De wondere wereldO.C. Hooymeijer

Messcherp Doornvleugelei is gevaar voor vijand én moedervogel

null Beeld OCHooymeijer
Beeld OCHooymeijer

Ei Doornvleugel (Christusvogel) Auharianius rhubius.

De Doornvleugel is een binnen zijn gebied redelijk algemeen voorkomende, ietwat saaie, nogal doorsnee zanger. In Brabant, Limburg en grote delen van Nederlandstalig België ook wel Christusvogel genoemd. Habitat: de uitgestrekte naaldbossen, maar frequenteert ook gemengd en loofbos, parken en tuinen met voldoende dichte, stekelige onder-, boven- en zij­begroeiing als braam, meidoorn, rozen, kattendoorn, hondsroos, egelantier en sleedoorn. ­Verenkleed bruin tot grijsachtig. Zie zwarte kap en dito poten. Mannetje en vrouwtje identiek. Verborgen, weinig opvallend gedrag. Zang, een te verwaarlozen eenvoudig, zacht melodietje. Roep, een nauwelijks hoorbaar ‘tikke – tikke – tak’.

De Doornvleugel onderscheidt zich echter van alle andere soortgenoten door het afwijkende eierleggingsproces. De vijf tot acht vuilwit­gespikkelde eieren zijn voorzien van zeer pun­tige, messcherpe doorns en zijn daardoor voor predatoren uiterst onaantrekkelijk; het is zo goed als onmogelijk om deze zonder verwon­dingen uit het nest te roven. Het leggen van de eieren moet binnen een tijdsspanne van maximaal twee dagen gebeuren. Zowel de stekels als de eierschalen zijn dan namelijk nog zacht en liggen ‘gestroomlijnd’ in de legbuis klaar in de richting van de legopening, om deze, in het in dicht, warrig struikgewas zeer goed verborgen komvormige nest te leggen. Zodra de eieren in het legbed liggen, beginnen onder invloed van daglicht, zuurstof en warmte, de schaal alsmede de ­stekels ‘uit te harden’. Hierbij komen, in tussen 20 tot 23 minuten, de doornige uitgroeisels rechtovereind en vormen de beschermende bolster. Nadat het laatste ei is gelegd, neemt het wijfje zeer voorzichtig plaats op de eieren en begint aan de dertigdaagse broedperiode.

null Beeld O.C. Hooymeijer
Beeld O.C. Hooymeijer

Het kan in een enkel geval voorkomen dat het vrouwtje ‘over de tijd’ is, ofwel te laat is met leggen. De doornige uitwassen zijn dan in de legbuis al aan het uitharden en staan reeds haaks op de eierschil. Het leggingsproces komt toch op gang en het Doornvleugelwijfje moet het legsel uit het lichaam persen. Bij het eerste ei raakt de legopening vaak al geïrriteerd en bij het tweede ei ontstaan er al oppervlakkige vleeswonden. ­Tegen de tijd dat het, vaak onder zeer bloederige omstandigheden laatste ei door het wijfje in het nest wordt gelegd, is zij zo verzwakt en is haar legopening dusdanig verminkt en veranderd in een door krioelende maden stinkende, etterende open vleeswond, dat zij op het nest sterft.

Het hulpeloze mannetje schikt het afgestorven ­lichaam van het vrouwtje op een stekelige zijtak in de directe nabijheid van het nest en neemt de broedtaak over. Zodra de jonge Doornvleugeltjes uit het ei komen, worden deze in de eerste ­weken gevoed met het inmiddels in verre staat van ontbinding zijnde, rottende vlees van hun eigen moeder.

Volksvogelwijsheid: Herkomst, Nederlandstalig België. “Die vrouw heeft een Doornvleugel­bevalling gehad.”

Iedere week beschrijft O.C. Hooymeijer een vogel die aan zijn brein is ontsproten. Eerdere afleveringen in de serie ‘De Wondere vogelwereld van O.C. Hooymeijer’ leest u hier.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden