Portret van een rivierprik met de mondschijf goed zichtbaar (met de tanden waarmee hij zich aan andere vissen vastzuigt). Beeld Buiten beeld
Portret van een rivierprik met de mondschijf goed zichtbaar (met de tanden waarmee hij zich aan andere vissen vastzuigt).Beeld Buiten beeld

Jelle's WeekdierRivierprik

Vrijwilligers helpen rivierprikken, daar had de evolutie een half miljard jaar geleden niet op gerekend

Jelle Reumer

Prikken zijn bijzondere dieren. Het zijn wat wel ‘levende fossielen’ wordt genoemd, een term die feitelijk een contractie is, want fossielen zijn natuurlijk zo dood als een dodo, maar het duidt aan dat we het hebben over een dier (of een plant zoals de ginkgo) waarvan de geschiedenis tot ver in de prehistorie teruggaat. Bij dieren kun je denken aan de degenkrab, het lancetvisje en de coelacanth.

Prikken zijn ook een goed voorbeeld. Hun larven lijken als twee druppels water op een lancetvisje, en ook op Pikaia, een klein wormachtig visje (of visachtig wormpje) dat meer dan aan half miljard jaar geleden leefde en waarvan de fossielen zijn gevonden in de Canadese Rockies. Het zijn kaakloze vissen. Ze hebben geen geraamte, geen graten; slechts een kraakbenige ruggenstreng duidt erop dat we te maken hebben met primitieve gewervelden. Prikken zijn de laatste nog levende vertegenwoordigers van een groep vissen die in de evolutie voorafging aan de gewervelde dieren met kaken en een skelet. Hun kaakloze mond is een soort ronde zuignap met kleine tandjes waarmee ze zich aan andere vissen vastzuigen om er lichaamssappen aan te onttrekken. Het zijn parasieten, bloedzuigers.

Grindbodems

In ons land komen drie soorten prikken voor: de grote lamprei of zeeprik (Petromyzon marinus) die meer dan een meter lang kan worden, de piepkleine beekprik (Lampetra planeri; maximaal zestien centimeter) en de hieraan nauw verwante rivierprik (Lampetra fluviatilis) die hooguit vijftig centimeter haalt. Zee- en rivierprikken zijn zogenoemde anadrome dieren, die in zee leven maar voor de voortplanting de rivieren optrekken. Prikken paaien op grindbodems in de bovenloop van rivieren en beken, en sterven na afloop van hun bezigheden.

Ze beginnen in de herfst met hun paaitrek vanuit zee en ondervinden daarbij dezelfde obstakels als andere anadrome diersoorten zoals zalmen en zeeforellen: deltawerken, stuwen, sluizen en waterkrachtcentrales. Ik las ergens dat er in de jaren vijftig van de vorige eeuw jaarlijks 250.000 rivierprikken de stuw bij Lith in de Maas passeerden, maar zulke aantallen zijn geschiedenis. Het gaat derhalve niet heel goed met de prikkenstand en hulp is geboden.

Zelfstandig

Begin dit jaar hebben vrijwilligers rivierprikken gevangen in de Oude Grift bij Hattem om ze – voorzien van een zendertje – verderop weer los te laten in de Grift en het Apeldoorns Kanaal; de dieren zijn daarmee de Hattemse Sluis, een waterkrachtcentrale in de Oude Grift en een stuw ter hoogte van Heerde voorbij. Bij die stuw is inmiddels een voorziening getroffen waarmee de prikken zelfstandig verder kunnen trekken richting paaiplaats. Overigens profiteren de beekprikken ervan mee; deze kleintjes zijn niet anadroom en blijven dus in de beken waar ze zijn geboren, maar ze zijn zo nauw aan de rivierprikken verwant dat beide soorten met elkaar kunnen paaien en dan zelfs vruchtbare nakomelingen krijgen. Wanneer de trekroutes van rivierprikken worden hersteld, profiteren daar dus twee soorten van.

Het is wel een droevige gedachte dat zulke bijzondere en bovendien beschermde dieren voor hun voortplanting afhankelijk zijn geworden van de goedertierenheid van vrijwilligers. Daar had de evolutie een half miljard jaar geleden niet op gerekend.

Jelle Reumer is paleontoloog. Voor Trouw bespreekt hij iedere week een dier dat het nieuws haalt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden