappert om haar nek, miniscule druppels vermenigvuldigen zich in sneltempo op hetglas van haar bril. Ze kijkt op naar de metershoge stammen. "Dat geen mens hier iets mee te maken heeft gehad!", roept ze tegen de wind in. "Ik vind het kunstwerk een prachtige verbinding tussen wetenschap en verbeelding. Deze bomen waren de eerste pioniers van Nederland."

Wildernisverlangen

Hoe graag de mens zichzelf ook centraal stelt en zijn omgeving beheerst, er speelt een tegengesteld verlangen op om de wildernis toe te laten. Drenthen noemt dat het ‘wildernisverlangen’ - denk aan de Oostvaardersplassen, waar het doel was de oorspronkelijke natuur terug te brengen. En denk aan hoe de terugkeer van de wolf door sommigen wordt toegejuicht. "Op zich heeft dat verlangen iets legitiems”, zegt Drenthen. “Je ziet het vooral bij stadsmensen. Zij vinden de wildernis fijn, om eventjes naartoe te gaan, en daarna ga je weer lekker naar huis.”

Posthumus begrijpt dat wel. "Zo'n mooie ervaring in de natuur hebben mensen gewoon nodig. De stadsmens is vaak idolaat van de wolf! In Noorwegen is het beest ook lang weggeweest. Nu is hij er weer. De schapenboeren daar háten het de wolf, net als in Nederland. Mensen op het platteland zien eerder de nadelen en de gevaren.

"Er is geen beest dat zulke tegengestelde emoties oproept. Als er één dier is dat de dingen op scherp kan stellen", zegt Posthumus op plechtige toon, "één organisme dat ons kan dwingen te reflecteren over de ruimte die we willen geven aan de natuur en wat onze plek daarin is, dan is het de wolf. In Noorwegen is er absoluut een strijd gaande. Dat merkte ik omdat ik er tussen woonde. Geheid dat de wolf ook in Nederland heibel gaat geven. En misschien moet dat ook maar. "

Onverzoenlijke strijd

De blik die Posthumus werpt op haar gesprekspartner is er een op zoek naar verlossing. “De Oostvaardersplassen, dat ligt toch eerder op jouw terrein, toch?” De gretigheid waarmee de biologe het onderwerp, waarnaar ze werd gevraagd, aan haar gesprekspartner doorschuift, illustreert de gevoeligheid van het dossier. De maatschappelijke discussie zit muurvast. Niemand is bereid zijn egelstelling te verlaten. 

Het duo ziet die discussie dan ook liever als voetnoot in het interview eindigen. De Oostvaardersplassen, dat zijn roerige beelden van bijvoerders, hongerstakers en tumultueuze protesten waar vurige emoties de boventoon voeren. “Het is een bittere, onverzoenlijke strijd geworden”, zegt Posthumus. "Op debatavonden weigert men elkaar zelfs de hand. Het is verbijsterend. Terwijl er zulke grote natuurproblemen en -vragen op ons bord liggen. Sla de handen ineen, zou ik zeggen, vorm een gemeenschap."

Drenthen betreurt dat bij discussies over natuur in Nederland al snel naar het gebied in Flevoland wordt gekeken. "Het is een gebied dat in veel opzichten een uitzondering is. Bovendien is het inmiddels zo controversieel dat een evenwichtig gesprek daarover moeilijk is geworden. Het hele idee van maakbaarheid van de natuur - waarvan het Oostvaardersplassen-gebied als ecologenspeeltje toch zo'n beetje het summum is - maakt dat het iets wordt waar je partij voor moet kiezen. Natuur zou heel simpel moeten zijn: daar hoef je niets over te vinden. Koos van Zomeren beschreef het zo mooi: ‘Ik hou zo van natuur, want daar hoef je geen mening over te hebben’. Nou, de Oostvaardersplassen hebben dat fijne gegeven inmiddels veranderd."

"Vanwege de lessen die we eruit kunnen trekken was het wél een zeer waardevol experiment", meent Posthumus. "Dat geknutsel leidt tot chaos. In plaats daarvan heeft de natuur rust nodig. Rust, reinheid en regelmaat." De woorden rollen vloeiend uit haar mond. "Het kost veel tijd alvorens natuur echt wat voorstelt. Je moet het de ruimte, de kans geven. Als groep ecologen kun je niet om de haverklap links- en dan weer rechtsaf gaan. Dan weer een sluisje, dan weer een dijkje aanleggen. Die inconsistentie, dat gebrek aan regelmaat is funest. Dan wordt het maar een bos! Zo gaat het. Het is prima als generaties vogels vertrekken. Daar komen andere voor terug. Dat gaat met knaagdieren en planten net zo. Dat is natuur."

Ideaalbeelden

Biologen en ecologen steggelen vaak, zegt Drenthen. “Over fundamentele dingen zijn ze het gewoon eens, maar het debat gaat over onze ideaalbeelden: de rol van mensen in de natuur en de wereld en hoe het zou moeten zijn. Wat beesten en planten nodig hebben, is daar vaak ondergeschikt aan.” Posthumus: “Intussen lijkt niemand in de gaten te hebben hoe ernstig het allemaal is, wat voor ravage de landbouw bijvoorbeeld aanricht in de biodiversiteit."

Ondanks de verontwaardiging en de vele protesten begonnen de boswachters van Staatsbosbeheer afgelopen week in opdracht van de provincie Flevoland met het afschieten van 1830 edelherten uit de Oostvaardersplassen. "Er wordt veel gestorven in de natuur", zegt Posthumus. "Dit is niet het ergste. Er zijn ook positieve ontwikkelingen, want de Natura2000-waarden komen weer hoog te staan. Dat is dan weer positief voor de waterbeestjes en vogels. De natuur redt zich wel. Al is er duizenden malen meer uitgestorven dan wat er nu leeft."

De aanhoudende motregen dwingt Posthumus haar marineblauwe regenkap op te doen. Als bioloog maakt ze zich vreselijk veel zorgen om de natuur. De vraag die ze haar gesprekspartner voorlegt is pertinent: wat kunnen we doen om de aarde voor de komende generaties te behouden? Drenthen steekt van wal: “Ik denk dat we moeten laten zien dat de natuur niet ver weg is, maar juist heel dichtbij. Je zou een morele grondslag moeten cultiveren...” 

De milieufilosoof is nog niet uitgesproken als Posthumus hem abrupt onderbreekt: “Vroeger ging de meester met je naar buiten, en leerde je over de natuur. Moeten we dat weer gaan doen?” Even verderop kijkt een eenzame, met schouders opgetrokken buizerd vanuit een knotwilg uit op een rietveld waarin een trosje kinderen ravotten, gehuld in gele fluoriserende hesjes. "Juist! De natuur moet ons opnieuw raken. We gaan gewoon weer stenen omkeren, en pissenbedden bestuderen.”

Lees ook:

Creëer nieuw bos met kleinschalige bewoning

Op de natuur en open ruimte moeten we zuinig zijn. Maar toch is het mogelijk te bouwen in het groen, betoogt Guido Enthoven, oprichter van Instituut Maatschappelijke Innovatie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden