InterviewEcoloog Jan Kuper

Maandenlang staren naar duizenden insecten, heerlijk vindt Jan Kuper dat

Ecologisch analist Jan Kuper: ‘Ik ontdekte een ­spillebeenvlieg… Ja, dan zijn wij insectenmannen wel even opgewonden.’ Beeld Koen Verheijden
Ecologisch analist Jan Kuper: ‘Ik ontdekte een ­spillebeenvlieg… Ja, dan zijn wij insectenmannen wel even opgewonden.’Beeld Koen Verheijden

’s Zomers vangt Jan Kuper insecten, vele duizenden, en allemaal gaan ze onder de microscoop. Dit verschaft hem cruciaal inzicht over minuscule fauna. ‘Bochelvlieg, landkokerjuffer, oogkopvlieg...’

Een plat glazen schaaltje vol wormpjes van een millimeter groot, drijvend in vloeistof. Een prepareernaald. Een klein telapparaat met knoppen die af en toe worden beroerd. Een man, geconcentreerd, de leesbril op en af. Hij roert razendsnel, sorteert de friemels in groepjes. Voorts geen mens te zien, de stilte is enorm. Een kamer in Natuurplaza in Nijmegen, het instituut van diverse onderzoeksorganisaties.

Na een paar minuten is het schaaltje blijkbaar afgewerkt, de inhoud wordt overgegoten in een buisje en uit een ander rek wordt een nieuw buisje gepakt dat de man, ecologisch analist, vervolgens in een petrischaaltje leeggooit.

De procedure begint opnieuw. “Veel rouwmuggen, dansmuggen en knutten vandaag. Gisteren, bij het onderzoek naar het effect van begrazing, juist veel kevers. En zo is elke dag weer prettig anders.”

De man, Jan Kuper, is ecologisch analist van de Stichting Bargerveen, een onderzoeksinstituut voor Systeemgericht Natuurherstel. “Veel van onze onderzoekers doen onderzoek naar de verandering in insectenfauna door menselijke ingrepen als begrazing, of de gevolgen van klimaatverandering en bijvoorbeeld verzuring. Elk jaar opnieuw breng ik daarvoor voor hen de insecten in kaart zodat zij hun conclusies kunnen ­trekken.” Kuper krijgt daarbij hulp van ­studenten.

“De hele zomer door vang ik insecten. Onder meer met potvallen, in de grond ingegraven potten met formaldehyde en pyramidevallen, kleine tentjes van gaas. Maanden heerlijk buiten.” Libellen, vlinders, sprinkhanen, bijen en zweefvliegen inventariseert Kuper lopend. Doden is dus bij deze soorten niet nodig. Bij twijfel brengt een foto zekerheid.

Insecten kijken in Natuurplaza in Nijmegen. Beeld Koen Verheijden
Insecten kijken in Natuurplaza in Nijmegen.Beeld Koen Verheijden

De buit gevangen insecten is enorm. Tienduizenden insecten, vele nog geen twee millimeter groot die allemaal op naam moeten worden gebracht, zoals de larven van libellen, kokerjuffers, dansmuggen, volwassen waterroofkevers en waterwantsen. En anders worden ze ingedeeld op familie. Rouwvliegen bij rouwvliegen, knutten bij knutten, galmuggen bij galmuggen en ga zo maar door. Enorme aantallen dode frummels (overigens slechts een fractie van de in totaal miljarden van dezelfde soort beestjes in het onderzoeksgebied), drijvend in de formaldehyde waarin ze het leven lieten ‘dat ook ons een behoorlijke verdwazing zou bezorgen’, zegt Kuper met een glimlach.

‘Dat wordt dan toch weer kijken naar pikkies’

Ondertussen is de koffie op en zet de analist zich weer achter zijn microscoop. Dan blijken niet alleen vrouwen, maar ook Kuper in staat tot dubbeltaken want terwijl hij rouwvliegen en knutten scheidt, telt en bij elke honderd een knop indrukt, vertelt hij door. De snelheid van werken is enorm en voor een leek nauwelijks te begrijpen, zelfs na een blik door de microscoop te zijn vergund. De onderlinge verschillen zijn klein en naar het schijnt niet consistent. “Kijk vooral naar de verschillen in antennes. De een is duidelijk geveerd, de ander veel strakker.

“Eerlijk is eerlijk. Sommige onderzoekers willen de dieren niet alleen op familie, maar ook op soortniveau onderscheiden en dat lukt me bij een aantal loopkevers niet op het eerste gezicht. Dat wordt dan toch weer kijken naar pikkies. De penis is altijd kenmerkend.”

null Beeld Koen Verheijden
Beeld Koen Verheijden

Loopkevers zijn er in alle soorten en ­maten. De penis van een drie millimeter groot dier bekijken? Moet geen sinecure zijn…

Honderdduizenden insecten, maanden achtereen turen, bestuderen en determineren. “Heerlijk werk, ik ben dol op lijstjes maken. Maakt mooi rustig. Maar ook ik ben na acht uur turen blij als het vijf uur is en ik weer naar buiten mag”, zegt Kuper.

Wat te doen met al die lijkjes? Naar de destructor?

Af en toe springt er voor Kuper een dag duidelijk uit. Zo’n dag waarop de analist een exceptionele determinatie doet. “Een paar weken geleden ontdekte ik een spillebeenvlieg…. Ja, dan zijn wij, insectenmannen – er kijken beduidend minder vrouwen naar insecten – wel een paar dagen flink opgewonden.” Terwijl hij vertelt zijn alweer zo’n duizend insecten ingedeeld, in een buisje gestopt en in het rek ‘afgewerkt’ gezet.

Wat te doen met al die lijkjes? Naar de destructor? “Nee, nee. Dit bewaren we tot het desbetreffende onderzoek is afgerond. Kan soms wel tien jaar duren.”

Kuper valt stil. Het bakje vraagt de aandacht. Minuten, kwartieren en uren verstrijken. “Paddenstoelmug, bochelvlieg, landkokerjuffer, oogkopvlieg.”

Jarenlang vangen en determineren. Honderdduizenden insecten en andere invertebraten. Duizenden uren vangen, tellen, tellen om zeker te zijn.

En geduld hebben. Véél geduld.

Onderzoeken van de Stichting Bargerveen

De onderzoeken van de mannen van Stichting Bargerveen waarvoor ecologisch analist Jan Kuper van de Stichting Bargerveen (onderzoeksinstituut Systeemgericht Natuurherstel) determineert, zijn nog niet afgerond. De onderzoeken zijn divers. In de Amsterdamse Waterleidingduinen (AWD) wordt het effect van de (over)begrazing door damherten onderzocht. “Dat veel plantenetende insecten achteruit zijn gegaan door de hoge graasdruk is bekend, maar of de populaties zich weer herstellen is een vraagteken”, vertelt onderzoeker Marijn Nijssen van de Stichting Bargerveen.

De AWD zijn inmiddels behoorlijk kaal. Alleen de – voor grote grazers giftige – kruiskruiden staan er nog. “Vermoedelijk goed voor de sint-jansvlinder, de rupsen daarvan eten kruiskruiden. Maar beroerd voor andere plantenetende insecten. Als de begrazingdruk afneemt, worden de kruiskruiden weggedrukt en kun je een toename van de andere insecten verwachten.”

Voor het tweede onderzoek van Nijssen – de invloed van overstroming van rivieren op de insectenrijkdom – kunnen al wat eerste conclusies worden getrokken. Nijssen: “Vroeger mochten de rivieren geregeld overstromen waardoor er tijdelijke, ondiepe en daarmee warme waterplasjes ontstonden. “Zulke watertjes zijn één grote broeiplaats van dansmuggen, waterkevers, duikerwantsen en – deels door de rivier meegevoerde – libellenlarven. Een eldorado voor vogels. Die toename zien we duidelijk, maar of ook karakteristieke soorten insecten van deze vlaktes toenemen weten we pas als ze op soort gedetermineerd zijn.”

Analist Kuper telt en classificeert eveneens voor het onderzoek naar het effect van het uitstrooien van steenmeel op verzuurde ­bodems van heide en droge bossen. Steenmeel is gemalen gesteente en bevat mineralen die zuur neutraliseren. Verzuring leidt tot uitspoeling en verlies van essentiële voedingsstoffen en zuurbufferende mineralen en daarmee afname van de gezondheid van planten. Dat heeft op zijn beurt natuurlijk effect op het aantal insecten en de variatie. “Logischerwijs kun je verwachten dat zowel de planteneters als de insecten die bladeren eten baat hebben bij steenmeel. Het effect zien we nu – na ruim drie jaar toedienen van steenmeel – voor regenwormen en herbivore insecten al wel, maar voor bijvoorbeeld springstaarten nog niet. Steenmeel lost heel langzaam op. We moeten dus blijven inventariseren en geduld hebben”, constateert Joost Vogels van de Stichting.

Gert-Jan van Duinen bekijkt in bossen de gevolgen het effect van het aanplanten van boomsoorten zoals linde en vogelkers op de bodemfauna. Van Duinen: “In verzuurde bossen staan vaak alleen nog maar eiken en dennen, met langzaam afbrekende, verzurende bladeren en naalden. Boomsoorten met sneller verterend blad zorgen voor een betere kringloop van voedings- en bufferstoffen. Inventarisatie van bodemdieren als miljoenpoten, regenwormen en pissebedden moet uitwijzen hoe sterk het effect is.”

Lees ook:

Onze steden zitten vol gevaarlijke exoten en nutteloze stadshaters

De stad zit vol insecten, die je op het platteland niet snel aantreft. Entomoloog Roy Kleukers bracht er inmiddels duizenden in kaart, maar betwijfelt wel hun nut.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden