Waarom trekken vogels van Afrika naar de Noordpool?

Waarom trekken drieteenstrandlopers zo ver naar het noorden om te broeden? Het lijkt totaal niet handig. Beeld Rob Buiter

Trekvogels die in het hoge noorden broeden, hebben minder last van rovers die hun eieren stelen, zo lijkt het. Doen ze daarom al die moeite om elk half jaar duizenden kilometers heen en terug te vliegen? Biologen breken zich er het hoofd over.

Het is nogal een investering: een drieteenstrandloper van net een halve ons, die in zuidelijk Afrika overwintert en op Groenland broedt, moet ieder voorjaar een slordige tienduizend kilometer heen vliegen en in de zomer net zo makkelijk weer tienduizend kilometer terug. Waarom blijft ‘ie niet gewoon in Afrika broeden?

“Over die vraag breken biologen zich al heel lang het hoofd’” vertelt Jeroen Reneerkens, trekvogelonderzoeker aan de Rijksuniversiteit Groningen en aan het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee. Gisteren vochten Reneerkens en collega-ecologen in het wetenschappelijk tijdschrift Science een klein dispuut uit met een ander internationaal team van collega’s die een – volgens Reneerkens plausibele – oude theorie omver probeerden te halen.

Predatie

Een van de meest gehoorde verklaringen voor het trekgedrag van vogels heeft te maken met predatie, dus met de kans dat de eieren of kuikens worden opgegeten door poolvossen of roofmeeuwen. In het hoge noorden zou die kans een stuk kleiner zijn. Een groep Canadese biologen heeft ooit geprobeerd om dat ook experimenteel aan te tonen. Op een lijn die vanaf het zuidpuntje van de Hudson baai 3350 kilometer naar het noorden liep, tot op Ellesmere Island, legden ze op zeven breedtegraden een hele serie nep-nestjes met kwarteleitjes neer. Wat bleek: de kans dat die eitjes werden opgegeten nam met meer dan de helft af, naarmate ze verder naar het noorden werden gelegd.

Vorig jaar legden biologen in Science een bommetje onder deze ‘roof-theorie’. Op basis van veldwaarnemingen concludeerden zij dat de predatie in het noorden flink zou zijn toegenomen en dat het voordeel van de trekvogels daarmee steeds kleiner zou zijn geworden. Helaas klopt het rekenwerk achter dit onderzoek niet, schrijven Reneerkens en collega’s deze week op hun beurt in Science. “Als je volgens de regels rekent, was er helemaal geen toename van de predatie in het noorden en zou er voor trekvogels dus nog steeds een voordeel kunnen zijn om daar naartoe te vliegen voor een rustige broedperiode.”

Toch is dat mogelijk niet het hele verhaal, benadrukt de bioloog. “Predatie is, ook in het Arctisch gebied, een behoorlijk ingewikkeld verhaal. Zo zitten er van jaar tot jaar heel verschillende hoeveelheden lemmingen in een gebied. Dat zijn kleine knaagdieren die ook door vossen en rovende vogels worden gegeten. In een jaar met veel lemmingen worden de broedende trekvogels meer met rust gelaten. Als je dus echt wilt weten of het hoge noorden rustiger is om te broeden, zal je ook die lemmingen in je rekenwerk mee moeten nemen.”

Minder ziekten

Verschillende biologen, waaronder de Groningse hoogleraar trekvogelecologie Theunis Piersma, opperden nog andere theorieën die de voordelen van een lange trektocht naar het Noordpoolgebied kunnen verklaren. Een daarvan ervaren Piersma en Reneerkens wanneer ze zelf op veldwerk zijn. “Wanneer we bijvoorbeeld onderzoek doen op Groenland, of aan de westkust van Afrika, worden er meestal veel minder collega’s ziek dan wanneer we in de binnenlanden van Afrika werken”, zegt Reneerkens.  “Met andere woorden: aan de zoute kust en in het hoge noorden is de druk van ziekteverwekkers mogelijk minder.”

De vogelonderzoekers hebben geprobeerd deze theorie hard te maken. Ganzenonderzoekers keken bijvoorbeeld welke ziekteverwekkers de vogels bij zich hadden. Daarbij bleek dat ze in de overwinteringsgebieden, onder andere in Nederland, de nodige parasieten en bacteriën opliepen, die ze vervolgens in het blijkbaar schonere Arctisch gebied weer kwijtraakten. In een ander onderzoek werd gemeten dat vogels die zich ’s winters aan een zoute kust ophielden en ’s zomers in het noorden broedden minder last hadden van vogelmalaria dan soorten die in het binnenland overwinteren en minder ver naar het noorden broeden.

Een andere, nogal voor de hand liggende reden om naar het noorden te trekken zou de hoeveelheid voedsel kunnen zijn. “Ook dat is getest”, vertelt Reneerkens. “Collega’s hebben rond de eeuwwisseling gemeten dat het aantal insecten in een Nederlands weiland niet wezenlijk verschilde van een vergelijkbaar stuk toendra in het noorden. Maar toch zagen zij dat de kuikens van kanoeten in het noorden veel harder groeiden dan weidevogelkuikens bij ons. Eén van de mogelijke verklaringen was de hoeveelheid daglicht. Hoe verder je in het zomerhalfjaar naar het noorden vliegt, hoe meer daglicht je hebt om op insecten te jagen. En wie dag en nacht eet, groeit nou eenmaal harder.”

Omdat het kan

De simpelste verklaring die Reneerkens kan bedenken voor de onvoorstelbare trek van vogels is: omdat het kan. “In mijn eigen onderzoek naar drieteenstrandlopers zie ik dat deze vogels met schijnbaar gemak van Groenland tot in Namibië vliegen. Blijkbaar zijn de kosten voor zo’n onvoorstelbare prestatie wel te dragen, zolang de omgeving meewerkt. En als de kosten te dragen zijn, waarom zou je dan als vogel niet alle mogelijke niches bezetten?”

Een extreem voorbeeld van die ‘omdat-het-kan-verklaring’, is de gestreepte strandloper, vertelt Reneerkens. “Die broedt in Alaska en overwintert langs de kust van Zuid-Amerika. Wanneer die vogeltjes eenmaal in het broedgebied zijn, laten ze bijna geen minuut voorbijgaan om zich voort te planten. Hoe minder ze slapen, hoe meer vrouwtjes ze vinden. En zodra al die vrouwtjes zijn bevrucht en op de eieren zitten, zwerven de mannetjes net zo makkelijk nog eens een paar duizend kilometer over de Canadese en Russische toendra, op zoek naar nog meer potentiële partners.”

Tegelijk wil Reneerkens niet zeggen dat als de evolutie het zo bedacht heeft, het ‘dus’ ook nog steeds voordelig is. “Door ons onderzoek met duizenden individueel herkenbare drieteenstrandlopers, die we gekleurde ringetjes aan hun pootjes hebben gegeven, kan ik de overleving bepalen van vogels die ’s winters helemaal naar zuidelijk Afrika vliegen en ook van soortgenoten die een andere keus maken. Je hebt namelijk ook drieteenstrandlopers die minder ver vliegen, naar West-Afrika, of die in Nederland blijven hangen. Het blijkt dat de vogels die naar West-Afrika vliegen de slechtste overleving hebben. Dan kun je als drieteenstrandloper dus beter nog wat verder doorvliegen, naar Namibië. Of je blijft relatief dichtbij op een Nederlands strand hangen. Daar ben je weliswaar meer energie kwijt om warm te blijven, maar uiteindelijk heb je een betere kans dan je West-Afrikaanse soortgenoot om een volgend voorjaar weer in de broedgebieden in het Noordpoolgebied te komen.”

Lees ook:
Hoe meer we over de natuur weten, hoe minder we snappen; twee biologen leggen uit waarom dat niet erg is

Twee biologen schreven een fascinerend boek over dingen die ze zien maar niet begrijpen: hun ‘ontsnapte’ natuur.

Veranderend klimaat maakt de trekvogels te gehaast

Door het veranderende klimaat komen de insecten in Siberië steeds vroeger uit de bodem. Daardoor dreigen de kuikens van trekvogels de piek in het voedselaanbod te missen. De sleutel voor trekvogels om dit probleem te tackelen ligt niet op de toendra, maar in onze Waddenzee, zeggen biologen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden