Interview Elsbeth Stassen

Hoogleraar Elsbeth Stassen: ‘Onze dieren in de veehouderij zitten aan hun grens’

Varkens knagen in hun stal aan plastic buizen aan een ketting. Zo moet worden voorkomen dat varkens uit verveling aan elkaar gaan vreten. Beeld ANP

Waarom horen we in de huidige stikstofcrisis alarmerende verhalen over de toekomst van boerenbedrijven maar niets over wat nu goed zou zijn voor koeien of varkens? Omdat de behoeftes van het dier uit beeld geraakt zijn, zegt scheidend hoogleraar Elsbeth Stassen.

Toen Elsbeth Stassen aan haar studie diergeneeskunde begon, was dierenarts nog een mannenberoep. Veertig jaar later zijn de meeste dierenartsen vrouw.

Ook het werk van de dierenarts is inmiddels flink veranderd, doordat de Nederlandse veehouderij steeds intensiever werd. Elsbeth Stassen (Breda, 1953) nam deze week afscheid als hoogleraar dier & samenleving in Wageningen. Ze ziet de Nederlandse veehouderij al jaren van crisis naar crisis hollen. Is het geen uitbraak van een dierziekte, dan is het wel de uitstoot van stikstof die voor commotie zorgt. Stassen ziet een uitweg die simpel klinkt, maar die vraagt om een fundamentele verandering: stel de behoefte van het dier centraal.

Is uw achtergrond als dierenarts bepalend voor de manier waarop u naar dieren kijkt?

“Het heeft vast invloed. Als dierenarts heb je uiteraard specialistische kennis van het dier, en dat bepaalt wel hoe je kijkt. Een dierenarts heeft een heel solide opleiding gehad in de anatomie en fysiologie van dieren. Dan weet je dat het sentient beings zijn, wezens met een bewustzijn, ze kunnen plezier en pijn hebben. Het verschil tussen mens en dier is niet zo groot, hoor. Dieren zijn beslist geen dingen.”

Als dierenarts en wetenschapper heeft u zich veertig jaar met de Nederlandse veehouderij beziggehouden. Welke ontwikkeling is u in die jaren opgevallen?

“Toen ik in 1971 ging studeren was Nederland een behoorlijk agrarisch land, met veel mensen die werkten in de landbouwsector. De boerenbedrijven waren veelal gemengd, met akkerbouw én veeteelt, en de bedrijven waren veel kleiner. Er waren dus veel veehouders.

“Vanaf de jaren zeventig is in de landbouw efficiëntie sterk gestimuleerd. Er werden nieuwe technieken ontwikkeld en ook nieuwe kennis, bijvoorbeeld over diergenetica of over veevoer. De overheid moedigde dat aan, met als doel de productie van de Nederlandse veehouderij fors te verhogen om voldoende voedsel voor iedereen te produceren. Dat is voortreffelijk gelukt, je kunt niet anders zeggen. Er is nu veel minder arbeid nodig in de veehouderij, en schaalvergroting drukt de kosten, dus het aantal boerenbedrijven is de afgelopen decennia steeds kleiner geworden. Die ontwikkeling gaat nog steeds door.”

Maar...

“Ja, er is ook een andere kant. Dieren in de intensieve veehouderij, die tegen zo laag mogelijke kosten produceert, worden voornamelijk binnengehouden. De omgeving waarin ze leven, is in de eerste plaats ingericht op zo efficiënt mogelijk produceren, en niet op de behoefte van het dier zelf. Het is een arme omgeving, met weinig gelegenheid voor dieren om hun natuurlijke gedrag te vertonen. Dat leidt tot frustraties en probleemgedrag. Als varkens niet kunnen wroeten en zoeken, zoals ze van nature doen, kunnen ze soortgenoten in de staart of de oren gaan bijten.

“Verder hebben we de dieren zo gefokt dat ze zo efficiënt mogelijk een bepaalde productie opleveren. Daardoor lopen ze fysiologisch tegen hun grenzen aan. Dat weten we van vleeskuikens, die zo gefokt zijn op vleesaangroei dat het ten koste gaat van hun darmen, hun hart, vaten en botten. En waar ik vroeger als dierenarts te maken had met individueel zieke dieren, zoals een zeug met vlekziekte, zien we nu vooral productiegerelateerde ziekten, die dan voorkomen bij veel dieren tegelijk.

“Kortom, de vraag is: wat verstaan we precies onder welzijn voor dieren? Als je kijkt naar het puur biologisch functioneren van het dier en naar de afwezigheid van ziekte, is er veel verbeterd. Kijk je vervolgens ook naar stress en naar de mogelijkheid om natuurlijk gedrag te vertonen, dan is het dier nu meestal slechter af dan vroeger. Onze dieren zitten aan hun grens. En het veehouderijsysteem dus ook. Nee, je hoort mij niet zeggen dat boeren niet goed voor hun dieren zorgen. Integendeel, ze doen hun uiterste best. Maar wel binnen de context van een bepaald productiesysteem, waarin ze opgesloten zitten.”

Worden de grenzen van onze manier van veehouden zichtbaar als er een crisis uitbreekt, zoals mond- en-klauwzeer of varkenspest of nu de stikstofuitstoot?

“We hollen inderdaad van de ene calamiteit naar de andere, dat is al zo sinds het eind van de jaren tachtig. Dat zorgt voor commotie over de manier waarop we met dieren omgaan. Het economische model van industriële productie is volgens mij moeilijk toe te passen op natuurlijke wezens. Die werkwijze dwingt ons om dingen te doen met dieren die we vanuit onze morele principes moeilijk kunnen verdedigen. Denk aan het couperen van varkensstaarten om staartbijten te voorkomen.

Prof. Elsbeth Stassen, hoogleraar Dier & Samenleving WUR Beeld Roel Dijkstra

“De reactie op een calamiteit is ook steeds dezelfde:symptoombestrijding. Ziektes gaan we te lijf met medicatie. Uitstoot proberen we te beperken met technische installaties. Maar het dier zou juist centraal moeten staan. Is je opgevallen dat er in de huidige stikstofcrisis veel wordt gesproken over het voortbestaan van boerenbedrijven, maar helemaal niet over de dieren die aan hun grens zitten?

“Maar dat is juist de kern van het probleem: doordat de dieren geen veerkracht meer hebben, kan onze veehouderij calamiteiten moeilijk opvangen. Dááraan moeten we wat doen. Net als minister Schouten geloof ik dat kringlooplandbouw een oplossing is. Dezelfde partijen die sinds de jaren zeventig de intensivering van de landbouw propageerden, zouden nu kringlooplandbouw moeten stimuleren, met de behoefte van het dier voorop.

“Daar is niks softs aan. Wetenschappelijk is heel precies omschreven welke specifieke behoeften verschillende diersoorten hebben. Het zal zorgen voor veel minder calamiteiten en crises.”

De boer zal zeggen: ik doe al veel voor de behoefte van mijn dieren, mijn koeien lopen al buiten.

“Weidegang is best een interessant voorbeeld. Nederlandse koeien zijn ongeveer een twaalfde van de tijd buiten. Hun natuurlijke gedrag zou zijn om bij het verlaten van de stal eerst uit nieuwsgierigheid zo ver weg te lopen als ze maar kunnen. Daarna komen ze al grazend langzaam terug en gaan ze liggen herkauwen.

“Maar dat is niet hoe het in de praktijk gaat op een bedrijf dat draait om efficiëntie. Daar worden de koeien losgelaten op een afgezette strook gras, die ze kunnen afgrazen. Na een tijdje mogen ze naar de volgende strook. Op die manier zorgt de boer ervoor dat de koeien het gras hebben opgevreten, voordat ze erop poepen. Ondergepoept gras eet een koe namelijk niet op.

“Verder valt mij op dat koeien in de wei vaak maar staan te staan. Dat is geen goed teken, omdat ze twaalf tot veertien uur per dag moeten liggen om te herkauwen. Dus die weidegang lijkt inderdaad op het eerste gezicht een stap naar meer natuurlijk gedrag, maar dat gedrag wordt nog altijd beperkt door de werkwijze waaraan de veehouder vast zit.”

Dezelfde boer zal ook zeggen: de hypocriete consument stelt wel eisen aan mijn werkwijze, maar wil daarvoor niet extra betalen.

“Ik betwijfel of dat klopt. Ten eerste: wie is precies de consument van de Nederlandse veehouder? Van de Nederlandse productie is 70 procent bedoeld voor de export. Ten tweede: is die consument wel zo hypocriet? Kijk naar kip in de supermarkt. Kippevlees wordt alleen nog verkocht van langzamer groeiende rassen. Daar is dus genoeg vraag naar. En de bereidheid om te betalen is er ook, want het aantal kippenbedrijven is niet afgenomen sinds de Nederlandse markt alleen nog keurmerkkip koopt. Dus in plaats van te concurreren met buitenlandse collega’s tegen de laagste prijs, zouden de Nederlandse veehouders zich kunnen onderscheiden met dierenwelzijn. ”

U bent duidelijk optimistisch. Maar u zegt ook dat we al jaren van de ene calamiteit naar de andere hollen. Waarom verandert er zo weinig in de veehouderij?

“Iedereen houdt elkaar gevangen in het systeem: de veehouders, de banken die hen financieren, de overheid met wetten en regels. Daarbinnen denkt iedereen eerst aan zijn eigen belang. Hier in de buurt is een boer bezig een grote nieuwe melkstal te bouwen. In de huidige tijd lijkt dat raar, maar je kunt die individuele boer niet verwijten dat hij die keuze maakt. Wat nodig is, is centrale regie. En stimulering om te veranderen, net als in de jaren zeventig. In de veehouderij gaat het om onze voedselvoorziening, om menselijk en dierlijk welzijn. Om de gezondheid van onze omgeving. Dat zijn publieke goederen. Die moet je niet alleen maar aan de markt overlaten.”

Lees ook:

Deze dierenfabriek levert beesten op maat

Wat kan een boer aanpassen om duurzamer te werken? Zijn stallen, zijn veevoer en zelfs: zijn dieren. Hendrix Genetics fokt dieren op maat. Dat is een miljoenenbusiness.

Kringlooplandbouw? Deze duurzame boeren gaan het gewoon doen

Een groep boeren mocht de minister vertellen wat zij zich voorstellen bij duurzame landbouw. Het antwoord gaat sommigen van hen niet ver genoeg. Zij gaan nu op eigen kracht aan de slag als ‘Caring Farmers’.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden