ReportageDijken

Nederland is een dijkenland, maar de dijken zijn véél te groen

Dijkbloemen in de Ooijpolder.Beeld Cyril Liebrand

Dijken zijn onmisbaar in het Nederlandse landschap. Maar ecologisch zijn ze te vaak de dood in de pot. Een monotone grasbegroeiing ondermijnt bovendien de stevigheid. Kan dat niet wat beter?

Extreme droogte, plens en de algemene teloorgang van biodiversiteit. Zie hier de perikelen van Rijkswaterstaat, de waterschappen en andere dijkbeheerders. “Inderdaad. Grote problemen. Maar met een goede dijkaanleg en slim dijkbeheer is het allemaal in één keer te attaqueren. Het kan en gebeurt. Steeds vaker en steeds meer. Er is nog een lange weg te gaan, maar het tij keert.”

Zie hier het optimisme van Peter Boone, ­beleidsmedewerker van Waterschap Vallei en Veluwe. Een positieve kijk die gedeeld wordt door Cyril Liebrand van ecologisch advies­bureau EurECO en Constant Swinkels, junior ­onderzoeker bij de Radboud-universiteit in Nijmegen.

Nederland is een dijkenland. Ons land telt 17.786 km dijken met een gezamenlijke oppervlakte van tienduizenden hectares. De bedijking begon rond het jaar 1000. Eeuwen achtereen werd hiervoor grond uit de directe omgeving gebruikt; klei in het westen, zand in het oosten. De verhogingen waren waterkering én werden door boeren gebruikt als wei- en hooiland. Boone: “Zeker op de schrale dijken leverde dat beheer mooie, bloemrijke ­dijken op vol veldsalie, wilde marjolein en grote centaurie. De kleidijken waren ‘minder mooi’, maar kenden nog steeds botanische variatie.”

De dijken verruigden, bijzondere planten verdwenen

In de jaren vijftig kwam een kentering. Het dijkbeheer werd intensiever: herbiciden, bemesting en beweiding met schapen. Het maaibeheer werd juist extensiever in de vorm van klepelen, waarbij het stukgeslagen gewas op de dijk achterblijft en deze dus bemest. De dijken verruigden hierdoor; bijzondere planten verdwenen. “Allemaal negatief voor de insectenrijkdom. Die kelderde dan ook achteruit”, brengt Liebrand in. “Meer dan wat fluitenkruid valt er op zulke dijken niet te vinden. Daaronder groeit niets, wat ook nog eens de erosie­bestendigheid van de dijk aantast.”

Dijkbloemen in de Ooijpolder.Beeld Cyril Liebrand

Slechts zo’n 10 tot 15 procent aan echt bloemrijke dijken bleef over. Het merendeel werd voor insecten en bijzondere flora totaal ongeschikt.

Ecologische misère. De ‘watersnood’ van de ­jaren negentig bracht niet direct verbetering. De angst voor desastreuze overstromingen leidde tot grootschalige dijkverzwaring. Met zware klei werden de dijken verhoogd, van flauwe taluds voorzien en ingezaaid met gras. De flauwe taluds geven stevigheid. “Geen bij te zien”, schetst Swinkels de situatie. “Er ontstonden groene woestijnen.”

Wonderlijk genoeg was het de angst voor erosie die de natuur terugbracht op de dijken. Angst én het groeiend ecologisch benul bij een aantal waterschappen en een oproep vanuit Wageningen IVN en Universiteit en verontruste burgers.

Onderzoeken wezen uit dat een betere beveiliging tegen hoogwater en verbetering van de botanische rijkdom wel degelijk samen kunnen gaan. Een nagenoeg monotone grasbegroeiing ondermijnt de stevigheid: het gewas wortelt ondiep. “Beneden de 20 centimeter diepte is geen wortel te zien. Kruiden hebben vaak een penwortel en verkleinen de droogtegevoeligheid. Meer bijzondere planten, meer insecten. Natuurbeheer werd zo van last een lust”, constateren Swinkels en Liebrand. 

De bloemen en insecten kwamen terug

Door inzaai met een bloemrijk mengsel, passend bij de regio en bodem, of opbrengen van maaisel van een van de zeldzame nog wel mooie dijken, gecombineerd met het niet langer één keer en rigoureus maaien maar twee keer en gefaseerd, kwamen de bloemen en daarmee de insecten terug. Eerst ‘gewone’ flora als gele morgenster en knoopkruid, later onder meer rapunzelklokje, veldsalie en kattenkruid.

Bloemen en bijen zijn terug in de Ooijpolder.Beeld Cyril Liebrand

Uit onderzoek van Swinkels blijkt hoe groot het effect kan zijn van ecologisch dijk­beheer. Op het traject tussen Ewijk en Nijmegen trof hij, op één moment, 78 soorten bijen (997 individuen) aan. Hieronder 14 Rode Lijstsoorten waaronder de knautiabij, die overigens alleen in Zuid-Limburg voorkomt. Binnen de 78 ook 17 broedparasieten. De aanwezigheid van broedparasieten – wespbijen die eieren leggen in de broedcel van een bij – toont aan dat er voldoende rust en tijd is voor de insecten om hun levenscyclus te voltooien.

Ook voor de zuidelijke soorten zoals de breedbandgroefbij, die dankzij de klimaatverandering bezig is aan een opmars, zijn de dijken belangrijk. De weidebij en bontewespbij zijn zelfs alleen op de dijken te vinden.

Het onderzoek betrof alleen bijen, maar is volgens de ecologen Swinkels en Liebrand te extrapoleren naar veel meer insectensoorten. “De dijken zijn dus belangrijke snelwegen voor insecten en daarmee voor muizen en andere dieren”, concludeert Liebrand. Vaak omgeven door agrarische woestijnen geven de dijken de mogelijkheid van het ene naar het andere natuurgebied te migreren. Het zijn bovendien leefgebieden op zich.

Maar, zo merkt Boone, ook grasregisseur bij Stowa (Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer) op, met beheer alleen ben je er niet. “Al bij de aanleg van de dijk moet ecologie een rol spelen. Op zeer zware klei gedijen bloemen niet. Het is beter de bovenlaag van lichtere grond te maken. Ook uit waterstaatkundig oogpunt. Zware klei scheurt makkelijk bij droogte en herstelt maar langzaam. Zanderige taluds drogen sneller en zijn daardoor warmer en dus aantrekkelijker voor insecten.”

‘De dijken zijn belangrijke snelwegen voor insecten en daarmee voor muizen en andere dieren.’Beeld Cyril Liebrand

Een goede aanleg plus goed beheer kan volgens het drietal 98 procent van de oorspronkelijke, waardevolle dijkvegetatie terugbrengen met planten als wilde marjolein, blauwe bremraap en duifkruid. Boone: “Ecologisch een enorme verbetering, maar natuurlijk altijd onder voorwaarde dat de waterveiligheid gewaarborgd is. Waterkering is en blijft de belangrijkste functie van de dijken, hoe groen het hart ook is.”

‘Op de helft van de dijken valt nog niets te beleven’

Het wiel lijkt uitgevonden, maar nog lang niet alle waterschappen hebben het licht gezien, valt uit het relaas van de dijkenkenners op te maken. Van alle dijken is nu zo’n 15 procent ecologisch in orde en 35 procent is ‘in transitie’. Boone: “Maar op de helft van de dijken valt nog bijzonder weinig natuurlijks te beleven. Vooral de waterschappen met veel agrariërs in het bestuur zien nog weinig in de dijken nieuwe stijl. En voor zeedijken geldt dat de veiligheid het enige is wat telt; concessies zijn niet mogelijk.”

Toch zijn de mannen optimistisch. Het tij keert, getuige ook de animo bij aannemers en dijkbeheerders voor de kennisdag biodiversiteit en dijkbeheer van de Stowa eerder dit jaar, en het groeiend aantal dijkbeheerders dat ‘overstag gaat’. Liebrand: “Ecologische dijken hebben de toekomst. Wacht maar af.”

Na uren binnen popelen de mannen om nog even op de dijk te kijken. Een dijk in een wonderschoon, want overstroomde Ooijpolder vol vogels. Het drietal gunt de polder een korte blik en zijgt dan op de knieën: “Jammer. Niets bijzonders.”

Lees ook: 

Bomen op dijken vertellen het verhaal van een verdwijnend landschap

Fotograaf Loek Buter maakt verrassende portretten van bomen op dijken. Een oer-Hollands fenomeen, zegt hij. Nog wel.

Innige band met de slingerende Maas

De Maasdijken moeten worden aangepakt. De dijken met de grootste risico’s eerst. Die tussen Ravenstein en Lith staat hoog op het lijstje. Gelijktijdig ontstaat er meer natuur.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden