Gewasbescherming

Twijfels over instantie die beslist over landbouwgif

Een hommel in een zonnebloem.Beeld Hollandse Hoogte / Tom van Limpt

Bij de toelating van landbouwgif gaan commerciële belangen voor de bescherming van mens en dier, zegt milieujuriste Anne de Vries. De toelatingsregels voor pesticiden moeten beter, net als de uitvoer.

Ze is een van de weinige juristen die zich heeft gespecialiseerd in pesticiden. Logisch dus dat Anne de Vries, onderzoekster aan de Universiteit Tilburg, geregeld vragen krijgt van milieuclubs die bezorgd zijn over het gebruik van landbouwgif. De Europese verordening voor deze middelen zorgt voor veel problemen, is haar ervaring.

Het begint al bij de dubbele doelstelling. De verordening moet zowel de concurrentiepositie van de landbouw als de gezondheid van mens en milieu beschermen. Bij de huidige landbouwpraktijken zijn die twee nagenoeg onverenigbaar. “Gezondheid en milieu lijken te vaak het onderspit te delven”, zegt De Vries.

In 2013 onderzocht ze de beoordeling en toelating van imidacloprid, beter bekend als bijengif. Imidacloprid is onderdeel van de neonicotinoïden, de meest gebruikte groep insecticiden ter wereld. Neonicotinoïden zijn sinds de jaren tachtig op de markt en imidacloprid is veruit de populairste variant. Sinds 2018 is de stof in de EU echter verboden in het open veld vanwege grote risico’s voor bijen en andere bestuivende insecten. In kassen is hij nog wel toegestaan.

Strijdig met het voorzorgsbeginsel en de toelatingsregels

De toelating van imidacloprid zou exemplarisch kunnen zijn voor andere soorten landbouwgif. “De eerste onafhankelijke studies die wijzen op de schadelijkheid van imidacloprid zijn bijna twintig jaar oud”, zegt De Vries. “Bij de Europese herbeoordeling in 2009 was al duidelijk dat de stof waarschijnlijk veel giftiger was voor bijen dan aanvankelijk werd gedacht. Toch werd het gebruik opnieuw toegestaan. Dat is strijdig met het voorzorgsbeginsel en de toelatingsregels, die inhouden dat een stof pas op de markt mag worden gebracht als duidelijk is dat hij veilig is.”

Op papier is de Europese pesticidenwetgeving gebaseerd op dat voorzorgsbeginsel. Fabrikanten moeten eerst met studies bewijzen dat hun bestrijdingsmiddelen veilig te gebruiken zijn voor mens, dier en milieu. Vervolgens beoordelen Europese en nationale overheidsinstanties die studies en beslissen zij over toelating. In Nederland is het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en bio­ciden (Ctgb) daarvoor verantwoordelijk. Middelen worden periodiek herbeoordeeld om nieuwe wetenschappelijke inzichten mee te nemen.

In de praktijk pakt het toelatingsbeleid uit in het voordeel van de industrie, zegt De Vries. “Als de bewijslast bij de producent ligt, kan die ook bepalen welke studies wel en niet in het beoordelingsdossier komen. In zo’n dossier kunnen dus vooral ‘positieve’ studies zitten, die zijn gedaan door belanghebbenden zelf. Van de 670 studies waar de risicobeoordeling van imidacloprid uit 2009 op was gebaseerd, was 90 procent intellectueel eigendom van Bayer. Dat betekent dat Bayer de studies zelf heeft gedaan of er opdracht toe heeft gegeven.”

Bovendien zijn de regels zo geformuleerd dat ze de industriële studies bevoordelen. “Onafhankelijke studies aan universiteiten bevatten vaak realistische gebruiksscenario’s, zoals hoe een stof zich bij gebruik in een open veld verspreidt in het ecosysteem. Zulke studies zijn noodzakelijk voor een goede veiligheidsbeoordeling. Maar omdat ze niet altijd voldoen aan de ‘goede laboratoriumpraktijken’, worden deze onafhankelijke studies in het beoordelingsproces vaak minder zwaar meegewogen.”

Anne de VriesBeeld Dolph Cantrijn

Goede laboratoriumpraktijken zijn procedurele criteria voor onderzoek die worden gebruikt bij toelatingsprocedures. Ze zijn ingesteld na grootschalige fraude van industriële onderzoekslabs in de VS in de jaren zeventig en tachtig. Industriële studies zijn vaak volledig afgestemd op deze criteria, universitair onderzoek niet, zegt De Vries. “Universitair onderzoek wordt niet uitgevoerd met het oog op een toelatingsprocedure. Dat zegt weinig over de kwaliteit, want universitair onderzoek wordt voor publicatie streng beoordeeld door andere onafhankelijke wetenschappers.”

De studies van de industrie zijn ook bijna altijd geheim. “Een toelatingsinstantie als het Ctgb, die in Nederland pesticiden beoordeelt op veiligheid, mag onderzoeken vertrouwelijk maken als een producent dat wil. Fabrikanten zijn vaak bang dat concurrenten aan de haal gaan met informatie uit hun studies. Het beoordelingsproces vindt zo voor een groot deel plaats achter gesloten deuren, zonder dat het publiek of onafhankelijke wetenschappers kunnen meekijken.”

Toch staan bezorgde burgers niet helemaal met lege handen. De voor fabrikanten gunstige geheimhoudingsoptie in de pesticidenwetgeving wordt namelijk doorkruist door een internationaal verdrag dat burgers recht geeft op openbaarmaking. De Vries: “In het Verdrag van Aarhus staat heel duidelijk dat informatie over emissies in het milieu op verzoek openbaar gemaakt moet worden. Dat betekent dat het Ctgb het merendeel van de studies over imidacloprid alsnog had moeten publiceren toen de Bijenstichting daar in 2011 om vroeg.”

De instantie heeft alleen structureel geweigerd daaraan mee te werken, zegt De Vries. “In 2010 oordeelde het Europese Hof van Justitie al dat het Ctgb de studies over bestrijdingsmiddel propamocarb grotendeels openbaar moest maken. Stichting Natuur en Milieu en Milieudefensie hadden daarom gevraagd, maar moesten tot het hoogste niveau procederen om hun gelijk te krijgen. In 2016 kwam het Hof tot dezelfde uitspraak in het geval van imidacloprid.”

Binnen twee weken online

Tijdens haar onderzoek stuitte De Vries op onwil. “Toen de studies over imidacloprid vorig jaar eindelijk gepubliceerd werden, heeft het Ctgb ze vervolgens meteen weer van de website gehaald. Er stond bij dat je contact kon opnemen om ze op te vragen. Dat heb ik gedaan, maar ik kreeg telefonisch te horen dat ik een mail moest sturen. Vervolgens kreeg ik op mijn mail te horen dat ik een schriftelijk verzoek tot openbaarmaking moest indienen. Juridische onzin, want het ging om informatie die al openbaar was. Nadat ik dat had laten weten, stond het binnen twee weken online. Dat is ruim acht jaar na het verzoek tot openbaarmaking. Op die manier wordt een open wetenschappelijke discussie over de risico’s van bestrijdingsmiddelen onmogelijk.”

Daar komt nog bij dat het Ctgb een zelfstandig bestuursorgaan is dat voor zijn inkomsten grotendeels afhankelijk is van het aantal toelatingsaanvragen. “Een toelatingsaanvraag van een bestrijdingsmiddel kost minstens anderhalve ton”, zegt De Vries. “Ik vind het veelzeggend dat er tot 2012 in interne documenten van het Ctgb werd verwezen naar producenten van landbouwgif als ‘de klant’. Dat suggereert dat een advies voor toelating een product is voor de industrie, in plaats van een risicoafweging in dienst van de maatschappij. Inmiddels gebruiken ze de neutralere term ‘stakeholder’. Dat past beter bij de onafhankelijkheid die het Ctgb moet borgen.”

Doordat het Ctgb het merendeel van zijn ­financiering vanuit de industrie ontvangt, concurreert het in feite met toelatingsinstanties in andere Europese lidstaten, legt ze uit. “Vier lidstaten nemen 80 procent van de Europese toelatingsaanvragen voor hun rekening: Nederland, Duitsland, Frankrijk en, tot voor kort, Engeland.” Aangezien fabrikanten zelf mogen kiezen welke lidstaat de Europese toelating van een bestrijdingsmiddel voorbereidt, kunnen ze naar degene gaan die in hun ogen het minst streng is.

Banden met de industrie

Ten slotte hebben experts in de toelatingscommissies vaak banden met de industrie. “De Europese voedselwaakhond Efsa heeft na jaren van forse kritiek eindelijk meer maatregelen getroffen om belangenverstrengeling tegen te gaan. Het Ctgb gaat hierin veel minder ver, vooral waar het externe deskundigen betreft die door het Ctgb worden ingeschakeld.”

De agenda van de directie, die openbaar toegankelijk is, lijkt te worden bepaald door de chemische industrie en de landbouw. In 2018 en 2019 telde De Vries 39 afspraken met vertegenwoordigers uit deze sectoren. “Er waren slechts drie afspraken met milieuclubs, vijf als je de waterleidingbedrijven meetelt.”

Kan het anders? Ja hoor, zegt ze. “Geef het Ctgb een vast budget van een ‘neutraal’ ministerie, bijvoorbeeld Financiën. Verdeel toelatingsaanvragen op Europees niveau evenredig over de lidstaten, zodat er geen prikkel is voor bedrijven om ‘coulante’ lidstaten uit te zoeken. Maak studies in de beoordelingsprocedure van bestrijdingsmiddelen op tijd en liefst uit eigen beweging openbaar, zodat voor iedereen duidelijk is op welke informatie de toelating of afwijzing is gebaseerd. Laat ten slotte het onderzoek naar de milieu- en gezondheidseffecten van bestrijdingsmiddelen doen door onafhankelijke onderzoekers en stuur de rekening naar de industrie.”

Reactie Ctgb

Het Ctgb herkent zich niet in de kritiek van milieujuriste Anne de Vries en claimt dat toegestane middelen bij juist gebruik bewezen veilig zijn voor mens, dier en milieu. Een kritische blik van buitenlandse deskundigen voorkomt verder dat middelen te soepel door het Ctgb worden beoordeeld. “In 2019 is van alle aangevraagde toepassingen 23 procent afgewezen; bij 69 procent zijn wijzigingen in het aangevraagde gebruik aangebracht.”

De overheidsorganisatie weerspreekt dat ze ‘klanten’ heeft en vindt zichzelf wel degelijk transparant. Haar website laat bijvoorbeeld zien met wie zij praat: “Met allerlei ‘doelgroepen’: aanvragers/bedrijven, ministeries en medeoverheden, belangenorganisaties én ngo’s.”

Op de site staan ook toelatingsbesluiten én de bijbehorende onderbouwing. Van bewust frustreren van openbaarheid over imidacloprid was verder geen sprake, wel van juridische onduidelijkheid, aldus het Ctgb. Zo was destijds vooral de vraag wélke informatie uit de imidacloprid-studies openbaar gemaakt mocht worden. “De Nederlandse rechter vroeg hiervoor uitleg aan het Europees Hof van Justitie.” Aanpassing van de wet moet dit soort verwarring vanaf volgend jaar maart voorkomen.

Van belangenverstrengeling is bij het Ctgb evenmin sprake, vindt de organisatie. “De collegeleden moeten jaarlijks een belangenverklaring invullen, die ook op onze website staan. Per vergadering checkt de voorzitter of agendapunten een belangenconflict kunnen vormen. Ook de Ctgb-medewerkers vullen jaarlijks zo’n belangenverklaring in.”

Lees ook: 

Advies: Burger, maak je druk over de risico’s van gevaarlijke stoffen

De overheid moet meer grip krijgen op gevaarlijke stoffen zoals Pfas, microplastics, medicijnenresten en landbouwgif, aldus een advies aan regering en parlement. En burgers mogen zich best wat meer roeren.

‘Europese Commissie laat landbouwgif veel te soepel toe’

De Europese Commissie (EC) heeft jaren te makkelijk nieuwe bestrijdingsmiddelen op de Europese markt toegelaten, zonder dat er harde gegevens bekend waren over de veiligheid voor dier, mens en milieu. Het ging onder meer om neonicotinoïden, pesticiden die in opspraak kwamen omdat ze dodelijk zijn voor meer dieren dan waarvoor ze mogen worden gebruikt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden