ReportagePlantengallen

Hoe de woekerende cellen van planten een aanwijzing zijn voor de biodiversiteit

Veldecoloog en gallenkenner Matthijs Courbois.Beeld Bram Petraeus

Gallen, woekerende cellen van planten, zijn een aanwijzing voor de biodiversiteit. De wetenschap hoopt nu met de hulp van het publiek de verspreiding van gallen in kaart te brengen. Ecoloog Matthijs Courbois geeft alvast het goede voorbeeld.

Gallen, het zijn van die onooglijke, onopvallende bruine bolletjes op blad en tak. Frutsels om zo aan voorbij te lopen; bloemen of warm gekleurde bladeren zijn immers veel mooier. Voor ecoloog Matthijs Courbois zijn gallen juist een groot genoegen. Reden zelfs voor dagenlang struinen door bossen en ­parken, gefriemel aan bladeren, voelen aan steel en twijg, zoekend naar rare bobbels.

Het is najaar, het gallenseizoen is bijna ten einde. Bijna. Eiken en beuken hebben nog voldoende bladeren, waarop het nodige valt te ontdekken en zijn daarmee voor de echte gallenliefhebbers nog onweerstaanbaar. Zo ook voor Courbois.

Op dus naar de Ginkelse Heide, een natuurgebied nabij Ede. Niet voor het verslinden van de nodige kilometers, wel voor het draaien van bladeren, voor de neus op de bast en het open peuteren van grote en ­kleine gallen.

We zijn nog geen vijf minuten onderweg of de gallenkenner wijst al op een eikeblad waarop minuscule bolletjes staan. “Het werk van de eikenstuitergalwesp. Die lensgal daar is veel platter. Goed herkenbaar aan de sterharen.” Nou, herkenbaar? De gal is nog geen 3 millimeter groot, de haren minder dan een halve millemeter. Maar Courbois is alweer tussen het gebladerte ver­dwenen om even later met een twijg te ­verschijnen. “Knikkergal, typisch het werk van de knikkergalwesp.”

Matthijs CourboisBeeld Bram Petraeus

En dat brengt de gallenman op het idee om wat meer uit te leggen. Niet iedereen is immers gallenkenner, laat staan specialist. En toch is het de bedoeling dat we de komende jaren meedoen aan ‘Met z’n allen plantengallen’, het citizen science-project van Courbois en het EIS Kenniscentrum ­Insecten.

De insecten zijn wel wat kieskeurig 

Gallen zijn celwoekeringen van de plant. Ze worden veroorzaakt door een galmug, -wesp, -mijt, -schimmelgalmug of -bladwesp. Al deze kleine insecten zetten hun ­eieren af in een blad of de houtige delen van een plant. Ze zijn wel wat kieskeurig. Zo houdt een galmug het bij kruidige gewassen, zet de galwesp graag eitjes af op roos en eik en heeft de galmijt een voorkeur voor bloemen.

De beestjes zetten hun eitjes af en laten hierbij een stofje achter dat de plant aanzet tot celwoekering. Courbois: “Er groeit een gal om het eitje heen, waardoor de larve die eruit kruipt, perfect wordt beschermd. Het plantenweefsel (de gal) is bovendien voedsel voor de larve.”

De schimmelgalmuggen hebben een extra truc voorhanden. Met het eitje brengt de galmug een beetje schimmel in de plant. De schimmel zorgt ervoor dat de cellulose in de celwand van de plantencellen wordt afgebroken, waardoor de energierijke celinhoud makkelijker voor de larve beschikbaar komt. De schimmel is natuurlijk niet altruïstisch; het insect zorgt voor verspreiding.

Inmiddels heeft Courbois op een zomer­eik een ananasgal gevonden, een ideale gal voor de beginner. Het is een knoeperd – ruim 3 centimeter groot – en lijkt inderdaad sprekend op een ananas. De eik blijkt sowieso een goede gastheer. Honderden soorten insecten (onder meer luizen, rupsen, mineerders) vinden voedsel op de eik, waaronder 60 galvormers. De beuk is met zijn gladde stam en zure bladeren beduidend minder aantrekkelijk en biedt slechts acht galvormende insecten ­domicilie.

De nodige eikenbladeren worden bevoeld en bekeken en al snel wijst de kenner op een, zoals hij het noemt, plaatjesgal. Voorzichtig snijdt hij het bolletje open. “Was te verwachten. De larve is inmiddels vertrokken om op de grond in de strooisellaag te verpoppen.” En inderdaad; in het ­binnenste is een kleine holte met een afwijkende kleur te zien.

Ongeveer 800 galvormende insecten in Nederland

Wat verderop op de heide trekt een beuk Courbois’ aandacht en even zet hij de pas erin. Hij vervolgt zijn gallenrelaas. In Nederland komen ongeveer 800 galvormende insecten voor; 200 tot 300 gallen zijn geregeld te vinden. De variatie is enorm. Er zijn reuzen met als kampioen de bittere wilgenworstjesgal (5 cm) en de rozenmosgal (5 cm) met de schietwilgwratmijtgal (1-2 mm) en de lijsterbespokgal (1-2 mm)als mini-­tegenhangers. De ene gal is keihard, de ander boterzacht, de ene gladrond, de ander pluizig. Ze verschillen ook in de plek waar de larven verpoppen. Sommige larven doen dit terwijl de gal nog aan de boom hangt, ­andere knagen zich uit de gal en verpoppen in de strooisellaag.

Op weg naar de beuk passeren we een hulst. Courbois stiefelt er resoluut aan ­voorbij. “Niet interessant. Een hulst investeert, net als bijvoorbeeld kardinaalsmuts en kornoelje veel energie in zijn afweer. De hulst heeft een stug blad, de andere verweren zich vermoedelijk chemisch.”

Matthijs CourboisBeeld Bram Petraeus

Een verdwaalde roos blijkt wel aantrekkelijk, ook voor Courbois. Doorns lijken hem niets uit te maken. Een flinke schram ten spijt toont hij enthousiast een rozenmosgal, een prachtig pluizig bolletje. Een beuk brengt een haarviltgal, een beukenviltgal, een eik een grijze fluweelgal.

Leuk natuurlijk voor gallenliefhebbers, al die gallen, maar wat hebben we eraan om ze op te sporen? Veel, vindt de ecoloog. Het gaat de ongewervelden beroerd en gallenkennis betekent kennis over galwespen, -mijten, -muggen, -bladluizen en schimmelwespen. Over de verspreiding van de galvormende insecten bijvoorbeeld. Hun larven zijn onderling moeilijk te onderscheiden; de gallen wel. Kennis over de gallen betekent een groter inzicht in de biodiversiteit, de af- of toename van de insectenrijkdom en de ecologie. Zo ontdekten gallenonderzoekers dat de bramentakgalwesp het vooral goed doet op kalkrijke grond en dat de esdoorngalwesp vrijwel alleen in Zuid-Limburg voorkomt, vermoedelijk omdat daar nog veel inheemse esdoorns staan. “Alweer een argument om meer inheemse bomen en struiken aan te planten”.

Vanuit de overtuiging dat meer kennis over gallen belangrijk is voor betere bescherming van insecten, is de campagne ‘Met z’n allen plantengallen’ vooral een oproep om massaal om naar woekerende cellen te gaan turen. Het doel is om uiteindelijk tot een gallenatlas te komen, compleet met verspreidingskaarten.

Dan wordt het verhaal wat fragmentarisch en hakkelend; er staan simpelweg te veel eiken hier, aan de rand van de Ginkelse Hei. Courbois is niet bij de les te houden. Om de haverklap duikt hij weg tussen het gebladerte. Takken worden op ooghoogte gebracht, gevallen blad omgewoeld en diep gebogen bekeken.

Hij komt weer tevoorschijn, nu met een mooie geel-rode bol – een galappel – in zijn hand. Het keukenmes komt weer tevoorschijn, de galman doorklieft… “O. Heb per ongeluk de larve doorgesneden. Jammer.”

Lees ook: 

Twee mannen hopen 7500 dieren en planten te vinden (en ze zijn al aardig op weg)

Insecten, grassen, mossen, planten, vogels, dieren: wat leeft er allemaal in de Nederlandse duinen? Waarnemers knielen, graven, turen en wachten: op naar de 7500!

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden