ReportageZeldzame soorten

Het vuur van de grote vuurvlinder schittert vooral in de Weerribben

Grote vuurvlinderBeeld Egbert Beens

Alleen op de veenmosrietlanden van de Weerribben en de Rottige Meente komt ’s zomers de grote vuurvlinder voor. Het hoogtepunt van zijn vliegtijd is nu. 

De grote vuurvlinder verliet sinds 1950 het ene gebied na het andere. Waar de vochtige hooi- en rietlanden plaatsmaakten voor intensieve landbouw, verdween hij. Alleen in de laagveenmoerassen in de kop van Overijssel en aangrenzend Friesland hield de soort stand. In de Lindevallei en de Rottige Meente was het in de jaren tachtig gedaan met de vlinders. Verrassend genoeg werd de Rottige Meente tien jaar later opnieuw gekoloniseerd. De vrouwtjes van grote vuurvlinders draaien hun vleugel niet om voor een vliegreis van twintig kilometer, dus ze zijn waarschijnlijk uit de Weerribben komen aanvliegen. In de Wieden, het plassengebied rond Giethoorn, komen ze volgens Egbert Beens van Staatsbosbeheer niet meer voor. Om ze daar een herkansing te geven wordt er een vochtige, bloemrijke verbinding met de Weerribben aangelegd.

Daar weet Beens een stuk of zes plekken waar de vlinders rondhangen. “Ze zijn er weer, maar minder dan twee jaar geleden en vorig jaar”, vertelt hij. “En ze zijn veel later. Dat komt door het weer. De vorige twee zomers waren veel warmer. Misschien dat er door de droogte van vorig jaar nu minder zijn. Minder nectar, minder overlevende rupsen.”

Beens inspecteert de grote bladeren van waterzuring, om de groene rupsen te zoeken. Waterzuring is de enige plantensoort waarop grote vuurvlinders eitjes afzetten. Iets anders zouden hun rupsen niet lusten. Bij sommige waterzuringen staat een stok. “Daar zijn eitjes op gevonden. Dankzij de stok weet de maaier dat hij om die waardplanten heen moet maaien.”

Afgezien van deze kraamkamers moet er wel gemaaid worden, anders veranderen de rietlanden in moerasbos. Staatsbosbeheer vergroot het leefgebied door moerasbos te verwijderen en verzuurde grond af te plaggen. “Met lichte machines”, vertelt Beens, “vanwege de zompige, soms drijvende bodem. Een dure grap: vijftigduizend euro per hectare.”

De volwassen vlinders eten niet, maar drinken wel nectar. Beeld Koos Dijksterhuis

De volwassen vlinders eten niet, maar drinken wel nectar. Bloemen genoeg hier, vooral moeraswederik en moerasspirea bloeien uitbundig, maar grote vuurvlinders hebben volgens Beens een sterke voorkeur voor kale jonker en kattenstaart. Kattenstaarten zijn er weinig, dit jaar. En de kale jonkers, distels die hier veel staan, zijn grotendeels al uitgebloeid. “De timing van vuurvlinders en kale jonkers is dit jaar niet goed afgestemd”, zegt Beens. Er vliegen bruine zandoogjes en dagpauwogen en zelfs een zilveren maan. Een zilveren maan is een eveneens zeldzame vlinder, maar die komt op meer plekken voor.

Ottergeil

Grote vuurvlinders mogen dan vurig gekleurd zijn, groot zijn ze beslist niet. Een klein koolwitje is groter. Ze heten alleen ‘groot’ omdat ze groter zijn dan kleine vuurvlinders, die veel algemener zijn. Beide vuurvlinders horen, hun oranjerode kleur ten spijt, bij de vlinderfamilie van de blauwtjes.

Een tuinfluiter zingt, een rietgors vliegt over, en Beens wijst een otterpaadje aan, compleet met poep dat glinstert van de vissenschubjes. Er ligt wat glanzende nattigheid. “Ottergeil”, zegt de boswachter, “een geurtje waarmee hij met andere otters communiceert.” Er lopen mannen rond met enorme camera’s; ze weten precies waar vuurvlinders te verwachten zijn. “Hier zaten de vlinders vorig jaar ook”, vertelt Beens, “en toen is het veldje volledig platgelopen, ondanks de verbodsbordjes. Er stond geen plant meer overeind. Daar zullen we dit jaar dus geen vlinder zien. Zo jammer, je kunt ze toch even goed vanaf het weggetje fotograferen? Kijk daar is een vers spoor; verrek, er loopt iemand dwars door het verboden gebied.” De ‘iemand’ wordt opgewacht en verklaart dat hij de vele verbodsbordjes niet had gezien. Hij komt er met een waarschuwing vanaf.

Grote vuurvlinderBeeld Koos Dijksterhuis

Enkele rietlanden waar grote vuurvlinders leven zijn alleen per bootje bereikbaar en blijven gevrijwaard van fotografen. Beens legt op meerdere plekken aan. “Dit zijn echte veenmosrietlanden”, zegt hij. “Sommige krijgen trekjes van hoogveen, met een groeiend pakket veenmos. Daarop vestigen zich dan ronde zonnedauw en dophei.”

Beide soorten zijn hier veel, ook een teken van verzuring, terwijl waterzuring ondanks zijn naam van basisch water houdt, zoals in de sloten hier. Daar staat waterzuring aan de oevers. Die rietlanden staan verder vol kale jonkers, wederik, blauw glidkruid en allerlei andere bloemen. Het riet is er maar dun gezaaid. “Ja”, grijnst Beens, terwijl een purperreiger overvliegt, “de rietlanden zijn geen rietvelden. Wel worden ze op ons verzoek door de vroegere rietsnijders gemaaid.”

Eerst werden de Weerribben en Wieden afgegraven voor turf, later gemaaid voor riet. Veel villa’s hebben een rieten dak van Weerribbenriet. Maar die oogst levert lang niet meer genoeg op. Tegenwoordig betaalt de terreinbeheerder de rietsnijders voor hun werk. Ze verkopen het riet wel, als bijverdienste, weet Beens. “Hier, eitjes!” Aan de onderkant van een waterzuringblad kleven zes witte bolletjes, formaat speldeknopje. Echt piepklein zijn ze. Waar zijn de vlinders die ze legden? Rupsen zijn nergens te vinden. Zijn ze al tot vlinders verpopt? Maar waar dan?

Ze moeten er zijn. Wat maakt dit gebied zo speciaal, dat ze uitsluitend hier voorkomen? Ooit zijn ze uitgezet bij het Naardermeer en in nationaal park de Alde Feanen, maar daar sloegen ze niet aan. Terwijl daar ook schoon water is met laagveenrietlanden, waar waterzuring groeit en kale jonkers en kattenstaarten bloeien. Waar het land voorzichtig gemaaid wordt en geen mensen doorheen mogen banjeren. Wat hebben de Weerribben wat andere gebieden niet hebben?

Zwartgeblakerd

“Het enige wat ik kan bedenken”, zegt Beens, “is dat we hier op sommige plekken, waar het gemaaide riet niet afgevoerd kan worden, de boel verbranden. Op de zwartgeblakerde grond komen altijd veel nectarbloemen op. In de Rottige Meente doen ze dat ook, en komen de vlinders eveneens voor, maar in de Wieden doen ze het niet, en daar zijn de vlinders verdwenen. Maar of dat echt de reden is, weet ik niet, laat staan hoe dat dan werkt.”

Ineens dwarrelt er verderop een vlinder op uit de planten, om razendsnel in een boog weer weg te duiken. Drie dagen later is het warmer en warempel, in gezelschap van drie zilveren manen poseert een grote vuurvlinder een kwartier lang op en aan de bloem van een kale jonker. Zijn opgeklapte vleugels zijn oranje respectievelijk heel lichtblauw, met zwarte stippen. Als ie zijn vleugels spreidt, komt de oranjerode bovenkant in zicht – wat een vuur!

Lees ook:

Het vlindergoud gaat naar de atalanta

De strijd om het goud was eigenlijk al vroeg beslist. Winnaar is de atalanta, die de afgelopen maand het vaakst werd geteld in Nederlandse tuinen en op balkons. 

Overijsselse rietsnijders zijn bezorgd: ‘Straks verdwijnt het riet en komt er bos voor in de plaats’

Rietsnijders in de Weerribben maken zich zorgen over een aangekondigde halvering van de beheerssubsidie. Met een lagere vergoeding komen volgens hen natuurwaarden in het gedrang. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden