PleidooiVermenselijking van dieren

Waarom alle dieren in dierentuinen een naam moeten krijgen. ‘Dit is Yindee, een Aziatische olifant’

Bezoekers kijken naar olifanten in Safaripark Beekse Bergen.Beeld ANP

Vermenselijken van dieren werd lang gezien als doodzonde, inmiddels is de wetenschap meer ontspannen. ‘We moeten het dier ook als individu benaderen.’

Wat is dat, een olifant? En wíe is dat? Geen idee. In welke dierentuin je ook staat, op het bordje bij een Aziatische olifant zul je altijd hetzelfde lezen: Elephas maximus. Hoogte, gewicht, voedsel, gedrag, voortplanting, bedreigingen. Je leest nooit: ‘Dit is Yindee, een Aziatische olifant. Ze komt uit de dierentuin van Berlijn, waar haar moeder woont. Ze schrikt snel van harde geluiden. Yindee houdt van appels en zwemmen, maar het duurt even voor verzorgers haar vertrouwen krijgen’.

Maarten Reesink, mediasocioloog en docent animal studies aan de Universiteit van Amsterdam, pleit er bij dierentuinen voor dat ze hun dieren ook als individuen gaan presenteren – mét een eigennaam. Dit jaar verschijnt van zijn hand de eerste Nederlandstalige inleiding in de ‘animal studies’. Dat is een relatief jong vakgebied waarin sociologen, antropologen, kunsthistorici en andere geesteswetenschappers zich op de dieren storten. Ze bestuderen niet primair diergedrag, dat is het werk van biologen, maar richten zich op de mens-dierrelatie en hoe we dieren bekijken. Bijvoorbeeld in dierentuinen.

“Dierentuinen vertellen wat ze hebben: dit is een olifant. Maar ze zeggen niet wie dat is”, zegt Reesink. “Je leert van alles over de biologie van de dieren, maar niets over hun biografie. Wel over de soort, niet over het individu. Maar om een completer begrip van het dier te krijgen, moeten we het ook als individu benaderen.”

Traditionele biologie

En daar horen namen bij, vindt Ree­sink. Charismatische dieren als olifanten en ijsberen krijgen vaak al namen, maar die worden alleen gebruikt door de verzorgers, en soms in persberichten of op het Instagram-account van de dierentuin, maar niet op de officiële bordjes. “Door Yindee bij naam te noemen, nodig je mensen uit zich in haar te verplaatsen, in haar werkelijkheid, haar levensverhaal.” Zelfs dieren die voor het publiek moeilijker uit elkaar te houden zijn, zoals pinguïns of vissen, zouden volgens Reesink namen moeten krijgen. “Pik er dan een uit met een opvallend vlekje, begin daar met een naam geven om je verhaal te vertellen.”

Dat dierentuinen hun dieren als ‘wat’ (een object) en niet als ‘wie’ (een subject) presenteren, is volgens Ree­sink een overblijfsel uit de negentiende eeuw. In die tijd vestigde de biologie zich als de wetenschap van de levende natuur. Het was de eeuw van het inventariseren en classificeren: wat voor diersoorten bestaan er allemaal. “Het raamwerk achter de biologie is de evolutietheorie van Charles Darwin en die gaat over de oorsprong van soorten, van species. Individuele dieren werden vooral gepresenteerd als specimen, als vertegenwoordigers van hun soort. Veel dierentuinen zijn opgericht in de negentiende eeuw, en ze praten nu nog steeds op die oude manier over dieren.”

Wat hij in dierentuinen ziet, ziet Reesink ook in natuurfilms. “Het gaat altijd over dé tijger, of dé krokodil. Zeker de BBC-documentaires hebben een reputatie van deskundigheid hoog te houden en gebruiken dus de woorden en de benadering van de traditionele biologie. Daar is op zich niets mis mee, maar het laat wel iets liggen. Want tijgers zijn niet allemaal hetzelfde. Niet elke tijger zal precies hetzelfde reageren in een bepaalde situatie.”

Jane Goodall

De invalshoek van natuurdocumentaires is wel aan het verschuiven. “In 2018 kwam de BBC met de reeks ‘Dynasties’, waarin dieren als individuen gevolgd worden. Voor het eerst heeft David Attenborough het over de leeuw Red, de tijger Raj Bhera. Hoog tijd, want we zitten niet meer in de 19de, maar in de 21ste eeuw.” De biologische wetenschap is daar ook aanbeland. Een belangrijke pionier in de wie-benadering van dieren is Jane Goodall, die in 1960 begon met haar langlopende studie naar chimpansees in Tanzania. Goodall beschreef elke aap als een uniek individu met een eigen persoonlijkheid. Reesink: “Ze móest wel: je gaat apengedrag pas snappen, als je oog hebt voor relaties en persoonlijke voorkeuren”.

Goodall gaf de chimpansees namen, in plaats van de toen gebruikelijke nummers of codes. En ze voerde ze bananen, in plaats van afstand te houden. Dat kwam haar op kritiek te staan: ze ging een emotionele band aan met de apen, wat het zicht op diergedrag maar zou vertroebelen. In het eerste stuk dat Goodall ter publicatie naar een wetenschappelijk tijdschrift stuurde, moest ze van de redactie elke he, she en who waarmee ze naar de chimpansees verwees, vervangen door it en which.

Het gaat hier om het natuurwetenschappelijke ideaal van een afstandelijke, neutrale verhouding tot het object dat je bestudeert. In het onderzoeken van dieren moet dat het ideaal niet zijn, vindt Reesink. “Dat werkt gewoon niet altijd, als het gaat om diergedrag. Een mooi voorbeeld geeft Barbara Smuts, een gedragswetenschapper die bavianen observeerde in Kenia en Tanzania. Ze negeerde de bavianen als die interesse in haar toonden, keek de andere kant op, probeerde onzichtbaar te zijn. Maar het gevolg was dat de bavianen onrustig van haar werden, ze konden haar niet plaatsen. Pas toen ze contact niet langer vermeed, haar lichaamstaal aanpaste en zichzelf toestond op de apen te reageren, ontspanden de bavianen zich ook. En kon Smuts haar werk doen.”

De kern van de kritiek op Goodall was dat ze de doodzonde van het antropomorfisme beging: het aan dieren toeschrijven van menselijke eigenschappen, gevoelens en gedachten (anthropos is Grieks voor mens). “Dat is wat iedere dierentuinbezoeker, iedere huisdierbezitter en ieder kind doet. Maar in de wetenschap worden hogere eisen gesteld aan observaties en conclusies. En van antropomorfisme beticht worden is dan wel het laatste wat je wilt.”

Vrede met een kus

Inmiddels wordt er in de biologie wat meer ontspannen omgegaan met antropomorfisme. Dat komt voor een groot deel door het werk van de Nederlandse primatoloog Frans de Waal, die (kritisch) antropomorfisme niet ziet als een probleem, maar als methode om diergedrag te begrijpen. Als twee chimpansees elkaar na een vechtpartij opzoeken, zou de traditionele wetenschapper dat omschrijven als een ‘post-conflict-interactie gepaard gaande met mond-op-mond-contact’. De Waal schrikt er niet voor terug om te spreken van ‘vrede sluiten met een kus’.

Het voordeel van die bewoording zou zijn dat ze een beter begrip van het gedrag oplevert. Er is in de wetenschap nog wel discussie over. Volgens critici impliceer je hiermee dat onder het gedrag van mens en chimpansee dezelfde motieven en emoties zitten, terwijl je dat onmogelijk kunt bewijzen. Volgens biologen als De Waal mag je er bij soorten die zo nauw verwant zijn als mens en chimpansee, van uitgaan dat gedrag op dezelfde mechanismen stoelt.

Volgens De Waal schuilt achter het taboe op antropomorfisme vaak de wens tot antropocentrisme: de mens als middelpunt willen zien van al het leven. Het is het oude, westerse idee dat de mens de kroon is op de Schepping, dan wel de hoogste trede in de evolutie, en fundamenteel verschillend van de dieren. Dat perspectief is moeilijk vol te houden, als je moet erkennen dat dieren ook emoties en empathie kennen. Het verbod op het vermenselijken van dieren is in feite de vrees voor het verdierlijken van mensen, zegt De Waal.

Denkt Reesink dat dat taboe op antropomorfisme dierentuinen ervan weerhoudt om dieren te presenteren als individuen met namen? “Dat is wel wat ik vaak hoor: we moeten de dieren niet vermenselijken. Daarom ben ik ook niet voor mensennamen zoals Tanja en David voor dieren. Liever een naam uit de taal van het land waar het dier in het wild voorkomt. Maar een naam geven op zich is niet meteen een ontoelaatbare vermenselijking.”

Zoals Frans de Waal kritisch antropomorfisme hanteert om diergedrag te begrijpen, is een naam geven volgens Reesink een methode om meer begrip voor een dier te krijgen. Hij wijst op de logische onmogelijkheid om een dier anders te bekijken dan met menselijke ogen. “We komen er niet onderuit dieren te benaderen vanuit onze eigen mentale staat, ons voorstellingsvermogen. Je hebt de menselijke ervaring nodig om de dierlijke ervaring te kunnen begrijpen. Dieren doen omgekeerd precies hetzelfde: de hond canimorfiseert en de kat felimorfiseert ons. Een hond ziet ons waarschijnlijk als een leider van de roedel, maar dan gemankeerd, want we kunnen zo slecht ruiken. Een kat deponeert een muis voor ons op het bed, zodat we kunnen oefenen met een muis vangen en doden. Zij ziet ons misschien wel als een raar soort kittens. Zoals wij huisdieren vaak behandelen als een raar soort kinderen.”

Troeteldier

Het dier leren zien als een individu levert een completer beeld op van zijn werkelijkheid en meer begrip voor het wezen van het dier, zegt Reesink. “Dat is belangrijk voor de wetenschap, maar het is ook belangrijk voor natuurbescherming. Als je zegt dat de populatie orang-oetans met tienduizend is afgenomen, blijft dat voor veel mensen abstract. Maar vertel het levensverhaal van één zo’n orang-oetan en mensen kunnen zich daarin verplaatsen en er een gevoel bij krijgen.

“We willen het ook graag, dat verhaal van het individuele dier horen. We willen verbinding met dieren. En dan doen namen ertoe. Woorden doen ertoe. Als we in plaats van kalf het woord kind zouden gebruiken, ga je praktijken in de veehouderij, waar een kind bij de moeder wordt weggehaald zodat wij haar melk kunnen claimen, heel anders zien. Als je andere woorden gebruikt, ga je anders kijken, anders denken en anders handelen.”

Soms eisen die dieren zelf hun sta­-tus als individu op, zoals de koe die op weg naar de slager uit de vrachtwagen ontsnapt. Binnen de kortste keren wordt zo’n koe een held en een troeteldier, gaat viral op sociale media en … krijgt een naam. Er komt een crowdfundings-actie en de koe mag ergens haar dagen slijten op een boerderij. Reesink: “De meeste dieren in de bio-industrie krijgen geen naam. Of hoogstens een codenaam, zoals Clara187. Het komt ons wel goed uit, als we met die dieren geen emotionele band aangaan. We zijn goed in het wegduwen van ongemakkelijke waarheden, maar sommige waarheden worden steeds ongemakkelijker”.

Lees ook:

Jammer maar helaas: je huisdier heeft géén emoties

Als we naar onze huisdieren kijken, zien we bewust gedrag en emoties. Heel herkenbaar. Maar wat we zien, zegt neurowetenschapper Joseph LeDoux, is er niet.  

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden