Collectie Naturalis: de meeste dieren in de collectie die Naturalis beheert zijn geen natuurlijke dood gestorven, maar omgebracht om  in de collectie te kunnen bijzetten

Museum Naturalis

Na anderhalve eeuw van pech, overmoed en onkunde herbergt Naturalis nu ‘puur goud’

Collectie Naturalis: de meeste dieren in de collectie die Naturalis beheert zijn geen natuurlijke dood gestorven, maar omgebracht om in de collectie te kunnen bijzetten

Museum Naturalis in Leiden bestaat 200 jaar. Het museum behelst een enorme en toonaangevende collectie, die vaak op opzienbarende wijze tot stand kwam. 

Het ziet er gelikt uit, al die glanzende potten vol dode dieren, die enorme vitrines met opgeprikte vlinders en gedroogde bloemen, de skeletten van oer- en ‘nu’-beesten en laden vol opgeprikte insecten. Gelikt, schoon, keurig en opgeruimd; de meer dan 42 miljoen planten, dieren, stenen, houtjes en skeletten van museum Naturalis.

De expedities zijn navenant. Getooid in efficiënte kleding en voorzien van moderne navigatieapparatuur, mobiele DNA-labs, microscopen, droogmachines en ledlampen trekt de wetenschapper van nu door oerwoud, grot, zee, gebergte en woestijn.

Hoe anders was dat de eerste anderhalve eeuw van het jarige museum Naturalis. Een terugblik brengt een litanie aan pech, overmoed, onkunde en gebrek aan kennis. Van beschimmelde, verrotte, verdroogde collecties en persoonlijk leed.

Collectie Naturalis: de werkruimte met laboratorium aan boord van de Hr. Ms de Siboga, het expeditieschip dat in Nederlands-Indië eind negentiende eeuw aandeed.

“Natuurlijk zijn de meeste expedities goed verlopen, maar eerlijk is eerlijk, er ging nogal eens wat mis”, constateert Menno Schilthuizen, hoogleraar evolutionaire biologie verbonden aan Naturalis en samen met Freek Vonk schrijver van het jubileumboek ‘Wie wat bewaart – twee eeuwen Nederlandse natuurhistorie’.

Nietsvermoedend en onervaren

Het begon net nadat de eerste voorloper van Naturalis, het Rijks Museum van Natuurlijke Historie, was opgericht (1820) en achttien jonge biologen met de eerste expeditie naar ‘de oost’ meegingen. Nietsvermoedend en onervaren. “Uit een romantisch idee van groot avontuur. Slechts zeven van de achttien kwamen terug. Een werd er opgespietst aan een speer, een ander viel ten prooi aan een nijlpaard, een derde werkte zich letterlijk dood.”

Collectie Naturalis: de weekdierdeskundige Mattheus Marinus Schepman schreef de Siboga-monografie over de zeeslakken.

Ook verdwalen lag op de loer. Slechts voorzien van primitieve kaarten zwierven de wetenschappers door dichte oerwouden. “Eén keer niet opletten en je kon het wel vergeten.” Zo raakte een vlinderconservator in het regenwoud van Vietnam volkomen de weg kwijt en werd pas na dagen teruggevonden. Dat verdwalen is ook nu zelfs nog een van de grote gevaren. Nog onlangs maakte een groepje angstige nachtelijke uren door in Borneo, omdat de navigator zijn gps verkeerd had ingesteld. Schilthuizen heeft er ook ervaring mee. Op pad in Maleisië (met vrouw en jonge kinderen) week hij, afgeleid door een intrigerend insect op een paddenstoel, even van het toch al vage pad af om pas tien minuten voor de duisternis in zou vallen, de weg terug te vinden.

Het verzamelen ging er lang niet altijd ‘zachtzinnig’ aan toe. Zoogdieren, vogels, reptielen en vissen; ze werden zonder pardon geschoten en gedood. Zo schrijft de ornitoloog Johann Büttikofer als hij, op zoek naar franjeapen, in 1881 door de binnenlanden van Liberia trekt: ‘Dus zocht ik een goed uitziend exemplaar uit en zond hem uit mijn groot apengeweer [….] eene lading schroot tot morgengroet’. “Zelfs nu nog wordt door onderzoekers geschoten. Niet bij ons. Naturalis schafte dit decennia geleden al af”, merkt Schilthuizen op.

Ongemakken

Ontdekkingsreiziger zijn klinkt avontuurlijk, benijdenswaardig, maar verkijk je niet, waarschuwt de wetenschapper die zelf ook tientallen expedities op zijn naam heeft staan. Zo kropen grottenkeversonderzoekers met brandende carbidlampen op hun hoofd als rupsen door nauwe gangen, hopende dat ze niet in een sinkhole zouden donderen en ploeterden onderzoekers naar hagedissen weken achtereen door de woestijnen, zandstormen en watertekorten trotserend. En zeker niet altijd met succes.

Collectie Naturalis: verzamelen, prepareren, etiketteren; tijdens een Sterrengebergte-expeditie in 1959 werd dag en nacht hard gewerkt om zoveel mogelijk biologisch materiaal van unieke locaties in het binnenland van Nieuw-Guinea veilig te stellen.

Ongemakken die volgens de evolutiebioloog echter in het niet vallen bij die van de honderden koelies die op blote voeten, tegen schamele beloning en nog miserabeler ‘huisvesting’ de hele uitrusting over berg, door oerwoud en woestijn sjouwden, niet zelden met de dood tot gevolg. Sommige onderzoekers maakten het wel erg bont. Zo liet botanicus Caspar Reinwardt zich comfortabel door vier inlanders in een stoel een berg op dragen. Een vijfde voorkwam te veel schommelen van de stoel.

Zo moeizaam als het verzamelen, zo problematisch bleek het conserveren af en toe, zeker in de vochtige, warme tropen. Kadavers beschimmelden rap en kwamen overdekt met schimmelpluis in Nederland aan.

Collectie Naturalis, natuurvorser en verzamelaar Johann Büttikoffer op expeditie op Borneo in 1894 met koelie en een jager. Hij schreef: ‘Ik wil niet verzwijgen dat ik bijna dagelijks apenvleesch at’.

Ook mieren en ratten waren – en zijn – berucht. Een aanval van het klein gespuis kon in één nacht al het werk van maanden verzamelen vernielen. Schilthuizen spreekt uit ervaring, zo meldt hij met een glimlach.

Planten drogen in de tropen was zeker in vroeger tijden geen sinecure. Een gebruikelijke methode was boven een zacht smeulend vuurtje. Een paar helpers tijdens een expeditie in Borneo vonden dit te langzaam gaan en dachten behulpzaam te zijn door, gelijk je een wild zwijn roostert, de planten nagenoeg in het vuur te houden. Tja.

Collectie Naturalis: observaties van een muis, uit het archief van de Natuurkundige Commissie.

En toen Alfred Russel Wallace op zijn expeditie in Sarawak in 1858 te weinig alcohol bij zich had om alle geschoten dieren te conserveren en hij ter vervanging arak kocht, een lokaal gestookte drank, bleek helaas dat de inboorlingen maar al te graag een neutje lustten. Ze stalen de sterke drank. Zelfs de potten waarin reptielen en slangen in de arak dreven waren niet veilig. “Sterker nog; mét slang was nog lekkerder.”

Ook in de oorlogsjaren ging het mis. Bombardementen vernielden een deel van de skelettenverzameling van het Zoölogisch Museum Amsterdam (een van de musea die in Naturalis zijn opgegaan), een gedeelte van de botanische verzameling van de Landbouwuniversiteit in Wageningen verzoop nadat het gebouw doorzeefd was door kogels. Onderduikers weggedoken in het natuurhistorisch museum in Leiden maakten van een nijlpaardhuid een paar schoenen die helaas bij nat weer onbruikbaar bleken.

Verdwalen is ook nu nog een van de grote gevaren, zeker als de navigator zijn gps verkeerd heeft ingesteld.

Onmisbaar

Zo bezien is de geschiedenis van Naturalis er een van mislukkingen, maar niets is minder waar, blijkt wel uit de wereldstatus van het museum, tegenwoordig Naturalis Biodiversity Center geheten. Het museum heeft een van de vijf grootste collecties van de wereld en staat nummer één voor wat betreft digitaliseren en ontsluiten van de collectie. Meer dan 42 miljoen planten, dieren, stenen, houtjes en skeletten en andere restanten bewaren en conserveren; een miljoenen euro’s verslindende kwestie. Maar wat is het nut?

Schilthuizen aarzelt geen moment. “De nog steeds uitdijende collectie leert ons ongelooflijk veel over de evolutie en ecosystemen ook uit heel vroeger tijden, over klimaatverandering, DNA-ontwikkelingen, het ontstaan van de mens. Recent bijvoorbeeld over de relatie tussen kanker en het aantal halswervels en het feit dat vossen tekenen van domesticatie beginnen te vertonen. Onze collectie is ‘wereldwijd’ onmisbaar, puur goud.”

 ‘Wie wat bewaart – twee eeuwen Nederlandse natuurhistorie.’ Geschreven door Menno Schilthuizen en Freek Vonk, € 24,99.

Lees ook: 

Antilopes en bijen komen in Leiden uit de kast

De nieuwbouw van Naturalis Biodiversity Centre biedt meer ruimte voor de circa 42 miljoen objecten. Een ontdekkingstocht door de collectie. 

Fred de Ruiter schreef een boek over natuurhistorische collecties in Nederlandse musea. Saai? Allerminst

Zijn markante kop, met die flamboyante snor en modieuze bril, omlijst door licht krullend grijs haar, weerspiegelt de gedistingeerde Rotterdamse topambtenaar die hij zo lang is geweest. Maar eenmaal aan de praat, met twinkelende ogen, verandert Fred de Ruiter (72) in een jongetje dat telkens weer iets anders ontdekt in zijn langzaam uitdijende verzameling. Hij schreef een boek over natuurhistorische collecties in Nederlandse musea.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden