Bioloog  en conservator Bram Langevel op de Maasvlakte bij Rotterdam . ‘Hier lag vroeger een steppelandschap en niet, zoals vaak gedacht wordt, een besneeuwde toendra zoals die nu in Siberië ligt.’

ReportageFossielenjacht

Met Bram op fossielenjacht op de Maasvlakte: ‘Je wilt iets nieuws ontdekken, niet weer de mammoet’

Bioloog en conservator Bram Langevel op de Maasvlakte bij Rotterdam . ‘Hier lag vroeger een steppelandschap en niet, zoals vaak gedacht wordt, een besneeuwde toendra zoals die nu in Siberië ligt.’Beeld Arie Kievit

De Maasvlakte bij Rotterdam en de Zandmotor onder Den Haag zijn belangrijke vindplaatsen van fossielen, die vertellen over de mammoet en ander groot wild dat hier ooit leefde. Een bioloog en verzamelaars brengen ze in kaart.

De steen past precies in de palm van zijn hand. Maar kijk, wijst Bram Langeveld, één kant is poreus. In de sponzige gaatjes glinstert het zand van de Maasvlakte waaruit hij het voorwerp vanmorgen heeft opgeraapt. “Dit is eigenlijk geen steen, aan die sponzige structuur zie je dat dit een botfragment is. Dit is een splinter van een mammoet.”

Spectaculair vindt hij zijn vondst niet. Van dit soort botsplinters, en ook grotere stukken als delen van een kaak, liggen er inmiddels genoeg in het Natuurhistorisch Museum Rotterdam, waar Langeveld conservator is. Het blijft de moeite waard om de vloedlijn af te speuren, maar zo’n stukje mammoet mag van Langeveld op het strand blijven liggen.

Grijze schelpen van honderdduizend jaar oud

Net als de schelpen, die op het brede strand van de Maasvlakte oplichten in de zon dankzij hun grijze kleur. Daaraan kun je zien dat ze ruim honderdduizend jaar oud zijn, legt Langeveld uit. In sommige van die schelpen huisden ooit zeediertjes die hier allang niet meer voorkomen, net als de uitgestorven mammoet en sabeltandkat.

Ook dat is leuk voor de leek, maar niet meer zo bijzonder voor de onderzoeker. Zijn blik is gefocust op nog kleinere fossielen: botjes van vogels die hier in de ijstijd of kort daarna hebben geleefd. Met behulp van zo’n dertig verzamelaars zijn al zoveel puzzelstukjes bijeen geraapt, dat Langeveld 44 vogelsoorten heeft kunnen determineren, waaronder voor Nederland onwaarschijnlijke vogels als de sneeuwuil, moerassneeuwhoen, reuzenalk en een uitgestorven voorouder van het auerhoen.

“Dat de sneeuwuil hier heeft geleefd wisten we wel, maar het is bijzonder dat we nu eindelijk het bewijs van de Noordzeebodem hebben”, zegt Langeveld. “Hier lag toen een steppelandschap met weinig neerslag en niet, zoals vaak gedacht wordt, een besneeuwde toendra zoals die nu in Siberië ligt. De kans is groot dat de sneeuwuil toen minder witte veren had. Misschien leek hij wel meer op een oehoe.”

Van links naar rechts: deel van het scheenbeen van een zwarte ooievaar, deel van het voetbeen van een havik, voetbeen van een sneeuwuil, opperarmbeen van een moerassneeuwhoen en vleugelbeen van een uitgestorven voorouder van het auerhoen. Onder: het snavelbeen van een jan-van-gent. Beeld Natuurhistorisch Museum Rotterdam
Van links naar rechts: deel van het scheenbeen van een zwarte ooievaar, deel van het voetbeen van een havik, voetbeen van een sneeuwuil, opperarmbeen van een moerassneeuwhoen en vleugelbeen van een uitgestorven voorouder van het auerhoen. Onder: het snavelbeen van een jan-van-gent.Beeld Natuurhistorisch Museum Rotterdam

Langeveld gebruikt de museumcollectie in Rotterdam om ‘zijn’ vogels op naam te brengen, door de gevonden botjes en soms een snavelbeen te vergelijken met complete vogelskeletten. Eind vorig jaar schreef hij er een wetenschappelijk artikel over en als het museum straks weer open mag is een deel van de vondsten er te zien. “De grote beesten die hier ooit leefden, zagen we al eerder, nu kunnen we kleinere gaatjes vullen. En de lucht, met vogels. Daardoor kunnen we de puzzel van het verleden beter leggen.”

Twintig meter diepe groeve

Dankzij opgespoten zand uit de zeebodem zijn de Tweede Maasvlakte bij Rotterdam en de Zandmotor bij Ter Heijde momenteel de beste vindplaatsen van fossielen uit het Pleistoceen. “Nu de meeste groeven op het land zijn gesloten zijn de stranden de enige vindplaatsen die we nog hebben”, stelt Langeveld. Voor de Tweede Maasvlakte is 240 miljoen kubieke meter zand gewonnen uit een twintig meter diepe groeve in de bodem van de Noordzee, die pas is ontstaan na het smelten van het landijs dat Noord- en West-Europa bedekte. “Hier ligt ons paleontologisch en archeologisch erfgoed”, zegt Langeveld.

De verzamelaars die het 7,5 kilometer lange strand afstruinen, dat in 2012 is opengesteld, redden wat er te redden valt, zegt Langeveld. “Het zijn helden. Onder water zijn de resten van dieren en de menselijke beschaving bewaard gebleven, maar onder invloed van licht en lucht zullen ze vergaan. Zij ontzilten ze en conserveren ze in een lijmoplossing, zodat we onderzoek kunnen doen naar het leven van toen. Maar met de verzameling is het einde al in zicht, een fossiel ligt het veiligst in de aarde.”

Nederland als woud met open plekken

De Maasvlakte is bijzonder, omdat we hier verschillende fauna’s vinden, doceert Langeveld. “De jongste fossielen zijn rond tienduizend jaar oud. Ze dateren van na de ijstijd, het vroege Holoceen. Het klimaat leek toen wel op dat van ons, maar de Noordzee was nog droog omdat het landijs pas net begon te smelten. IJs heeft daar tijd voor nodig. Het gebied dat nu Nederland is, was toen een woud met open plekken, waar de oer-Rijn en de oer-Maas doorheen stroomden. Er leefden edelherten, wilde zwijnen, otters en bevers. En steentijdmensen, onze verre voorouders.”

Veel vondsten gaan echter nog verder terug in de tijd, tot tachtigduizend jaar geleden, de ijstijd, waarin steppenwisent en mammoet hier voorkwamen, net als de sabeltandkat, waarvan in Het Natuurhistorisch Museum een in 2000 opgevist stuk onderkaak wordt bewaard. “Dat is de fauna die we het best kennen door wat er werd opgevist, meegetrokken in sleepnetten, tot mammoetschedels aan toe.”

Tenslotte brengt de Maasvlakte ook fossielen van twee miljoen jaar oud naar boven, versteend door de tijd, maar herkenbaar door dat sponzige. “Die grote verscheidenheid komt door die diepe groeve. Dat is het grote voordeel van de Maasvlakte, en in iets mindere mate van de Zandmotor die is opgespoten met zand van zes meter diepte onder de zeebodem.”

De verzamelaars weten dat en komen daarom naar de Maasvlakte. Wie het eenmaal door heeft, herkent ze meteen: een rustige wandelpas, de blik naar beneden gericht, een wind- of regenjack in plaats van strandkleding en een tas aan de arm voor de vondsten. Ze zijn er vaak vroeg in de ochtend, als het strand nog verlaten is, liefst als het eb wordt en het water net wegtrekt en los zand van objecten afspoelt.

Botjes dateren is gigantisch veel werk

Voor ervaren speurders was het in de eerste jaren na 2012 één groot feest, weet Langeveld, die zelf als kind begon met verzamelen en dat als student biologie volhield. Inmiddels duurt het wat langer voordat er iets bijzonders is gevonden. Weliswaar wordt er geregeld extra zand opgespoten, maar dat is minder rijk dan de originele suppletie omdat het minder diep onder de zeebodem wordt gewonnen. Maar dat maakt de zoektocht naar vogelbotjes extra leuk. “Je wilt iets nieuws ontdekken, niet weer de mammoet”, legt Langeveld uit. “Vogels voegen iets toe. En het is leuk om iets op te rapen waarvan je niet weet wat het is.”

Hij is blij met het werk van de verzamelaars, die wat ze oprapen van het strand doorgaans goed documenteren. Toch is het nog een hele puzzel om uit te vinden van welke vogel een botje is. “Het nadeel van die botjes is dat ze klein en hol zijn, dus ze zijn snel weg en lastig te dateren. Een van de verzamelaars heeft bijgehouden dat er ongeveer 3500 uur werk zit in het verzamelen van ongeveer 500 vogelbotjes. Als je bedenkt dat ik daarvan maar 10 procent op naam kan brengen, weet je dat de investering in tijd gigantisch is.”

Langeveld denkt dat de meeste grotere vogelsoorten nu wel in kaart zijn gebracht. “Eenden of kleine zangvogels, dat is moeilijker. We weten nu dat de zwarte ooievaar hier heeft gevlogen. En de reuzenalk, een vogel die geen pinguïn was maar er wel zo uitzag: zwart-wit, 70 centimeter lang, 5 kilo zwaar, kon niet vliegen en bewoog zich voort door te flapperen in zee. We hebben nu 115 botten, deels in het museum. Het was een algemene wintergast hier. Dat is het soort inzicht in de avifauna dat we zonder verzamelaars niet zouden hebben gekregen. En het is sowieso bevredigend om zo’n beest op naam te brengen.”

Lees ook:

Burgerwetenschap is in opkomst. ‘Vergeet niet dat veel wetenschappers vroeger amateurs waren’

Ze analyseren kaarten van de Veluwe, vouwen eiwitten, meten de luchtkwaliteit of turven zwerfafval: steeds meer mensen helpen de wetenschap. Uit betrokkenheid, nieuwsgierigheid of omdat ze voor zichzelf antwoorden zoeken. Burgerwetenschap is in opkomst.

Bijzondere vondst bij Den Haag: oermens kon lijm brouwen, uit berkenpek

Een amateurarcheoloog vond vuursteen met een randje vuil, dacht hij. Het bleek lijm, gemaakt door ingenieuze Neanderthalers.

Ook in de groeve van Winterswijk kan zomaar een nieuwe soort gevonden worden

Een beitel en een hamer. Meer heb je niet nodig om in de groeve van Winterswijk 250 miljoen jaar terug in de tijd te gaan. Maar zonder engelengeduld kom je nergens.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden