Hoe komen al die wulpen toch aan hun vroege einde?

Wulpenkuiken 601 wordt opgemeten in het kader van wulpenonderzoek in Drenthe. Beeld Annemarie Bergfeld

Heeft een wulp meer kans als hij in grasland uit het ei kruipt, of tussen de suikerbieten? Zijn roofdieren de grootste bedreiging, is het de maaimachine, of een tekort aan insecten? In Drenthe wordt het uitgezocht.

Aan het snaveltje van het donzige beestje is nog in niets te zien dat het moet uitgroeien tot een karakteristieke kromme wulpensnavel. Kaarsrecht is het nog. En 29,7 millimeter lang, wijst de schuifmaat van Henk Jan Ottens aan. Na de snavelmeting verdwijnt het wulpenkuiken in een roodkatoenen zakje aan een haakweegschaal. Honderdnegentig gram. 

Kuiken nummer 601 – tien dagen oud, een piepklein zendertje op de rug geplakt – ontwikkelt zich goed, vindt Ottens. “Nog 25 dagen en hij kan vliegen.” Maar of het diertje met de donsveertjes het tot een volwassen wulp gaat brengen, is de vraag. Het verhaal is bekend, de wulp staat in hetzelfde treurigstemmende rijtje als kievit, grutto, veldleeuwerik en tureluur: hun aantallen lopen dramatisch hard terug. 

Ecoloog Ottens is onderzoeker bij het Kenniscentrum Akkervogels. In samenwerking met Landschapsbeheer Drenthe richt hij het vizier op de wulp, van oudsher een kenmerkende vogel voor de provincie. Vorig jaar omrasterde hij veertien wulpennesten. Zeventig procent van de legsels kwam uit. Bij de onbeschermde nesten in het onderzoeksgebied was dat niet meer dan een karige zeven procent. 

Maar de overleving van de kuikens die wél uit het ei kropen, was dramatisch laag. Van twaalf van de legsels leefden de jongen na een week niet meer. Ten prooi gevallen aan roofdieren, voedselgebrek, de maaimachine? Om daar achter te komen, is het onderzoek dit jaar uitgebreid. Achttien nesten zijn omrasterd en uit elk nest wordt één kuikentje gezenderd. Een unieke combinatie, volgens de onderzoeker.

Het zijn vooral de vrijwilligers van Landschapsbeheer Drenthe die de nesten opsporen. De legsels die Ottens niet voor zijn onderzoek selecteert, markeren ze met stokken, zodat de boer er met de maaimachine omheen kan. “Al gebeurt dat helaas niet altijd,” weet Ottens. “Het maaien wordt vaak aan loonwerkers uitbesteed, die werken op uurbasis en willen zo snel mogelijk het land weer uit.” Negen wulpennesten in grasland en negen in akkerland – tussen graan, suikerbieten of aardappels – worden gevolgd. “We willen nesten in zo veel mogelijk verschillende omstandigheden en types gewassen. Zo hopen we te kunnen vaststellen waar de overlevingskansen het grootst zijn.”

Afgeknauwde poot

Tussen eind maart en eind mei legt de wulp haar eieren. Na een broedtijd van 28 dagen kost het de jongen 35 dagen om slagpennen en veren te ontwikkelen. Tot die tijd scharrelen ze op de grond hun insectenmaaltje bij elkaar. Het zijn twee cruciale maanden. Tot nu toe zenderde en ringde Ottens samen met stagiair Ton Kusters, student aan de Agrarische Hogeschool in Den Bosch, negen kuikens. Eén viel al ten prooi aan een meeuw, een tweede werd door een zoogdier opgegeten. “We vonden alleen de afgeknauwde rechterpoot met de ring terug.” Een derde jong, uit een nest op een tarweakker is al vier dagen zoek.

 De mannen maken aardig kilometers, kriskras door de provincie; elk nest en elk gezenderd kuiken wordt om de dag bezocht. Nummer 601 zit in het weiland van boer Oosting bij Beilen. De auto stond nog niet in de berm of de vogelmoeder schoot de lucht in, luid haar alarmroep roepend. Peilend met de antenne zoeken de mannen haar gezenderde jong. Aan de slootrand achterin het perceel plukt Kusters het beestje uit het gras. Aan de zijkant van hetzelfde weiland liggen vier eieren tussen een blok hoog gras, een raster van vier stroomdraden eromheen.

“Deze zag de boer toen hij aan het maaien was, hij kon net op tijd stoppen.” Boer Oosting meldde zijn nest zelf aan voor het wulpenonderzoek, de ervaring leert dat de andere boeren, die benaderd werden, ook graag meedoen. “Ze krijgen honderd euro vergoeding, maar ze vinden het vooral leuk, ze doen graag iets voor de vogels.”

Ecoloog Henk Jan Ottens van het Kenniscentrum Akkervogel doet onderzoek naar de terugloop van wulpen. Beeld Annemarie Bergfeld

De rasters, van tien bij tien meter, bieden de broedende ouders en hun eieren bescherming tegen de maaimachine en tegen zoogdieren als vos en steenmarter. De stroomdraden houden zelfs kraaien, kiekendieven, meeuwen en buizerds tegen. “Die vogels zetten de aanval liever niet vanuit de lucht in. Een wulp kan een vliegende vogel makkelijk verjagen, maar als de vijand lopend aankomt, heeft hij hem vaak niet op tijd in de gaten.” Toch is de bescherming met de stroomdraden niet waterdicht. Groeit het gras tegen de onderste draad aan, dan lekt de stroom weg. Drie nesten werden al vernield. Dat was het werk van een marter of hermelijn.

Vossenburcht

Ottens zal blij zijn als vijftien gezenderde jongen overleven en er conclusies getrokken kunnen worden over hun ontwikkeling in relatie tot de plek waar ze uit het ei kropen. Zijn hoop is dat er maatregelen op maat gevonden worden die de landbouw betrekkelijk eenvoudig kan invullen.” Net een beetje later maaien, hier bloemrijke graslanden aanleggen, daar het graan net iets ruimer inzaaien zodat de vogels voldoende ruimte hebben.” Denkt hij nog groter, en dat doet hij graag, dan ziet hij een landbouw voor zich die productie verenigt met rust en ruimte. 

“Hoe dan ook moet het evenwicht tussen landbouw en ecologie terug. In die balans zit de winst, niet in het bejagen van marters. Onze boeren produceren in bulk voor de wereldmarkt. Als wij er met zijn allen wat voor over hebben, kan die productie een stap terug en kan de boer nog steeds een goede boterham verdienen. Wat mij betreft gaan we in Drenthe het goede voorbeeld geven voor de rest van het land.” Maar eerst gaat het weer in de auto, dwars dóór Drenthe. “Nog eens kijken of we dat tarwejong kunnen terugvinden. Ik vrees het ergste want we hebben zijn ouders ook niet meer gezien. Wie weet vinden we de zender in een vossenburcht terug. Dan weten we dat maar weer.”

2019, jaar van de wulp

Geschat wordt dat in Nederland circa 4300 wulpenparen in broeden, waarvan 500 tot 700 in Drenthe. Sinds de jaren tachtig is de landelijke populatie met ongeveer 40 procent afgenomen. Oorspronkelijk was de wulp een broedvogel van heide, hoogveen en duinen. Door roofdieren, voedseltekort en verstoring heeft de wulp de wijk genomen naar gras- en akkerland. Vogelbescherming en Sovon Vogelonderzoek Nederland hebben 2019 uitgeroepen tot Jaar van de Wulp. Met nieuwe tellingen en het analyseren van bestaande gegevens hopen ze tot betere beschermende maatregelen te komen. www.jaarvandewulp.nl

Lees ook: 

Vogels spotten in het donker: je ziet ze niet maar je hoort ze wel

Vogels spotten in het donker: je ziet ze niet maar je hoort ze wel. Een groeiende groep nachtvogelaars ontdekt met geluidsopnamen wat er zich in het donker afspeelt in ons luchtruim. 

Aanvalsplan Grutto moet het noodlijdende vogeltje er weer bovenop krijgen

Het gaat nog altijd slecht met de grutto. Initiatieven om de leefomgeving van de Vogel des Vaderlands te verbeteren helpen niet genoeg. Tijd voor serieus ingrijpen, met een ‘Aanvalsplan Grutto’.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden