InterviewPiet Oudolf

Piet Oudolf (76) is prominent tuinarchitect. ‘Planten zijn personages die je op een ­podium zet’

Piet en Anja Oudolf. Foto uit het boek ‘Oudolf Hummelo’. Beeld
Piet en Anja Oudolf. Foto uit het boek ‘Oudolf Hummelo’.Beeld

Na een jaar gedwongen thuiswerken verheugt tuin- en landschapsarchitect Piet Oudolf (76) zich op de Highline Camden, een park dat hij in Londen mag aanleggen. ‘De openbare ruimte is voor mij het allerbelang­rijkste geworden.’

Het ‘heimwee­gevoel’ noemt tuin- en landschaps­architect Piet Oudolf het: dat hij het afgelopen jaar een aantal tuinen heeft aangelegd, die hij zelf nog niet heeft kunnen zien. Zoals de Oudolf Garden in Detroit. “Het hoort gewoonweg bij het ritme van zo’n project dat je er op essentiële momenten zelf bent, om je heen kijkt en praat met de mensen die het aanleggen. Dat mis ik, dat directe contact met mijn eigen werk.’’

We spreken elkaar ook niet direct, maar via een computerscherm. Piet Oudolf is internationaal gelauwerd en geliefd ontwerper van onder meer de tuin rond Museum Voorlinden in Wassenaar, die bij museum Singer Laren en van vele buitenlandse projecten. Een man met een grote schare fans, vanwege die betoverende tuinen met ruisende grassen en vaste planten, waar in elk jaargetijde iets te beleven valt.

In New York verrichtte Oudolf een klein mirakel met de inmiddels wereldberoemde High Line: een park dat is aangelegd op een kilometerslange oude spoorlijn, die boven straatniveau door Manhattan slingert. Wie er ooit was, zal het niet snel vergeten: hoe je daarboven het tempo van de stad onder je vergeet als je er slentert door bossages, savanne-achtige stukken en open ruimtes beplant met vingergras, pijpenstrootje en zegge, anemoon, ijzerkruid, blauwe ster, glidkruid, koninginnekruid, blauwgras, ereprijs, zijdeplant, goudbaardgras, zonnehoed, iris en purperklokje.

De eerste blauwdrukken

Nu zit de tuinarchitect in zijn studio in de tuin in Hummelo. Achter hem lage kasten, gevuld met rollen papier met ontwerpen. Zijn uitzicht? Oudolf kijkt uit over weilanden, waar straks weer koeien lopen, aan de andere kant begint de befaamde tuin van 1,5 hectare, waar hij en zijn vrouw Anja Oudolf tot 2018 vele bezoekers ontvingen. De tuin waar de eerste blauwdrukken voor die typisch feeërieke Oudolftuinen ontstonden.

Oudolf Hummelo is ook de titel van het boek waarin ­Oudolfs leven en werk zijn opgetekend, en waarvan nu net een nieuwe editie is verschenen met alle bijzondere projecten van de afgelopen jaren. Zelfs de tuin in Detroit, waar hij zelf nog niet is geweest, staat erin.

Door de noodgedwongen rust in het afgelopen jaar beseft hij hoe hard hij de afgelopen tien jaar heeft gelopen, van het ene prestigieuze project naar het andere. “Ik heb zo veel werk. Als het straks weer mag, heb ik een stuk of tien projecten waar ik heen kan reizen. In Denemarken, op Menorca, in Zwitserland, bij het Vitra Design Museum in Duitsland. Ik ben er bijna een beetje bang voor. Wat komt er allemaal op me af? Ik hoef het eigenlijk allemaal niet meer te doen. Maar ik kan het niet ­laten.”

De High Line in New York, een park dat is aangelegd op een kilometerslange oude spoorlijn. Uit het boek ‘Oudolf Hummelo’. Beeld
De High Line in New York, een park dat is aangelegd op een kilometerslange oude spoorlijn. Uit het boek ‘Oudolf Hummelo’.Beeld

Uw tuinen zelf bezoeken, ergens écht zijn is belangrijk. In het boek Oudolf Hummelo staat uw bezoek aan de prairie habitats bij Chicago beschreven. Waarom was dat voor u zo overdonderend?

“Ja, dat was mooi en overweldigend. Ik leerde er veel van, hoe de planten en grassen samenwerken zonder ­elkaar weg te duwen, hoe ze zich handhaven en thuis voelen, je ziet een evenwicht dat constant verandert, een patroon, dat inspireert. Heel veel bloeiende Baptisia leucantha staat er. Bepaalde grassoorten en heleniums waar ik mee werk: Veronicastrum virginicum, Liatris ligulistylis, Helenium autumnale, Schizachyrium scoparium, Panicum virgatum, Asclepias tuberosa, Echinacea pallida zag ik daar. Als je planten die je zelf gebruikt, ziet in een omgeving waarin ze van nature voorkomen, dan kan dat heel emotioneel werken. Het doet iets met je.

“Er kwamen op dat moment ook veel dingen samen. Ik was toen, in 2002, bezig met Lurie Park, mijn eerste grote project in Amerika. Ik was er wel door geraakt, dat ik dat kon doen, in zo’n groot land. Dat mijn werk daar gezien werd als iets speciaals.”

Alles was nieuw wat ze deden, begin jaren tachtig, toen de jonge tuinontwerper en kweker, zijn vrouw en hun twee kinderen van Haarlem naar Hummelo verhuisden. In Hummelo was ruimte, daar konden ze op 1,5 hectare rond een oude boerderij beginnen met de aanleg van een tuin en kwekerij, en zich storten op het verzamelen en kweken van vaste planten. Die werden tot dan toe nauwelijks gebruikt in privétuinen en al ­helemaal niet in de openbare ruimte. Een tuin of park bestond uit bomen, gras, heesters en eenjarigen.

“We begonnen met niks”, blikt Oudolf terug. “We waren vooral bezig met zoeken. Dan gingen we naar ­Denemarken en Duitsland, zochten allerlei kwekers op die in onze ogen wereldberoemd waren en bouwden zo aan een collectie van vaste planten, die niet overal zomaar te krijgen waren.”

Ontwerper en kweker

Piet Oudolf (Haarlem, 1944) groeide op in Bloemendaal, vlakbij de heemtuin van Jac. P. Thijsse, een latere inspiratiebron. Na een hoveniersopleiding begon hij een ontwerpbureau en kwekerij, aanvankelijk in ­Haarlem, later in Hummelo.

De introductie en ontwikkeling van vele onbekende vaste plantensoorten is slechts een van zijn verdiensten. Zijn ­tuinen en parken ­bestaan uit steeds complexer samengestelde groepen planten en grassen.

In 2013 ontving Oudolf de Prins Bernhard Cultuurfonds Prijs. Met het prijsgeld richtte hij een groen-in-de-buurtfonds op om braakliggende stukken grond in de stad groen te maken.

In Oudolf Hummelo lezen we hoe Piet en collega-kweker Coen Jansen een week na de val van de Muur, in november 1989, spontaan de auto naar Berlijn pakten. Hun doel was niet hartje Berlijn maar Potsdam, Bornim om precies te zijn. Ze moesten en zouden daar de tuinen van hun grote idool, tuinfilosoof Karl Foerster (1874-1979), bezoeken. “Het toepassen van grassen en varens in tuinen begon bij hem”, zegt Oudolf. “Hij schreef daar een beroemd boek over. Het was een heuse pelgrimstocht. Helaas was er, behalve grote velden met blauwe irissen, niet veel van over.”

Een ontwerp van Piet Oudolf in de Amerikaanse staat Delaware. Uit het boek ‘Oudolf Hummelo’. Beeld
Een ontwerp van Piet Oudolf in de Amerikaanse staat Delaware. Uit het boek ‘Oudolf Hummelo’.Beeld

Bestond er toen u begon al zoiets als een ontwerpgemeenschap?

“Nee, er werd weinig uitgewisseld. Doordat wij open dagen organiseerden in Hummelo, werden wij al snel een centrum voor uitwisseling. In die tijd ontmoetten we ook voor ons belangrijke mensen als Henk Gerritsen van de Priona Tuinen en Rob Leopold van de Cruydt-Hoeck-zaden. Henk kwam hier bij ons terecht vanuit de wilde plantenwereld, hij was vooral door de natuur geïnspireerd en door zijn reizen. Het ging langzamerhand helemaal een andere kant op dan alleen maar plantjes verkopen. We maakten voorbeeldborders. Dat trok aandacht.”

In het boek lijken ze genereus, de kwekers.

“Nou, dat was niet altijd en overal zo, hoor. Soms kwam je bij een kweker met de vraag hoe hij een bepaalde plant had vermeerderd en dan wilde hij dat absoluut niet prijsgeven. Ik heb zelf nooit een beroepsgeheim gehad: uitwisselen en delen, ook persoonlijke dingen, vanuit je kennis, dat heeft mij altijd verder gebracht.

“Ik zeg niet dat mensen alles met mij moeten delen, maar ik doe het zelf gewoon wel. Ik voel me verbonden op momenten dat wat ik bedenk, samenvalt met andermans gedachten. Je wilt ook niet alleen zijn.”

In 1989 verscheen van Piet Oudolf en Henk Gerritsen het boek Droomplanten, de nieuwe generatie tuinplanten. Dat werd hun doorbraak. Nadat het in Zweden was uitgekomen, volgden de uitnodigingen uit het ­buitenland voor lezingen.

De eerste opdracht voor een openbare tuin kwam begin jaren negentig dan ook uit Zweden: een klein parkje buiten Stockholm. “Zo kreeg ik meer aanvragen voor de openbare ruimte, bijvoorbeeld voor de entree van de botanische tuinen in Toronto. En ook in Engeland werden we bekend. Mensen begrepen het niet altijd, ze dachten dat ik een kweker was die ook ontwerpen maakt, maar eigenlijk was ik van oorsprong altijd al een ontwerper die ging kweken.”

Was dat wat u wilde en nastreefde, zo’n internationale loopbaan?

“Nee, helemaal niet. Als ik erop terugkijk: ik had wel een drive, een focus. Kijk, als je niet kunt schrijven en niet kunt schilderen… ik voelde dat ik meer kon met planten dan alleen verzamelen, dat ik mezelf met planten kon uitdrukken. Ik kan met planten iets laten zien wat een ander niet kan. Ik keek naar het werk van beroemde tuinontwerpers als Mien Ruys en Ton ter Linden, en ik dacht: dat kan ik ook, op mijn manier. Via de planten kon ik blootgeven wat ik in me had.”

Dat klinkt ook al meer naar kunstenaarschap.

“Ja, dat wordt wel gezegd ja, zolang het maar geen kunstenmaker is, haha. Het gaat om die expressie, dat is nog steeds zo. Planten liggen heel na aan mijn hart, elke plant op zich, het zijn personages die je op een ­podium zet, waar je iets mee maakt wat andere mensen motiveert, wat ze iets doet.”

In deze krant zei een vrijwilliger van de Vlinderhof, een tuin van u in het Máximapark in Leidsche Rijn, dat mensen soms flauwvallen in uw tuinen, zozeer worden ze geraakt. Wat vindt u daarvan?

“Dat hou ik een beetje bij me vandaan. Ik ben vrij nuchter. Ik weet dat tuinen, planten veel met mensen doen. Ook in slechte tijden kun je je daar beter door gaan voelen. Ik kan me ook voorstellen dat mensen van verbazing opkijken als ze in een nieuwe ruimte komen, dat je van een tuin die je niet alle dagen ziet even euforisch wordt of in de tranen schiet. Dat gebeurt gewoon. Mij gebeurt het ook. Ik kan door mijn eigen tuinen en werk lopen met het gevoel dat ik het niet zelf gemaakt heb.”

Uit het boek ‘Oudolf Hummelo’. Beeld
Uit het boek ‘Oudolf Hummelo’.Beeld

Oudolf heeft zich los gemaakt van de ‘softe pornografie van de bloem’ schreef The New York Times eens. Hij is niet zozeer in bloei en kleur geïnteresseerd, maar in de hele levenscyclus van de plant, en hoe die veroudert in de loop van een jaar. Tijd speelt een grote rol in zijn werk. Zoals in een lang huwelijk moeten zijn composities blijven samenleven – en samenwerken als de ­onderdelen ervan verouderen.

Dankzij u zijn verval en afsterven erbij gaan horen.

“Zou jij in deze tijd van het jaar alles al in bloei ­willen zien? Het verstrijken van de tijd, het verval, dat hoort erbij. De vierde dimensie is dat voor mij. Mensen waren vroeger gewend de tuin te zien als decoratie. Er mocht niets uitgebloeid zijn. In november werd alles ­teruggeknipt, dan ging het turfstrooisel erover en werden er viooltjes geplant, dan had je in de winter tenminste nog wat in bloei. In de jaren tachtig gingen we daar al vanaf, dat er geen gaatje in je blad mocht zitten, bloemen niet bruin mochten worden.

“De vier seizoenen als levenscyclus moest je juist benutten, het opkomen, in volle bloei zijn en het weer verdwijnen, zoals je dat onbewust ook in je eigen leven voelt. Dat is het mooie van het klimaat waarin we hier leven.”

Oudolf zou de klok rond kunnen werken, maar tachtig procent van de aanvragen wijst hij af. Hij doet ­alleen nog projecten die hij interessant vindt.

“Die openbare ruimte is voor mij het allerbelang­rijkste geworden. De nieuwe tuin in Detroit is er gekomen dankzij een grote gemeenschap die daar achter stond. Net als bij de Vlinderhof in Leidsche Rijn die je net noemde, met al die vrijwilligers. Dat loopt daar ook enorm goed. Er hoeven maar twee mensen bij te zijn met echt verstand van zaken. Ze hebben mij verder niet nodig. Ook de High Line in New York wordt op die manier gedragen.

“Met het bureau van de High Line, James Corner Field Operations, beginnen we nu aan de Highline Camden in Londen. Een oude spoorlijn tussen Kings Cross en Camden Town, dwars door een sociaal heel gedifferentieerde wijk. Dit project is wat meer op de bevolking gericht, al was de High Line in New York eerst ook vooral bedoeld als een buurtproject. Dat werd getorpedeerd door projectontwikkelaars, die rechten hadden om daar te bouwen. In Londen ligt dat anders, daar gaat alles in overleg met de buurt en buurtbewoners. In 2024 moet het af zijn. Dat vind ik wel mooi hoor, dat er zo veel meer gebeurt dan alleen de aanleg van een park. Terwijl ik er nu over praat, voel ik een enorme prikkeling, dat is toch fantastisch!”

null Beeld
Beeld

Piet Oudolf en Noel Kingsbury
Oudolf Hummelo
Vert. Rien Meijer
Noordboek;
432 blz. € 29,95

De nieuwe editie is aangevuld met ­recente projecten in onder meer Engeland, Denemarken en de ­Verenigde Staten.

Lees ook:

Tuinarchitect Mien Ruys zorgde ervoor dat de siertuin niet langer het domein was van de elite

Ze had bijnamen als ‘Schuine Mien’ en ‘Bielzen Mien’. Tuinarchitect Mien Ruys zorgde ervoor dat de siertuin niet langer het domein was van de elite. Er is nu een derde biografie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden