De huismus.

InterviewRené Oosterhuis

Waarom de mussenpopulatie zo sterk terugloopt en hoe we dat kunnen veranderen

De huismus.Beeld Dreamstime

Het gaat slecht met de mus. Maar waarom loopt het aantal van deze populaire vogeltjes zo snel achteruit? Langjarig onderzoek in Groningen geeft het antwoord: insecten.

Het zit de huismus niet mee. Sinds 1990 is hun aantal gehalveerd en het ligt nu tussen 600.000 en 1.000.000 broedparen. Een veeg teken voor René Oosterhuis, in dagelijks leven beheerder bij het Groninger Landschap. “Als het zo’n ‘simpel’ vogeltje al zo slecht gaat, wat staat ons dan nog te wachten?”

Hij startte een onderzoek en begon met ringen. Oosterhuis: “Maar huismussen zijn slim. Na de eerste keer laten ze zich niet meer vangen.” Daarmee zijn de kleine zilveren ringetjes van de Ringcentrale niet bruikbaar. Deze zijn alleen op korte afstand af te lezen en daarmee alleen als je de vogels na het ringen nogmaals weet te vangen. De standaard-kleurringetjes leken ook geen oplossing: de vogels beten ze er binnen een paar uur alweer af. Niet voor één gat te vangen bedacht Oosterhuis strijkkraaltjes, zachte kraaltjes waarvan de mussen duidelijk geen last hadden.

Stadsmus versus plattelandsmus

Vanuit het vermoeden dat er een verschil kan zitten tussen het welvaren van huismussen in een verstedelijkte omgeving en mussen op het – min of meer – platteland, voorzag de mussenliefhebber zowel in Leek, een verstedelijkt dorp nabij Groningen, als in het landelijk gehucht Terheijl bijna 10.000 mussen van kleurringetjes.

Een gebruikelijke manier om het broedsucces vast te stellen is het bezoeken van de nesten en jongen tellen. Bij huismussen is dit onmogelijk omdat de kleine vogels veelal onder dakpannen en in holten in gebouwen broeden. Oosterhuis pakte het daarom anders aan. Na het uitvliegen hoeden de ouders nog een deel van de jongen. Ze leiden ze naar goede voederplekken – locaties met veel zaden – op maximaal enkele honderden meters van het nest. Jongen eten insecten, uitgevlogen jongen zaden. Daarmee zijn onkruidrijke plekken, zaaddragende inheemse planten én voedertafels favoriet.

Pragmatisch als hij is, maakte de mussenman drie voedertafels. Een bij vrienden in Terheijl, een bij zijn ouders in Leek en een bij zijn eigen woning in dezelfde plaats. De tafels – waarop dagelijks voer werd verstrekt – werden uitgerust met camera’s en leverden zo dagelijks 500 tot 1000 foto’s per locatie.

“Die enorme reeks foto’s gaf me de mogelijkheid om achteraf een blik te werpen in het nest. Het aantal jongen waarmee het mannetje en het vrouwtje op de voedertafel verschijnen, is een maat voor het aantal nestelingen. Het percentage jongen dat tussen nest en tafel sneuvelt is minimaal en heeft geen invloed op het verschil tussen de verschillende onderzoeklocaties”, legt Oosterhuis uit.

Enorme verschillen

De miljoenen foto’s die de camera’s produceerden heeft de mussenkenner inmiddels allemaal bekeken en hoewel de data nog niet zijn bewerkt, durft Oosterhuis al wel de eerste conclusies te trekken. De verschillen tussen het verstedelijkte dorp Leek en het plattelandsgehucht Terheijl zijn enorm. Zo verschijnen in Terheijl de ouders gemiddeld genomen met meer jongen op de voedertafel dan in Leek: gemiddeld 1,81 tegenover 1,27 jongen. Ook het aantal keer in het seizoen dat ouders met jongen verschijnen, oftewel: het aantal nesten, blijkt in Terheijl hoger. In Leek – de stedelijke omgeving – heeft maar 18 procent van de paren een tweede legsel tegenover 37 procent op het ‘platteland’. Oosterhuis: “Een derde keer broeden lukt de vogels in de stedelijke omgeving nooit – althans niet in mijn onderzoek – terwijl op het ‘platteland’ toch nog twee van de honderd paartjes het voor elkaar krijgen. Evenmin verschijnt in de stad een van de twee ouders met vier jongen terwijl dit in Terheijl wel het geval is. Een van de twee met vier jongen betekent dus dat er meer dan vier jongen uitgevlogen zijn.”

Al met al weet een paartje in Leek in het broedseizoen gemiddeld 3,2 vliegvlugge jongen voor te brengen terwijl de paartjes in Terheijl 5,5 vliegvlugge jongen produceren. “Nogal doorslaggevend, dat verschil in broedsucces en daarmee de instandhouding van de broedpopulatie”, constateert Oosterhuis.

Een groot verschil, volgens Oosterhuis verklaarbaar en daarmee hoopgevend. Eerst even waaraan het volgens de natuurman niet kan liggen. Leek en Terheijl liggen nog geen twee kilometer van elkaar vandaan. De meteorologische omstandigheden zijn op beide locaties hetzelfde en kunnen derhalve geen invloed hebben. Net zomin als nestgelegenheid: mussen broeden zonder problemen meerdere keren in hetzelfde nest.

Hoe voed je de kleine in zo'n stadstuin?

“Nee, de meest plausibele verklaring ligt in een verschil in voedselbeschikbaarheid gedurende de nestperiode. Zoals bijna alle zangvogels worden ook jonge mussen op het nest gevoerd met insecten die de oudervogels in de directe omgeving verzamelen. Vliegende mieren, bladluizen, rupsen van nachtvlinders en spinnetjes bijvoorbeeld. De tuinen in Leek zijn stenig en bevatten voornamelijk uitheemse planten. Fraaie dubbele bloemen en zo, maar absoluut niet aantrekkelijk voor insecten en dus voor vogels.”

Terheijl kun je het beste omschrijven als kleinschalig agrarisch gebied met meidoornhagen en loofbomen, ruigtekruiden als brandnetel en fluitenkruid en ook in de tuinen veelal inheemse planten. De insectenrijkdom daar is niet alleen beduidend groter, maar bovendien gedurende een veel langere tijd beschikbaar; een wezenlijk verschil. Na de piek in april in het aantal nachtvlinderrupsen – stapelvoedsel voor jonge mussen – zijn er in de buurtschap in mei nog voldoende andere insecten.

Uit onderzoek bij koolmezen is bekend dat vogels sowieso niet met broeden beginnen als ze de voedselbeschikbaarheid te laag inschatten. “Een gespreide bloei, een grote variatie in planten is onontbeerlijk.”

De constatering – voorlopig, omdat het onderzoek nog niet is afgerond – stemt Oosterhuis eigenlijk wel optimistisch.

“Dankzij campagnes van onder meer de Vogelbescherming en Natuurmonumenten is er al veel aandacht voor het belang van natuurvriendelijke tuinen. De tijdgeest zit mee. Dan moet het ons toch lukken zo’n ‘makkelijk’ vogeltje weer algemeen te maken? Heerlijk, overal getjilp. De appeltaart en koek bij koffie op een terras weer belaagd door mussen…”

Lees ook:

‘De mussenman’ zet alles op alles om de huismus in Den Haag in de watten te leggen

De mussenpopulatie in Nederland is de afgelopen dertig jaar meer dan gehalveerd. Dankzij vogelbeschermer Martin van de Reep kwetteren de mussen langs de Haagse kust er weer flink op los.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden