Een wolf.

Essay Defaunatie

Het vee moet wijken voor wilde dieren

Een wolf. Beeld Thinkstock

Nederland verspeelt in hoog tempo dieren- en plantensoorten. Gelukkig komen wilde dieren terug. Geef hun de ruimte, stelt Jozef Keulartz - dus is het hoog tijd voor een forse krimp van de veestapel.

Op de Earth Summit, de gedenkwaardige VN-conferentie inzake milieu en ontwikkeling die in 1992 in Rio de Janeiro plaatsvond, werden twee verdragen getekend: het klimaatverdrag en het biodiversiteitsverdrag. In de 25 jaar daarna kreeg het klimaatverdrag veel meer aandacht dan het biodiversiteitsverdrag. In de publieke en politieke discussie draait het haast uitsluitend om klimaatverandering en energietransitie. En dat terwijl het biodiversiteitsverlies een even groot gevaar voor de toekomst van de planeet vormt als de klimaatverandering. Dat blijkt ook wel uit het 1800 pagina’s dikke rapport, waarmee het biodiversiteitspanel van de Verenigde Naties dit voorjaar wereldwijd de aandacht trok vanwege het rampscenario dat het schetst: wanneer de mens op de huidige voet verdergaat, zullen maar liefst een miljoen planten- en diersoorten de komende decennia uitsterven.

In Nederland is maar zo’n 15 procent van de oorspronkelijke biodiversiteit over. Daarmee is het verlies aanzienlijk groter dan elders in Europa. Of, in de woorden van Johan van de Gronden, voormalig WNF-directeur, Nederland is momenteel ‘kampioen biodiversiteitsverlies in Europa’. Valt deze ‘defaunatie’ te stoppen of zelfs te keren? Om die vraag te kunnen beantwoorden is het nodig de situatie van wilde dieren in ons midden in kaart te brengen.

Laten we met het goede nieuws beginnen: Europa kent een spectaculaire comeback van wilde dieren. Ook in Nederland zijn veel soorten terug van weggeweest, of ze hebben zich flink hersteld. Sommige zijn spontaan teruggekeerd, zoals de oehoe, de kraanvogel en de zeearend. Ook de wolf heeft zich hier inmiddels gevestigd. Andere soorten zijn via herintroductie een handje geholpen, zoals de raaf, de ooievaar, de bever, de otter, de das en nog vrij onlangs de wisent.

Deze comeback van wilde soorten is mogelijk door de grootschalige herbebossing en herbegroeiing als gevolg van de uitgebruikname van laagproductieve landbouwgronden en de daarmee gepaard gaande ontvolking van het platteland, vooral in berggebieden. Een andere belangrijke drijvende kracht achter de terugkeer van wilde populaties was de opkomst van de milieubeweging in de jaren zeventig die draagvlak creëerde voor Europese wetgeving voor de bescherming van soorten en leefgebieden.

En dan het slechte nieuws

Dit goede nieuws wordt enigszins overschaduwd door slecht nieuws. Behalve met inheemse soorten die hier na een langdurige afwezigheid terugkeren, hebben we namelijk ook te maken met uitheemse soorten, ‘exoten’ zoals de wasbeerhond, de halsbandparkiet en de Pallas’ eekhoorn. Als distributieland en Europa’s belangrijkste gateway is Nederland uitgegroeid tot Europees kampioen exoten. Ook de klimaatverandering zorgt voor een toestroom van exoten. Terwijl koudeminnende soorten naar het noorden wegtrekken, komen warmteminnende soorten vanuit het zuiden onze kant op. Onder die nieuwkomers bevinden zich plaagsoorten die voor veel overlast zorgen. Denk maar aan de eikenprocessierups die in de lente de voorpagina’s haalde.

Op basis van een rapport voor de Europese Commissie uit 2015, komt hoogleraar invasiebiologie Rob Leuven tot de conclusie dat invasieve soorten in Europa behoren tot de topdrie van oorzaken voor de achteruitgang van de met uitsterven bedreigde soorten van de Rode Lijst van de IUCN.

Er is sowieso weinig reden tot juichen over de comeback van wilde dieren: de meeste populaties van teruggekeerde soorten hebben nog lang niet een genetisch en demografisch duurzame omvang bereikt, terwijl veel soorten bovendien nog steeds in omvang dalen. In feite bevinden we ons midden in een nieuwe massa-extinctie. Daarvan is sprake wanneer de aarde meer dan driekwart van haar soorten verliest. Dat is in de loop van de geschiedenis van de aarde slechts vijf keer eerder gebeurd, het laatst 65 miljoen jaar geleden toen de dinosauriërs van de aardbodem verdwenen.

Hoezeer wilde dieren wereldwijd in de verdrukking zijn geraakt, blijkt overduidelijk uit het gegeven dat de biomassa van alle mensen op aarde tien keer zo groot is als die van alle wilde landzoogdieren samen, terwijl de biomassa van landbouwhuisdieren zelfs 35 keer zo groot is als die van alle wilde landzoogdieren. Onder de gewervelde dieren zijn homo sapiens en bos taurus (rund) inmiddels de veruit dominantste soorten op aarde geworden.

Wilde zwijnen op de Veluwe.

Honderden miljoenen kippen, varkens en koeien

In Nederland zijn die verhoudingen nog een flink stuk schever. Ons land is het op drie na dichtstbevolkt land ter wereld, maar tegelijkertijd de op één na grootste exporteur van landbouwproducten. Qua veedichtheid staat ons land zelfs helemaal boven aan de wereldranglijst. Het aantal landbouwhuisdieren bedroeg in 2016 ruim 126 miljoen. De ruim 105 miljoen kippen vormen de grootste groep, gevolgd door de 12 miljoen varkens en de 4 miljoen runderen. En dat terwijl het aandeel van de veeteelt in het bruto binnenlands product slechts een luttele 0,6 procent bedraagt.

Bijna twee derde van ons grondgebied heeft een agrarische bestemming, en twee derde daar weer van is in gebruik door de veeteelt. Het grote ruimtebeslag van de veehouderij zorgt voor ernstige biodiversiteitsproblemen. Voor echte natuur blijft momenteel slechts 13 procent over, waarvan de helft bestaat uit grote binnenlandse wateren zoals de Waddenzee en het IJsselmeer. Volgens het Living Planet Report ‘Natuur in Nederland’ (2015) zijn de dierenpopulaties in natuurgebieden sinds 1990 met gemiddeld 30 procent afgenomen. En uit een rapport van het Europese Milieuagentschap blijkt dat in Nederland slechts 4 procent van de habitattypen een gunstige staat van instandhouding heeft, het laagste percentage van alle 27 EU-lidstaten.

De hoge veedichtheid brengt niet alleen de ruimte voor natuur in het gedrang, maar leidt ook tot grote milieuproblemen die de kwaliteit van de natuur aantasten. Nederland kent de hoogste stikstof- en fosfaatoverschotten van alle EU-lidstaten. De zeer hoge ammoniakuitstoot leidt tot verzuring en vermesting van natuurgebieden en heeft zodoende een zeer nadelig effect op de biodiversiteit en eveneens op de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater.

De conclusie is onontkoombaar: wat eerst en vooral nodig is om ruimte te scheppen voor wilde dieren, is een stevige krimp van de veestapel.

Meer ruimte voor natuur is niet alleen een kwestie van het aantal hectares oppervlakte, maar betreft ook het beheer van de natuurgebieden. Dat dient wilde dieren de ruimte te bieden om hun ecologische rol te vervullen en zodoende natuurlijke processen weer een kans geven die essentieel zijn voor het hoognodige biodiversiteitsherstel. Het huidige wildbeheer perkt die ruimte juist sterk in vanwege de centrale plaats van de grootschalige jacht.

Nederland kent al decennia een nulstandbeleid voor groot wild, zoals dam- en edelherten en wilde zwijnen. De dieren worden getolereerd in een zeer beperkt aantal natuurgebieden zoals de Veluwe en de Meinweg in Zuid-Limburg. Komen ze daarbuiten, dan wacht hun de kogel. Maar ook daarbinnen worden grote aantallen herten en zwijnen afgeschoten. Afschotpercentages tot 90 procent komen met enige regelmaat voor. De dieren kunnen hierdoor nauwelijks enige invloed uitoefenen op hun leefomgeving en worden in feite ecologisch uitgeschakeld.

Behalve deze grote wilde hoefdieren hebben jagers nog veel andere soorten in het vizier. Een voorbeeld is de bever, het grootste knaagdier van Europa. Na in 1826 lokaal te zijn uitgestorven, werd de bever na 1988 weer op verschillende plaatsen in Nederland uitgezet. Vooral de provincie Limburg, die in 2019 al zo’n duizend bevers zou tellen, klaagt over ‘probleembevers’ die voor veel overlast zouden zorgen. 

De provincie heeft het plan dit aantal door afschot tot vijfhonderd terug te brengen.

Een beer in Finland.

Deportatie

Het patroon is op veel plaatsen herkenbaar: eerst met veel bombarie (en subsidie) een lokaal uitgestorven diersoort herintroduceren als aanwinst voor de Nederlandse natuur, maar de dieren vervolgens vogelvrij verklaren wanneer het succes van deze actie ons ongemak oplevert. Zoals een ecoloog ooit opmerkte, maken we ons drukker om soorten die toenemen dan om soorten die afnemen.

Een van de belangrijkste gevolgen van de schaalvergroting en intensivering van de landbouw is de trek van veel wilde dieren naar dorp en stad. Neem de scholekster, die al een transitie van kustvogel tot weidevogel had doorgemaakt en die nu zijn heil in de stad zoekt. Of neem de steenmarter. Omdat moderne stallen niet langer geschikt zijn als rust- en slaapplek, is het dier vertrokken naar dorpen en steden waar hij voldoende voedsel én een warm onderkomen kan vinden.

Omdat deportatie naar de wildernis of domesticatie tot landbouwhuisdier of gezelschapsdier voor het gros van zulke dieren geen reële opties zijn, zouden we hun aanwezigheid moeten accepteren en ze niet als paria’s behandelen. Daar staat tegenover dat we ze niet op dezelfde manier hoeven te behandelen als onze huisdieren, maar met uiterste terughoudendheid – niet voeren, geen vriendschappelijke banden aanknopen, dat leidt slechts tot conflicten waarvan vooral de dieren zelf het slachtoffer zijn.

Al met al roept de groeiende aanwezigheid van dieren in ons midden veel vragen op. Wat doen we met de milieu- en welzijnsproblemen in de intensieve veehouderij? Hoe samen te leven met wilde dieren zoals ganzen en wilde zwijnen? Is de jacht wel een probaat en moreel verantwoord middel om overlast van deze dieren te bestrijden? Hoe bejegenen we vossen, slechtvalken en andere wilde dieren die momenteel onze steden intrekken? Wat te doen met de vele exoten die via wereldhandel en massatoerisme in groten getale tot ons komen? En hoe zit het met de dieren die door uitsterven uit ons midden dreigen te verdwijnen? Kortom: hoe kunnen we onze relaties met al deze verschillende dieren in een sterk veranderende wereld vormgeven zonder dierenwelzijn en soortenrijkdom verder aan te tasten?

Dierenbeschermers tegenover natuurbeschermers

Daarover verschillen dieren- en natuurbeschermers van mening. Dierenbeschermers geven over het algemeen prioriteit aan het welzijn en de rechten van individuele dieren en hebben de neiging om het belang van het behoud van soorten te bagatelliseren. Natuurbeschermers verzetten zich tegen deze individualistische benadering en maken dierenwelzijn en dierenrechten gewoonlijk ondergeschikt aan het belang van soortbehoud. Zo wordt het bestaansrecht van de dierentuin door dierenbeschermers doorgaans fel betwist, terwijl natuurbeschermers de dierentuin vanwege de fok- en herintroductieprogramma’s juist zien als een onmisbaar wapen in de strijd tegen het biodiversiteitsverlies.

Vooral sinds de opkomst van het ‘ecomodernisme’ bestaat er ook tussen natuurbeschermers onderling veel verschil van mening. Een centraal twistpunt is de relatie tussen natuur en landbouw; terwijl ecomodernisten mens en natuur willen ontkoppelen en ruimte voor natuur willen sparen door een verdergaande intensivering van de landbouw, pleit de traditionele natuurbeweging doorgaans voor natuurinclusieve landbouwvormen.

Met het oog op de biodiversiteit is het hoog tijd dat dieren- en natuurbeschermers hun controverses te boven komen en zich gezamenlijk sterk maken voor een genuanceerd beleid.

Zo kunnen ze aan de hardnekkige dierentuincontroverse een einde maken door dierentuindieren tegelijk op twee manieren te gaan bekijken: als individuen die specifieke zorg nodig hebben en als leden van een soort die bescherming behoeft. Dierentuinen handelen dan ethisch verantwoord als ze een billijk evenwicht weten te vinden tussen dierenwelzijn en soortbescherming.

En zo valt bijvoorbeeld ook de ideologische tweestrijd over natuur en landbouw te beslechten door de meer technologische landbouwvisie van de ecomodernisten en de meer ecologische visie van de traditionelen niet te zien als twee elkaar uitsluitende alternatieven, maar als eindpunten van een continuüm. Natuurinclusieve landbouwvormen (zoals voedselbossen) zouden als buffer kunnen fungeren rondom natuurgebieden. Stedelijke gebieden kunnen werk maken van ‘verticale landbouw’, waarvan ecomodernisten voorstander zijn. Hierbij draait het om hightechvoedselflats voor het kweken van groente. Deze stadslandbouw maakt geen gebruik van pesticiden en het waterverbruik is een fractie van wat de traditionele landbouw verbruikt.

In de zone tussen natuur- en stedelijke gebieden is plaats voor landbouwbedrijven die met bulkproducten als tarwe, koolzaad en maïs kunnen concurreren op de wereldmarkt. 

Emeritus hoogleraar milieufilosofie Jozef Keulartz (1947) schreef de laat­ste jaren over dierethiek, milieufilosofie en natuurbeleid. Dit essay is de verkorte inleiding van zijn boek ‘Dieren in ons midden. Samenleven met dieren in het tijdperk van de mens’, dat deze week verschijnt.

Lees ook

Hoe moeten we denken over dieren?

Hoe verhouden we ons tot dieren en hoe gaan we met ze om? Welke denkers kunnen ons helpen om antwoord op die vragen te vinden? 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden