Interview

Schrijver Robert Macfarlane verkende de huiveringwekkendste diepten van de aarde

Robert Macfarlane Beeld Patrick Post

Wat David Attenborough is voor de televisie, is Robert Macfarlane voor de literatuur: een gids door de wildernis. Toch verkent zijn boek ‘Beneden­wereld’ ook de menselijke aard. 

Tien jaar lang heeft Robert Macfarlane de huiveringwekkendste diepten op aarde verkend: onderaardse massagaven, verlaten mijnen, peilloos diepe gaten in Groenlandse gletsjers. Toch oogt de 42-jarige schrijver – licht gebogen, brilletje – niet direct als een roekeloze avonturier. Eerder als een studeerkamergeleerde die de wereld met de grootste behoedzaamheid tegemoet treedt: humble, nederig, zorgvuldig. Maar misschien is dat juist wat dit boegbeeld van de Britse nature-writing zo geliefd maakt. Macfarlane is niet alleen een avonturier, maar ook een echte lezer. Zijn liefde voor literatuur en voor de Engelse taal waarin hij geworteld is, reiken minstens zo diep als zijn liefde voor de natuur, die hij zelf trouwens liever ‘de levende wereld’ noemt. Want dat ‘klinkt minder afstandelijk’.

Die dubbele belangstelling, voor natuur én voor cultuur, valt ook af te lezen aan zijn indrukwekkende nieuwe boek ‘Benedenwereld’. Macfarlane duikt niet alleen letterlijk de ijzige diepten in, hij delft al doende ook schatten op uit de hele wereldliteratuur, van het Gilgamesj-epos tot Edgar Allan Poe. “Misschien ben ik altijd al een graver geweest, gravend naar verloren betekenissen. Ik begon met de betekenis van bergen, en nu zak ik steeds dieper af.”

Want is het ook niet onbevredigend dat we de hoogste bergen kunnen beklimmen en triljoenen kilometers in de ruimte kunnen kijken, maar dat ons zicht op de wereld onder ons ‘stopt bij onze tenen’? Macfarlane: “We lopen op onwetendheid.”

U had die kennis ook lezend en bellend kunnen verzamelen. Waarom moest u zo nodig zelf al die griezelig nauwe grotten, mijnen en onderaardse gangenstelsels in?

“Ik heb altijd graag willen zijn waar ik over schrijf; de onmiddellijke ervaring is ook een vorm van onderzoek.” Met een lachje: “Het is een manier van denken. Als je wilt schrijven over duisternis, dan moet je daar ook zijn. Je kunt dat niet doen vanuit de bibliotheek. Voor ik met dit boek begon, heb ik daarom een bevriende speleoloog gevraagd me mee te nemen naar de meest angstaanjagende plek die hij kende. Ik moest weten of de claustrofobie me zou verlammen of niet. Hij wist precies waar we zijn moesten: in de kalksteen-grotten van het Peak District. We daalden af, volgden de route van de stroom die diep, diep, diep in de aarde gekerfd is, alsof we een lint door de aarde volgden. Maar het was prachtig. Vredig. Spannend. Ik voelde de claustrofobie in de verte, maar ze greep me niet beet.”

Er zijn directe gevaren – vallen, klem zitten. Daarnaast heeft wat onder ons ligt negatieve associaties: onder klinkt slechter dan boven. Vanwaar die culturele afkeer?

“Afdalen is tegennatuurlijk. Bij benedenwereld denk je aan gevangenschap, aan zwaar werk. Zelf kom ik uit Halam in Nottinghamshire, een mijnstreek. Mijn vader was daar longarts in de tijd dat Thatcher de mijnen sloot, een grimmige tijd. Onderaardse plekken zijn moeilijk, angstaanjagend. Dat zijn ze ook doordat ze in onze mythen worden geassocieerd met de dood, met de onderwereld. Veel culturen gebruiken bovendien het woord begraven voor het verbergen van trauma’s, daar staat Freud niet alleen in”.

Robert Macfarlane Beeld Patrick Post

Als het gaat om kennis, klinkt diepte juist positief: we spreken van diepgang, van graven naar de waarheid.

“In het Engels spreken we van een profound truth, een diepe waarheid. En over ‘ontdekking’, als je iets nieuws ‘aan het licht brengt’. We hebben het ook over understanding: je komt ergens ónder om het beter te leren kennen. Taal heeft zijn eigen verticale grammatica.”

Maar door klimaatverandering verandert de verticale dynamiek waarop we altijd hebben gerekend. Uit het smeltende permafrost steken lijken naar boven. Methaan ontsnapt uit het ijs. De onderwereld dient zich onverwacht aan, als een zombie. U noemt dat ‘obsceen’.

“Het obscene is dat wat niet vertoond mag worden, wat buiten beeld moet blijven. Daar hebben mensen wetten voor die zeggen: dit mag je niet laten zien. Maar het toont zich toch. Op Groenland zag ik een gigantisch stuk gletsjer afbreken. Nadat het gevaarte zich in zee had gestort, kwam er vanuit de diepste diepte een enorme ijszuil uit het water omhoog. Een zwarte zuil, want als ijs heel oud is, verliest het alle kleur, elk geheugen. Het was materie, pure materie. 

Om dat te zien, in zo’n warme zomer dat meteorologen letterlijk hun apparatuur moesten checken, was een hele vreemde ervaring. Nog nooit had ik zo’n uitgestrekt en uitgestorven landschap gezien als op die Groenlandse gletsjers. Tegelijk was het de meest kwetsbare plek op aarde. Het was onmogelijk die zuil uit de diepte niet te zien als een teken van verandering – van instorting. Horror in feite. Dit is een tijd van horror.”

In de natuur zoeken we het eeuwige, nu blijkt ineens dat we er zelf invloed op uitoefenen. Zo vond u op de meest verlaten stranden plastic. Geologen noemen dit tijdperk daarom het Antropoceen. Hebt u dat willen doen, het Antropoceen willen beschrijven?

“Als het niet te arrogant klinkt, ja. Dit boek beschrijft het vreemde, verwarrende tijdperk waarin we leven en zet het af tegen oudere lagen van onze beschaving. Het vraagt mij, het vraagt de lezer, wat wij straks achterlaten. Het boek gaat niet alleen over wat boven komt, maar ook over wat wij achterlaten aan sporen, herinneringen, trauma’s, afval.”

Nucleair afval bijvoorbeeld. Een van de duisterste plaatsen die u bezoekt is de onderaardse opslagplaats voor kernafval in Finland.

“Dat had ik verwacht toen ik erheen ging, dat het eiland Olkiluoto een heel duistere plek zou zijn. Maar het stemde me juist verrassend hoopvol. De Finnen doen daar wat onze soort altijd heeft gedaan: een gat graven, om er iets te verstoppen wat niet naar boven mag komen: kernafval. Maar ze doen dat heel slim. Ze hebben de gemeenschap erbij betrokken, ze hebben vooruit gepland, ze hebben nagedacht over generaties na hen, over de verre toekomst. Ze zijn goede voorouders. Daarom eindig ik dat hoofdstuk ermee dat mijn auto het daar op Olkiluoto begeeft, op een ijskoude en donkere weg, en dat er dan een man stopt om me te helpen. Dat was de slotsom van die reis, dacht ik later, niet het nucleaire afval, maar de man die een hand uitstak om me te helpen.”

U wilt benadrukken dat er reden is tot hoop?

“Ja. Dit is niet alleen een donker boek, het gaat ook over licht, of over hoe duisternis het mogelijk maakt iets te zien – als ik die paradox mag gebruiken. Daarom schrijf ik ook over het wood wide web, een ongelooflijk onderaards netwerk van schimmels, dat het bomen mogelijk maakt met elkaar te communiceren, zelfs om elkaar te helpen. De moderne wetenschap heeft er pas 25 jaar weet van en toch ligt dat netwerk vlak onder onze voeten. Daarmee staat het model voor alles wat we nog niet weten, wat we nog kunnen ontdekken, maar ook voor verbinding, voor wederkerigheid. Het is ook een hoopvol symbool voor de mens. We zijn soms een verschrikkelijke soort, maar ook een soort die in staat is tot samenwerken, tot vriendelijkheid, tot het delen van kennis, ervaring en bescherming.”

En ons beeld van de natuur? Het ‘wood wide web’ van elkaar helpende bomen contrasteert nogal met het idee van natuur als survival of the fittest.

“Ik wil geen idyllisch beeld van de natuur neerzetten, alsof dat het darwinistische zou moeten vervangen. Dan verberg je de duistere kant van de levende wereld. Het gaat erom dat we ons netwerk van woorden en metaforen uitbreiden. Dat is belangrijk, want we houden zelden van wat we niet kunnen benoemen. En wat we niet kunnen benoemen, kunnen we ook niet zien. Vanochtend zag ik in de lucht de eerste zwaluwen, die hebben Cambridge nog niet bereikt. Maar kennis van dieren en planten raakt vergeten. Daarom heb ik ‘The Lost Words’ geschreven, een boek met woorden die dreigen te verdwijnen, zoals ‘leeuwerik’. Door het woord-wijde web van gemeenschappen en individuen ligt dat boek nu in elke school in Schotland, en ook in veel Engelse basisscholen, verpleeghuizen, hospices. Kinderen trekken ermee naar buiten. Scholen maken grond vrij om ecologisch te tuinieren. Er verandert iets. Nooit had ik gedacht dat schrijven zo politiek kon zijn, maar nu besef ik dat cultuur verandering teweeg kan brengen op een manier waar politiek niet toe in staat is. Hét voorbeeld is David Attenboroughs tv-documentaire ‘Blue Planet’. Die heeft het plasticbeleid over de hele wereld veranderd.” Lacht: “Als we in Engeland een god hebben, is het waarschijnlijk David Attenborough.”

Robert Macfarlane Beeld Patrick Post

Toch wordt ecologische bezorgdheid in Nederland vaak gezien als een hobby van de elite.

“Dat was in Engeland ook zo. Natuurbeschermers werden gezien als mensen die ons willen terugduwen in een duister, pre-industrieel tijdperk. Als een rijke middenklasse die vooruitgang in levensstandaard wil tegenhouden. Maar dat is aan het veranderen, want onderzoek naar luchtvervuiling laat niks heel van dat verhaal. Kijk naar de kaart van Londen, het is monsterlijk, echt monsterlijk: juist in de armste wijken is de lucht het allerslechtst. De zwakkeren vangen de klappen op. Als je dat ziet, besef je dat je iets moet doen. Sociale en ecologische rechtvaardigheid groeien naar elkaar toe.”

Wat mij in uw boek opviel, is dat de speleologen, bosecologen en poolijs-specialisten die u ontmoet allemaal zo sympathiek overkomen. Totaal geen kille of arrogante betweters. Is dat uw manier om specialistische kennis van natuur en klmaat te verbinden met wat u het menselijk hart noemt?

“Ik verwijs met die portretten ook naar de literaire traditie van de gids in de onderwereld, een vast onderdeel van de benedenwereld-mythologie. Maar het waren ook écht aardige mensen. Ik vertrouwde ze volkomen, ik hield van ze. Maar ik hield ook van ze omdát het specialisten zijn. Zelf ben ik helemaal geen specialist, ik ben ‘alleen maar geïnteresseerd in alles’, zoals de dichter Les Murray zegt. Maar voor specialisten en wetenschappers koester ik net zulke warme gevoelens als voor schrijvers. Dat heb ik met dit boek ook willen zeggen: Mythologie en geologie zijn eigenlijk allebei vormen van wetenschap. Het zijn manieren om betekenis te geven aan het obscene, aan materie, aan dat wat zich aan het zicht onttrekt en waar zoveel kennis opgeslagen ligt.” 

Robert Macfarlane 
Benedenwereld. Reizen door de diepe tijd.
Vert. Nico Groen en Jan Willem Reitsma (Athenaeum, Polak & Van Gennep; 507 blz. € 27,50) 

Robert Macfarlane

Voor zijn debuut ‘Mountains of the Mind’ (2003) won Robert Macfarlane (1976) meteen drie prijzen. Zijn ‘onderzoek naar de relatie tussen ‘het landschap en het menselijk hart’ raakte een snaar. Daarna volgden ‘The Wild Places’ (2007) en ‘The Old Ways’ (2012). In ‘Landmarks’ (2015) en het kinderboek ‘Lost Words’ probeert Macfarlane het ecologisch vocabulaire van zijn taalgenoten te vergroten. Hij stichtte en steunt organisaties die mensen met de natuur in contact brengen, zoals ‘Gateway to Nature’. Momenteel werkt hij aan een boek dat laat zien welke vogels dreigen uit te sterven.

Lees ook:

Wandelend op zoek naar jezelf

Zomaar wat rondkuieren is voor de echte wandelaars niet genoeg. Je vindt ze op een pelgrimspad, het Pieterpad, en verlaten industrieterreinen in het Ruhrgebied.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden