Het raadsel van de vrouwtjeseend: waar is zij?

Ook bij de kuifeend ligt de verhouding scheef. Beeld Colourbox

Het is een gegeven: je hebt mannetjes en vrouwtjes. Zo ook bij eenden. Toch, bij sommige eendensoorten zijn er veel meer mannetjes dan vrouwtjes. Veldonderzoek moet het antwoord opleveren.   

“121-84, 122-94, 122-95, 122-96, 122-97”, mompelt de man, af en toe de neus snuitend. Het lijkt het verslaan van een sportwedstrijd, dit gemurmel, maar dan wel een rare. Een vrouw passeert, verbaasd en licht afkeurend; een dartele hond veroorzaakt een frons bij de fluisteraar.

De Reeuwijkse Plassen, een koude, mistige winterdag. Het water vol eenden, de mompelende man, vogelonderzoeker Erik Kleyheeg, achter een telescoop. “Tot nu toe zitten we op 56 tegenover 44 procent. Minder scheef dus, maar conclusies mag je daaruit nog niet trekken. Voor statistisch betrouwbaar onderzoek zijn er nog te weinig gegevens.” Het linkeroog wordt weer dichtgeknepen, het rechter gaat weer voor de telescoop en het tellen gaat verder. “123-97, 124- 97, 124-98.” Hier is het onderzoek naar de sterke achteruitgang van sommige eendensoorten gaande.

Hoewel een water zonder eenden nauwelijks voorkomt, gaat het lang niet met alle eendensoorten goed. Met een afname in aantal broedparen van 30 procent lijkt de wilde eend bij ons bijna in een vrije val. Ook Europees gaat de eend achteruit. 

Nog beroerder

De tafeleend is er nog beroerder aan toe. Niet zozeer in ons land – wij hebben een kleine maar stabiele populatie van 2000 paren – maar wel in de oostelijke landen inclusief Rusland. Omdat veel tafeleenden in Oost-Europa en Rusland op onbereikbare plekken broeden, wordt de omvang van deze zogeheten fly-way-populatie geschat aan de hand van het aantal dieren dat in West-Europa overwintert. Dat aantal is sinds 1990 gehalveerd. IJkmoment is elk jaar de midwintertelling, een Europees telmoment voor alle watervogels.

Die wintertelling geeft zicht op rare trekjes, zo viel een aantal jaren geleden de tellers in heel Europa op. Steeds weer waren er veel meer eendenmannen dan eendenvrouwen. Om meer grip te krijgen op dit verschijnsel, is drie winters geleden alle tellers gevraagd om tijdens de gebruikelijke midwintertelling bij de tafeleenden de verhouding man/vrouw te noteren.

De resultaten waren verbluffend, zo blijkt uit het verhaal van Kleyheeg en Albert de Jong, projectleider bij Sovon Vogelonderzoek. De verhouding tussen het aantal vrouwen en mannen blijkt heel scheef. De tafeleend spant de kroon met – op Europees niveau - 71 procent mannen en 29 procent vrouwen. In ons land is het nóg extremer. Van alle tafeleenden is 74 procent man en 26 procent vrouw.

De Jong; “In vergelijking met de uitkomsten van eerder onderzoek in de winter van 1989-1990 is de verhouding de afgelopen decennia duidelijk schever geworden. In die winter was de man/vrouw-verhouding in Europa 62-38 procent en in Nederland 65-35 procent.

“Tegelijkertijd met het schever worden van de verhouding is ook het aantal broedparen sterk verminderd. De vraag die dan naar boven komt is waarom steeds schever en steeds minder en natuurlijk of de twee met elkaar te maken hebben.”

Onder de loep

Om grip te krijgen op een antwoord, namen de vogelaars de winter erop de kuifeenden nader onder de loep. De kuifeend doet het beduidend beter dan de tafeleend.

Ook deze eend ‘is scheef’ met 62 procent mannen en 38 procent vrouwen, maar is de afgelopen dertig jaar niet echt schever geworden. Engels onderzoek in de jaren tachtig gaf 59 procent mannen en 41 procent vrouwen. Minder of geen achteruitgang, minder verandering in de verhouding?

Dit jaar is de krakeend aan de beurt, vertelt Kleyheeg, terwijl hij zijn telescoop op de nek neemt. Hij loopt een paar honderd meter verder en klapt de telescoop weer uit om door een lichte mist heen op een groepje krakeenden in te zoomen. Een minuut of vijf minuten is praten onmogelijk. Tellen en praten gaan onmogelijk samen. Het vorig aantal is vastgelegd en de teller staat weer op nul. De groep krakkers is bescheiden en met een stand van 24-29 kan de vogelman zijn verhaal vervolgen. Kleyheeg en andere midwintertellers hebben nu zo’n 3000 krakeenden bekeken met een tussenstand van 56 procent vrouw en 44 procent man. Krakeenden doen het goed; zowel bij ons als in heel West-Europa.

Kleyheeg: “Het is te vroeg om conclusies te trekken. Veel meer gegevens zijn nodig. Je hebt een berg data nodig om statisch betrouwbare uitspraken te doen.”

Meer onderzoek is nodig, maar De Jong heeft al wel de nodige vermoedens. Een scheve man/vrouw-verhouding op zich is ecologisch goed te verklaren, begint hij zijn uiteenzetting. Er worden evenveel mannen als vrouwen geboren, maar al na het eerste broedseizoen lopen man en vrouw niet meer in de pas. De vrouwtjes broeden en zijn daardoor vaker slachtoffer van predatoren als vos en sinds een aantal jaren exoten als de Amerikaanse nerts en wasbeerhond. Ecologisch verklaarbaar “maar dat geeft nog geen duiding van het groeiende verschil in percentage mannen en vrouwen.”

Mogelijke oorzaak

Benadrukkend dat meer onderzoek nodig is, durft hij wel mogelijke oorzaken te noemen, toegespitst op de tafeleend. Tafeleendmannen hebben de – in mensenogen – onhebbelijke gewoonte om direct na de paring de plaat te poetsen. Ze verlaten broedgebied, ruien en vertrekken naar hun overwinteringsgebieden. De vrouwen broeden: een energieverslindende en ook nog eens knap linke bezigheid. Ze vertrekken later naar de overwinteringsgebieden. Mogelijk hebben de mannen daar inmiddels de beste plekken ingenomen. Een deel van de vrouwen vliegt daarom nog door en komt misschien op overwinteringsplekken met een slechtere voedseltoestand terecht.

“Als de overwinteringsgebieden in kwaliteit hebben ingeboet, door bijvoorbeeld vervuiling, klimaatverandering, bebouwing of jacht, is de overleving slechter. In Nederland lijkt dit overigens niet het geval. De Randmeren waar de meeste in Nederland overwinterende tafeleenden zitten, zijn schoner en daarmee beter geworden. Elders kan wel verslechtering optreden.” Ook in de broedgebieden – tafeleenden broeden vooral in Scandinavië en oostelijker landen – kan de situatie beroerder zijn geworden. ‘We weten het niet”, concludeert De Jong. Een groot Europees wetenschappelijk onderzoek hiervoor is in voorbereiding. Kleyheeg: “Weten begint altijd met het verzamelen”. Het lijkt of hij zichzelf moed inspreekt. De koude is inmiddels tot diep in de botten doorgedrongen. Langzaam verdwijnen de eenden in het grijze winterlicht. De telescoop gaat op de nek.

Kuiken onder de maaier

Onze wilde eenden doen het ook bijzonder slecht. Sinds 1990 is het aantal broedparen in ons land met 30 procent gedaald. De geslachtsverhouding bij deze eend is 60-40 procent. Onze wilde eenden zijn standvogels en overwinteren dus in ons land. De overwinteringsomstandigheden lijken hier niet verslechterd. Wilde eenden broeden echter heel vroeg en bij voorkeur op niet te ruig gras. Door het vroege broeden zijn de kuikens ‘de eerste eiwitbommetjes’ voor de toegenomen roofvogels en vossen. Voor de jonge dieren is het moeilijk voldoende insecten te vinden. Niet alleen omdat er vroeg in het jaar nog weinig zijn, maar ook omdat de insectenrijkdom minder is geworden. Bovendien zijn broedende vrouwtjes door de intensivering van de landbouw steeds vaker slachtoffer van koeienpoot of maaier.

Lees ook: 

Een Noord-Amerikaan in Appingedam

Koos Dijksterhuis gaat met een vriend in Oost-Groningen ­vogels. Op internet had hij gezien dat er een ringsnaveleend zat in een vijver in Appingedam. Maar wat voor een eend is dat?

Eenden vangen voor de wetenschap

Eendenkooien dienen het onderzoek naar vogelgriep, schrijft Rob Buiter. Af en toe blijft er nog een boutje over voor de poelier.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden