Krekel in de kamer

Onze steden zitten vol gevaarlijke exoten en nutteloze stadshaters

De blauwe metselbij.Beeld Menno Reemer

De stad zit vol insecten, die je op het platteland niet snel aantreft. Entomoloog Roy Kleukers bracht er inmiddels duizenden in kaart, maar betwijfelt wel hun nut.

De insecten in de stad zijn goed voor de biodiversiteit en de liefde voor de natuur, maar hebben weinig nut voor de rijkdom van de échte natuurgebieden. “Niet dat er geen leuke beesten voorkomen. Echte stedelingen. Wat te denken van de stadsreus, een enorme zweefvlieg die op de gevreesde hoornaar lijkt, of de blauwe metselbij, een bijtje dat veel nestelt in bijenhotels”, zegt entomoloog Roy Kleukers van EIS Kenniscentrum Insecten.

Hun ecologische waarde mag dan relatief zijn, het enthousiasme van Kleukers voor ‘stadsinsecten’ is er niet minder om. “De huiskrekel, ook zo eentje. Zijn geluid, pri pri pri, kun je echt alleen maar in verwarmde ruimten horen. Geinig hoor, zo’n krekel in je huiskamer. Voelt toch een beetje aan als op vakantie. Geinige insecten, maar ook knap vervelende. Zoals de oprukkende plaagmier, een miertje met enorme graafwoede. Ontstaan complete verzakkingen door…”

Kleukers deed de afgelopen tijd onderzoek naar de insectenbevolking van de stad. Nog lang niet uitputtend, hij bekeek 2614 van de ongeveer 24.000 soorten insecten en andere kleine beestjes die in ons land leven. De eerste lijnen zijn zichtbaar. “Er zijn echte stedelingen, maar ook regelrechte stadshaters.”

De huiskrekel, veelgehoord in woonkamers. ‘Zijn geluid, pri pri pri, kun je echt alleen maar in verwarmde ruimten horen.’Beeld Roy Kleukers

De mijten, luizen, vlooien, dansmuggen en tal van andere groepen hebben we nog niet echt goed bekeken dus de groep stedelingen wordt ongetwijfeld nog veel groter. Denk alleen al aan de kattenvlo, de meeltor en het zilvervisje en de huisstofmijt.”

De stad is vol insecten. Een doorsnee-huis, dus niet een van een verloederd, vervuild persoon, kent al gauw zo’n honderd soorten ongewervelde medebewoners, schat Kleukers. “Meer dan 100.000 individuen heb je zo.”

Soortenrijk

Een zoektocht in eigen huis ­levert een flink aantal ongewervelde medebewoners. Om maar een paar te noemen: huisvlieg, huisspin, WC-motmug, springstaarten, vlooien op kat en hond, kelderpissebed, tapijt­kevers, zilvervisjes, hoofd-, stof- en/of bladluis, meelworm, fruitvlieg, bladpootwants, grote trilspin en nog veel en veel meer.

Rotsformaties

Het stedelijk gebied is voor insecten wel wezenlijk anders dan het buitengebied, legt Kleukers uit. Buiten vind je vooral klei en veen terwijl de stad zich kenmerkt door stenen en andere ‘rotsformaties’. Het is er warmer, er groeien vreemde planten zoals platanen en gekweekte tuinplanten en er hangen kunstmatige bijenhotels. De stad is anders en de bevolking daarmee ook. De vreemde planten brengen de plataannetwants op de platanen, de wikkebij op de wikke en het vetplantgitje op hemelsleutel. Moeiteloos verlengt de entomoloog de bijna poëtische lijst van ongewervelde echte stadsbewoners. De bonte knotswesp is als parasiet van bladsnijderbijen gebonden aan bijenhotels terwijl de grote muurspinnendoder net als haar spinnenprooien zelf muren tot favoriet leefgebied heeft verkozen. De eerste drie plus onder meer de iepenwants leven zelfs uitsluitend in de stad; in de natuur zul je ze niet tegenkomen. De witvoetmier en de faraomier zijn alleen binnenshuis en in kassen te vinden.

De plaagmier. ‘Miertje met enorme graafwoede. Ontstaan complete verzakkingen door.’Beeld Roy Kleukers

Naast de echte stedelingen zijn er natuurlijk ook pertinente stadshaters. Wrattenbijter, sierlijke witsnuitlibel of speerwaterjuffer tref je nooit ‘binnen de stadsmuren’. Hoogstens opgeprikt en dood in een wetenschappelijke collectie of museale omgeving.

Nieuwkomers

De ongewervelde stadsbevolking groeit flink, constateert Kleukers. De afgelopen tien jaar kwamen er, zo schat de ecoloog, tientallen soorten bij. “En de stedelingen zijn echt niet allemaal exoten”, constateert hij. Ongeveer een derde komt van oudsher in de stad voor, bijvoorbeeld omdat ze gebonden zijn aan algemene planten die binnen en buiten de stad groeien. Een derde is recent op eigen kracht in het stedelijk gebied terechtgekomen, vaak als gevolg van de opwarming. De stadsreus bijvoorbeeld. Deze, met zijn drie centimeter, forse zweefvlieg is op eigen vleugels vanuit het zuiden naar ons land gevlogen.

What’s in a name

Soms is stads niet stads. Ondanks hun naam komen de tuinhommel en tuinspinnendoder niet speciaal veel in de stad voor. Tuinbladsnijder, tuingitje, stadsreus en huiskrekel mag je wel met recht stedelingen noemen.

Een derde van de stedelijke nieuwkomers is door de mens al dan niet moedwillig geïntroduceerd; de soms schadelijke exoten. Zo lijkt het Aziatisch lieveheersbeestje te concurreren met inheemse lieveheersbeestjes en kunnen exotische mieren voor enorme bestrijdingskosten zorgen in woonwijken. “Een heel klein deel van de stadsbewoners is wat je schadelijk zou kunnen noemen, het overgrote deel draagt gewoon mooi bij aan de stedelijke biodiversiteit. Ze brengen de natuur dichter bij de stedeling. De ‘buitenwereld’ heeft er niet veel aan, de zeldzame soorten al helemaal niet.” De top-20 van de stadsinsecten is zo’n beetje het onkruid onder de insecten. Dieren die het overal wel best vinden, natuurlijk mits er eten en schuilplekken te vinden zijn.

Honkvast

Omdat de stad zo afwijkend is, kunnen de stedelingen nooit in het buitengebied aarden net zomin als de echte bijzonderheden van de natuurgebieden zoals de veenmier, sierlijke witsnuitlibel of kleine groene sabelsprinkhaan het in de stad uithouden. Daarmee kan de stad nooit als brongebied voor zeldzame en dus kwetsbare buitenbeesten dienen, noch als stapsteen voor de minder gangbare ongewervelden die van het ene naar het andere natuurgebied willen springen. “Maar dat betekent óók dat de echte stedelingen nooit een gevaar kunnen worden voor zeldzame insecten in de natuurgebieden zoals de grote, groene glazenmaker of blauwvleugelsprinkhaan. Elk nadeel heeft zijn voordeel.”

Lees ook: 

Mooiste flora staat gewoon op straat

Bijzondere plantensoorten staan niet alleen in natuurgebieden, maar verrassend vaak als onkruid tussen de straatstenen. De doorsnee stedeling begint deze ‘gewildgroei’ steeds meer te waarderen, merkt Ton Denters, schrijver van de nieuwe Stadsflora van de lage landen.

Londen is vanaf vandaag een National Park. ‘Stadsmensen raken de verbinding met de natuur kwijt’

Londen noemt zich ‘nationale parkstad’. ‘Wat als je zou kunnen zwemmen in de Thames?’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden