Het raadsel van de verdwenen patrijs

Anja van Servellen en Rob Bisschops inspecteren het stro op een veld in Voorhout. Beeld Inge Van Mill

Patrijzen en bollenvelden lijken voor elkaar gemaakt. Maar terwijl andere bollenvogels floreren, kwijnt de patrijs weg. Tellers en telers onderzoeken hoe dat komt.

De bollenvelden liggen er deze grauwe winterdag bij zoals je zou verwachten: desolaat, doodstil en bijna troosteloos. Op de met stro bedekte velden geen leven te ontdekken; plant noch dier die zich hier wagen. Maar dan opeens vallen in het gele stro drie bruine hoopjes op, scharrelend. “Zie je wel. Ze zijn er wel. Je moet alleen het geluk hebben ze te zien. Patrijzen. Daar word je toch blij van.”

Fier loopt bollenkweker Rob Bisschops door zijn Voorhouts bollenland. Speuren ten spijt lukt het hem niet nog meer patrijzen te vinden. Wel twintig fladders in de verte. “Veldleeuweriken”, constateert zijn kompaan Anja van Servellen. Samen banjeren ze door, druk pratend over het patrijzenproject waar beiden vol van en druk mee zijn. Verhalend.

Een foeragerende patrijs. De vogel komt steeds minder voor in Nederland. Beeld buitenbeeld

Broedparen

Zoals de weiden hun weidevogels hebben, de bossen bosvogels en de stad stadse exponenten, kent de Bollenstreek bollenvogels. Veldleeuwerik, gele kwikstaart, scholekster en patrijs voelen zich er uitstekend thuis. Drie van de vier floreren. Alleen de patrijs blijft op een laag aantal hangen, maar weet zich nog wel te handhaven. Bisschops: “En ook dat is dwars tegen de, slechtere, landelijke trend in.”

Het gaat de patrijs uiterst beroerd; in Nederland én in Europa. Tussen 1984 en 2005 daalde het aantal broedparen in ons land met 90 procent. Op Europees niveau zo’n 87 procent. In de onlangs verschenen Vogelatlas wordt het aantal Nederlandse broedparen op nog slechts 4500 tot 5500 geschat.

Ook in de Bollenstreek – het gebied tussen Noord-Holland, Rijnsburg, Ringvaart en duinen – is het aantal broedparen flink gedaald, vertelt Van Servellen. “Vroeger hoorde je ze overal, nu hebben we nog maar een handjevol broedparen. Dat lijkt een verwaarloosbaar aantal, maar in tegenstelling tot elders zien wij nu weer een stijging of op zijn minst stabilisatie. Dat is in vergelijking met de landelijke trend al heel wat.”

Vanuit gemis en een grote natuurinteresse besloot de sociologe, gepensioneerd zelfstandig ondernemer managementtrainingen, een patrijzenproject op te zetten. De eerste twee medestrijders waren al gauw gevonden; vogelteller Paul Venderbosch en bollenteler Bisschops. Uit begaandheid én nieuwsgierigheid. Wijzend op een grote zilverreiger zegt de bollenman: “Het is onbegrijpelijk. Terwijl de bollentelers, vroeger toch notoire spuiters, het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen de afgelopen jaren heel sterk hebben teruggebracht, is het aantal patrijzen niet toe- maar afgenomen. Dat klopt toch niet. Dat moet toch anders kunnen.”

Vliegvlug

Venderbosch vult aan. “In de wintermaanden zien we hier grote kluchten patrijzen van twintig tot veertig vogels. Het zijn families. Er komt dus toch een flink aantal jongen groot dat in staat is om te vliegen. Maar ergens in de wintermaanden gaat het mis.” Hoeveel kluchten de Bollenstreek telt, is nog onduidelijk.

Dat het bollenland in principe geschikt is als patrijzenbroedgebied, vindt Van Servellen niet vreemd. De vogel broedt vrij laat – in mei – en heeft dan vooral rust nodig. En die is er. De bloei van de voorjaarsbollen is voorbij, het gewas is aan het afsterven, de najaarsbollen groeien en niemand komt op het land. “Rust en blijkbaar zijn er ook nog genoeg insecten voor de jongen. Ze weten immers vliegvlug te worden.”

De animo voor actie was daar, de tijd bleek rijp, ook al omdat de provincie Zuid-Holland de patrijs als icoonsoort voor de Bollenstreek had uitgeroepen en er dus wat geld beschikbaar was. Ook de bollentelers zelf lijken er klaar voor. Door bij bedrijf na bedrijf op bezoek te gaan en te verhalen over de patrijs en de andere bollenvogels, verzamelden Venderbosch en Van Servellen al snel medestanders die bereid zijn om vreemden op hun land toe te staan. Alleen hyacintentelers zijn huiverig voor vreemd bezoek zoals vogeltellers. Uit angst voor ziekten. Hyacinten zijn erg gevoelig voor snot, een bacterieziekte die zelfs via broekspijpen verspreid kan worden.

“We gaan op verschillende manieren aan de gang. Sovon-vogelonderzoek heeft een eerste nulmeting gedaan van het aantal broedparen. Van Servellen: “Het bleken er minstens dertig, volgens Sovon een levensvatbare populatie. Daarmee heeft een patrijzenproject hier dus wel degelijk zin.”

Wintervoedsel

Er worden nu zo’n dertig vrijwilligers uit de streek opgeleid die nog deze winter het aantal kluchten en in het voorjaar het aantal broedparen inventariseren. “Om geen tijd verloren te laten gaan, hebben we in nauwe samenspraak met de kwekers drie pilots met maatregelen bedacht die alle drie en op verschillende bedrijven worden uitgevoerd”, vertelt Van Servellen terwijl ze over het natte kavelpad ploetert en stilstaat bij een met stro gedekt veld. Als proef strooit Bisschops hier om de paar weken een baal gerst uit. Een manier om erachter te komen of het aan wintervoedsel schort. Zelf denkt Bisschops van niet: “Het stro waarmee de geplante voorjaarsbollen worden gedekt, bevat voldoende graan, maar we willen alles uitproberen.“

Op twee naburige bedrijven wordt respectievelijk in de zomer Japanse haver gezaaid en al dan niet gedekt met ruige mest. De haver komt nog gedeeltelijk in zaad en levert zo wintervoedsel. Daarna wordt het gehakseld om als dekking in de wintermaanden te dienen. Vossen, roofvogels en marterachtigen versmaden een patrijsje niet. De proef met haver plus ruige mest moet uitwijzen of toevoegen van extra insecten en bodemleven de jongen én de wintervogels verder helpt. De mest bevat immers insecten en verrijkt daarmee de bodem in juni, als er nog jonge vogels zijn.

De maatregelen worden gemonitord. En dat niet alleen. Mits de provincie nogmaals met een potje geld komt, wordt EIS Kenniscentrum Insecten ingeschakeld om de insectenrijkdom in kaart te brengen. Bovendien staat, naar de initiatiefnemers hopen, samen met het Hoogheemraadschap een proef op het programma om de kopse kanten van de akkers en de slootkanten met een kruidenrijk mengsel in te zaaien. Als voedselbron en als dekking tegen predatoren.

Tractorproof

Dat klinkt heel simpel, maar heeft nogal wat haken en ogen, legt Bisschops uit. “Dat kruidengewas moet ‘tractorproof’ zijn, mag niet uitzaaien in de velden en vooral ook geen aaltjes aantrekken. Daar bestaat geen afdoende en toegelaten middel tegen.” Samenwerking met onderzoeksinstellingen moet soelaas bieden.

Ondertussen trekken Van Servellen en Venderbosch als ware ambassadeurs rond in de Bollenstreek om nog meer telers te enthousiasmeren. Van Servellen: “Iedereen kan meteen al wat doen, ook ‘gewone’ burgers. Het is het bekende verhaal. Meer rommelhoekjes, minder efficiëntie, wat onkruid en natuurlijker tuinen. Zelfs dan zal het moeilijk genoeg zijn. Woningbouw, wegen en loodsen rukken ook hier op. Er rest steeds minder ruimte.”

Het land ligt er stil bij. Zo lijkt het. Dan schiet een patrijs verschrikt op.

Lees ook:

Europees reddingsplan voor de bedreigde patrijs

Ooit vlogen er nog miljoenen van deze boerenlandvogels in Nederland, inmiddels zijn er nog maar zo’n 10.000 broedparen. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden