Watersnoodramp

Kwelders en schorren blijken de uitkomst bij een dijkdoorbraak

Schorren landschap bij Zierikzee.Beeld Buiten Beeld

Na tweeënhalf jaar speuren in de archieven kwam waterbouwkundig ingenieur Paul Visser tot een conclusie: dijken met natuur aan de voet waren op 1 februari 1953 beter bestand tegen de stormvloed dan dijken zonder die bescherming.

Nog altijd wordt het landschap van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse delta getekend door de Watersnoodramp van 1953. Als het niet is door de Deltawerken, dan is het wel door de herdenkingstekens die op veel plaatsen staan. Op een plaquette bij Cromstrijen in de Hoeksche Waard staat bijvoorbeeld:

Hier aan de zuidkant van het eiland tussen Strijensas en Numansdorp, plaatselijk bekend als de buurtschap Schuring, voltrok zich op 1 februari 1953 een fatale ramp. Langs het Hollandsch Diep bleek de dijk niet bestand tegen de zeer zware noordwesterstorm die het water opstuwde. Er ontstonden grote gaten in de dijken met een totale lengte van meer dan twee kilometer. Een gat van 150 meter in de dijk ter hoogte van de Hogezandse Polder was de oorzaak van een muur van water die over de landerijen rolde en met oorverdovend geweld tientallen woningen en hun bewoners met zich meenam. Zesenvijftig mannen, vrouwen en kinderen die in de Hogezandse Polder, aan de Schuringse Havenkade en de Schuringsedijk woonden, kwamen om het leven. Een rij huizen langs de Korte Boomweg werd letterlijk met de grond gelijk gemaakt.

“Dit zijn absoluut dramatische verhalen”, beaamt gepensioneerd waterbouwkundig ingenieur Paul Visser. Zelf woonde hij in ’53 als bijna vierjarig jongetje in Papendrecht. “Bij ons kwam in de loop van de nacht hooguit een meter water langzaam de woonkamer binnen. Het was voor mij dan ook zeker geen traumatische ervaring, zoals voor de inwoners rond Numansdorp. Ik denk dat ik anders ook nooit waterbouwkunde was gaan studeren. Maar uitgerekend in die Hogezandse Polder had de ramp nog véél erger kunnen zijn als daar geen beschermende natuur voor de dijk, in het Hollandsch Diep had gelegen.”

Minder diepe bressen

Visser illustreert zijn stelling met een virtuele trip op de website topotijdreis. “Als je daar naar de topografische kaart uit 1953 scrolt, zie je ter hoogte van de Hogezandse Polder aan de buitenkant van de dijk zogeheten gorzen liggen. In het noorden van het land noem je dat soort land kwelders, in Zeeland schorren en in Zuid-Holland dus gorzen. Het is aangeslibd land in een getijdegebied, waar planten op groeien. Doordat die gorzen de ergste kracht uit de aanstormende golven hebben gehaald, zijn de bressen die op die plek in de dijk zijn geslagen minder diep geworden dan op plaatsen waar géén beschermende natuur voor de dijk lag. En bij een diepere bres, kan meer water sneller de polder in, mogelijk ook met meer dodelijke slachtoffers als gevolg.”

Zelfs wanneer er geen gat in de dijk werd geslagen, zorgde de natuur nog voor bescherming, stelt Visser. ‘De waterstand was in die nacht van 31 januari op 1 februari 4,3 meter boven NAP. Op verschillende plaatsen was de dijk niet eens zo hoog, dus het water golfde letterlijk over de dijk heen. Lag er land voor de dijk, dan waren de golven lager en stroomde er dus ook minder water over de dijk.’

Samen met een groep wetenschappers van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee, het NIOZ in Yerseke, van de Universiteit Antwerpen, en onderzoekers van de Technische Universiteit en Deltares in Delft, publiceerde Visser deze week een artikel in het wetenschappelijk tijdschrift Nature Sustainability. De strekking: meer natuur voor dijken maakt die dijken sterker. En als de dijk tóch doorbreekt, dan zorgt die natuur ervoor dat er minder water tegelijk door de gaten stroomt.

Voor het artikel analyseerde Visser tweeënhalf jaar lang, twee dagen per week onder meer een 700 pagina’s tellend verslag van de Watersnoodramp, van Rijkswaterstaat. Visser: “Uit dat verslag heb ik alle breedtes en dieptes van dijkdoorbraken gedestilleerd. Van veel bressen waren zelfs de dwarsprofielen door Rijkswaterstaat vastgelegd. Vervolgens heb ik al die informatie gerelateerd aan de aan- of afwezigheid van voorland op oude kaarten. Daaruit bleek glashelder dat de dijkdoorbraken ter hoogte van schorren of gorzen minder diep waren.”

Ondergelopen boerderijen in de Hoeksche Waard tijdens de Watersnoodramp in 1953.Beeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad Photo

Kerstvloed: ook daar bescherming

Een vergelijkbare exercitie deden collega’s voor de beruchte Kerstvloed uit 1717, die met name in het noorden van Nederland veel slachtoffers maakte. En ook daar bleek: op plekken waar de dijken door kwelders werden beschermd tegen het water van de Waddenzee, waren er minder, of anders wel minder hevige dijkdoorbraken.

“En het mooie is: mensen wisten dat in die tijd al”, zegt ook Tim Soens, historicus aan de Universiteit Antwerpen en een van de mede-auteurs van Visser. “Ter hoogte van bredere kwelders maakten de ingenieurs van toen de dijken ook minder hoog, blijkbaar omdat ze wisten dat het voorland extra bescherming bood.”

“Deze analyses van oude stormvloeden leren een belangrijke les voor nu”, stelt professor Tjeerd Bouma, onderzoeker van het NIOZ in Yerseke en ook lector Bouwen met natuur aan de Hogeschool Zeeland. “In deze tijden van steeds sneller stijgende zeespiegels zouden we wel gek zijn als we natuurlijke processen niet benutten om waterkeringen veiliger te maken. Dat kan door schorren of kwelders te laten groeien aan de buitenkant van de dijk. Op plekken waar dat niet kan, kunnen we ook zogeheten wisselpolders inrichten. Dat zijn gebieden tussen twee dijken, waar de zee in en uit kan stromen, waardoor het land op een natuurlijke manier langzaam wordt gevuld met slib. In plaats van een dalende, diepe polder, maak je dan land dat langzaam meegroeit met de zeespiegel. Je krijgt dan ook waardevolle natuur, en vervolgens extra vruchtbare landbouwgrond op de koop toe!”

Op de website topotijdreis stopt waterbouwkundig ingenieur Visser bij nog een treffend voorbeeld. “Hier, in de polder Oudenhoorn, op Voorne-Putten aan het Haringvliet, werd ter hoogte van een uitwateringssluis in ’53 een bres geslagen van wel 70 meter breed, tot 4 meter onder het maaiveld. Een paar 100 meter verder zie je op de kaart een driehoekig stukje natuur voor de dijk liggen. Daar was de bres maar 30 meter breed en werd hij ook niet dieper dan het maaiveld.”

Doorreizend naar 1961 wijst Visser op nog een opmerkelijk detail. “Op die kaart zie je dat het voorland van de Hogezandse Polder ineens een stukje kleiner is geworden. Het was zonder twijfel uit nood geboren, maar uitgerekend daar, waar het voorland de dijk nog enigszins had beschermd, heeft men toen zand en klei uit de vooroever gehaald om de dijk weer te herstellen. Met de kennis van nu zou dat waarschijnlijk niet zijn gebeurd.”

 Lees ook:

 Hoe een natuurgebied door massale CO2-opslag meehelpt in de strijd tegen klimaatverandering

Ooit zorgde de doorgestoken zeedijk bij het Friese Hallem voor meer biodiversiteit. Maar in het kwelderlandschap gebeurt nog veel meer: massale opslag van CO2. 

De oude Texelse dijk heeft nu een kwelder

Texel, toch al het grootste eiland langs de Nederlandse en Deense Waddenkust, heeft er 200 hectare bij gekregen. Voor de zuidkust, tegen een oude dijk, is een enorme bak zand uit de Noordzee gestort. Gestaag ontstaat daar een nieuw natuurgebied.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden