Essay De natuurwandelaar

Natuurwandeling botst op het ongerepte

Te voet

Ga je van het gebaande pad af? Dat is niet verstandig.

Mijn eerste langeafstandswandeling ging door de Apennijnen. Omdat de wandelpaden die op onze verouderde militaire stafkaarten stonden onvindbaar waren, liepen we vrijwel constant op het asfalt. Het jaar erop ging het beter. In het Spaanse Asturias werden de paden nog door dorpsbewoners gebruikt, zij wezen ons de weg. Maar het summum, dacht ik, zou het hooggebergte worden: de Alpen. Daar was geen asfalt en zocht je zelf je weg. Je kwam er op plekken waar nooit iemand was geweest. Niets was minder waar. De natuurwandelaar, ontdekte ik, staat op gespannen voet met het ongerepte.

Hoe lastig ongebaande paden zijn weet iedereen die wel eens van pad, route én de kaart is geraakt en, onderweg naar de col, de verkeerde flank van de rivier koos om op een ijzige rots – en reken maar dat op dat moment een storm opsteekt en regen, nee hagel, je wangen geselt – te ontdekken dat er in geen velden of wegen een col te vinden is, en je begint te vrezen dat aan gene zijde van de kam (die je in de mist nu ook al niet meer ziet) de afgrond wacht zodat er maar één ding op zit: teruggaan, als dat lukt. Vaak ben je dan al te laat, want ook al weet je dat nooit een route moet gaan die je niet ook terug zou durven lopen, je deed het toch.

Onze geest als landschap

In ‘De oude wegen’, treedt Robert Macfar­lane in de voetsporen van wandelaars en schrijvers en ontdekt hoe lopen ons denken en ons (wel)zijn beïnvloedt. Met elke stap die we zetten verbinden we ons, letterlijk, aan de grond, de natuur, maar ook aan de geschiedenis: aan onze voorgangers en het verleden dat in het (cultuur)landschap verankerd ligt. Onze geest is een soort landschap en wandelen is een middel om er doorheen te trekken.

Op een tocht over de kammen van de Grey Corries in Schotland besluit hij een voetspoor te volgen dat midden in een sneeuwveld begint, ‘alsof de maker vanuit de lucht het land op was gestapt’. Het gaat bergafwaarts en leidt naar afgelegen terrein tot aan een ‘drie meter hoge, loodrechte geul van keihard ijs, die abrupt ophield op een smal terras boven een stenen afgrond van ruim twintig meter’. Tegen beter weten in gaat hij de geul in. Met zijn gezicht naar de wand schuifelt hij over een richel die steeds smaller wordt en ten slotte ophoudt. Paniek overvalt hem. Onder hem de afgrond, achter hem een route die hij onmogelijk terug zou kunnen lopen, voor hem onbegaanbaar terrein waarop evenwel die verdomde voetstappen nog altijd doorgaan. Drie minuten staat hij daar met handen en voeten steun te zoeken op een zeventig graden steile helling. Uiteindelijk besluit hij dat de dood waarschijnlijk eerder voor hem ligt dan achter en klimt hij zich, stap voor stap, een weg terug uit de penarie.

Het mysterieuze sneeuwspoor in de Grey Corries is pad noch route en bijna net zo ongerept als het terrein waarnaar het leidt. Routes en paden daarentegen zijn per definitie verre van ongerept. Hoe ruig de natuur om ons heen ook is, zo lang we op de paden en de routes blijven, bevinden we ons op getemd terrein. Vanaf ons spoor, die kronkelende lijn van cultuur, aanschouwen we de vrije natuur die overal is, behalve daar waar we ons bevinden.

Beeld Daniel Roozendaal

Ze stikt bijna

In de film ‘Monos’, die even gruwelijk als mooi is – houdt een groepje verwilderde, veel te jonge guerrillastrijders in de jungle van Colombia een arts gegijzeld. Zij ontsnapt en hakt zich, op zoek naar haar vrijheid, een weg door de jungle en raakt hopeloos gevangen. Ten prooi aan duizenden muskieten die het op haar hebben voorzien – ze zoemen, steken, vallen haar aan – stopt de doctora haar hoofd in een plastic tasje waarin ze bijkans stikt. Wonder boven wonder vindt ze een hangbrug over de kolkende rivier. Hij moet wel aansluiten op paden die haar vroeg of laat naar de bewoonde wereld leiden. Haar opluchting is van korte duur, want daar aan de andere kant van de brug wachten – hoe kan het ook anders – de guerrillastrijders haar op.

‘De laatste wildernis’, dat Macfarlane vóór ‘De oude wegen’ schreef en ik in omgekeerde volgorde las, gaat over zijn verlangen naar en ontzag voor het ongerepte dat hij aanvankelijk nergens lijkt te vinden. “Elk eilandje, elke bergtop, elk verborgen dal of bosgebied”, concludeert hij moedeloos op pagina 145, “is op enig moment in de afgelopen vijfduizend jaar wel door de mens bezocht, bewoond, bebouwd dan wel gemarkeerd.” Nog geen dertig pagina’s later bevindt hij zich op de top van de Ben Hope (what’s in a name) in de Schotse Hooglanden. De plek voldoet aan zijn ‘visioen van wilde natuur’, maar hij weet niet hoe snel hij er weg moet komen. “De troosteloze sneeuwvelden, de bevroren rotsen: het gebied was me niet vijandig gezind, verre van dat. Het stond alleen maar onverschillig tegenover me. Hier was geen enkele verstandhouding.”

Op een nachtwandeling in het Lake District lukt het hem wel contact te maken. Het maanlicht op de sneeuw, de opkomende zon; hij raakt betoverd door het bovennatuurlijke. Maar misschien kwam het ook, schrijft hij, omdat hij maar een uur van de bewoonde wereld was verwijderd. Nog dichter bij huis, midden in een cultuurlandschap, vindt hij opnieuw wat hij zoekt. Aan de kant van de weg gaat hij ín een haag van sleedoorns zitten, waar hij kijkt en luistert naar het gekrioel van al dat leven in de heg. Daar, in die wildernis in de marge van ons bestaan, verdwijnt de tegenstelling tussen cultuur en natuur, tussen tuin en wildernis. In beide horen we thuis, beseft hij. De wandelaar wil zich thuisvoelen in de natuur, er niet door worden opgeslokt of afgewezen, maar er één mee worden: dat de grenzen vervagen en je samenvalt met het landschap.

“Als je uur na uur loopt”, citeert Macfarlane schrijver Nan Sheppards, “loop je je vlees transparant.” In de bergen is zij het verlangen voorbij. “Het is geen extase. Ik treed niet buiten mijzelf, maar in mezelf. Ik ben.”

Dichter Edward Thomas verbindt zich zelfs met het weer: “de wind, de regen, de natte weg en het vitale lijf en het bezielde brein en wat ze hebben geschapen… Wij en het slechte weer waren één.”

Zou het toeval zijn, vroeg ik me nog af, af dat Macfarlane op vrijwel alle mooie plekken die hij beschrijft, melding maakt van wolken hinderlijke knutjes, zodat wij, zijn lezers, wegblijven uit dat aangeroerde paradijs?

Robert Macfarlane
De oude wegen
Vert. N. Groen, M. Versluys 
De Bezige Bij; 463 blz. € 25,99

Robert Macfarlane
De laatste wildernis
Vert. N. Groen
De Bezige Bij; 320 blz. € 20,99

Lees ook:

De mooiste wandelingen van Nederland

Grasduinen in de mooiste wandelingen die in deze krant verschenen zijn, en dan er eentje uitkiezen.

Lees meer wandelverhalen in ons dossier Te voet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden