WeekdierVogels

Met een half uurtje vogels tellen ben je al amateurfenoloog

Dit weekend vindt weer de tuinvogeltelling plaats. Wie eraan meedoet, wordt geacht een half uur lang de vogels te tellen die zich in de tuin wensen te vertonen en dat vervolgens te melden op de website waar alle getelde vogels worden bijgehouden. Overvliegers mogen niet worden meegeteld. Het is naar ik aanneem de telling die het grootste aantal enthousiastelingen op de been krijgt.

Vorig jaar waren er 77.316 deelnemers, die 1.271.486 vogels rapporteerden, gemiddeld 16,45 vogels per teller. Zijn dat veel tellers? Evenveel als het aantal inwoners van Lelystad of Schiedam, dat lijkt me substantieel.

Er zijn meer tellingen, waaronder de bodemdierendagen waarin vorig jaar 944 deelnemers ruim 8000 dieren telden, met de pissebed op 1, de spin en de regenworm ex aequo op 2 en de slak op 3; hierbij valt op dat niet naar soorten is gekeken maar naar groepen, want er zijn diverse soorten pissebedden, spinnen, wormen en slakken.

Gelukkig zijn vogels voor de argeloze teller eenvoudiger tot op soort te identificeren dan pissebedden en spinnen – ik kan me althans niet voorstellen dat het veel moeite zal kosten om een kool- van een pimpelmees te onderscheiden. Het is daarom handig dat de tuinvogeltelling plaatsvindt in januari en niet in mei, want dan is er een baaierd aan fitissen, tjiftjafs, braamsluipers, zangers, heggemussen en andere kleine, bruine vogeltjes die lastiger op naam te brengen zijn, zeker wanneer je ze niet kunt horen.

Alleen overwinteraars tellen

De tuinvogeltelling beperkt zich dus tot overwinteraars of noordelijke soorten die hier tijdens de winter vertoeven omdat ze het in Lapland of Karelië te koud vinden. Vorig jaar stonden huismus, koolmees en vink op 1, 2 en 3. Helaas heb ik in mijn eigen binnenstedelijke stadstuintje de nummers 1 en 3 nog nooit waargenomen, zulks in tegenstelling tot kool- en pimpelmees en de heggemus, die landelijk op plaats 12 te vinden is.

De vink zit graag in de biblebelt

Een interessant resultaat, ook op de website te vinden, is de verspreiding van de top tien. De huismus zit voornamelijk in de noordelijke provincies, de koolmees heeft geen voorkeur, de vink zit graag in de biblebelt, de merel in de Wieringermeer en Groningen, de pimpelmees liefst in het oosten des lands, een gebied dat de kauw juist weer mijdt. De houtduif prefereert bos op de zandgronden.

Er is natuurlijk nog meer uit de cijfers te halen. Welke soorten zijn er jaarlijks eind januari en is dat te relateren aan het weer op dat moment? Zijn er trends? Moeten we ons ergens zorgen over maken of niet?

Binnen een half uurtje bent u al een citizen scientist

Wanneer u dit weekend een half uurtje in uw tuin kijkt, twee of drie vogels ziet en dat netjes doorgeeft, dan denkt u wellicht dat dat een onbeduidend feitje is. Maar in werkelijkheid bent u een citizen scientist en draagt u met uw waarneming bij aan een kolossale databank van biologisch belang.

Het bijhouden van dergelijke gegevens is een vak apart, het wordt wel fenologie genoemd (vandaar ook de naam ‘fenolijn’ voor de telefonische meldingenrubriek van het radioprogramma ‘Vroege Vogels’).

U bent dan een echte amateurfenoloog; voor die eretitel wilt u vast wel een half uurtje naar buiten kijken.

Jelle Reumer is paleontoloog. Voor Trouw bespreekt hij iedere week een dier dat het nieuws haalt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden