O.C. HooymeijerCombinatienest

Het inventieve ‘combinatienest’ is een ongekende vorm van vogelsamenwerking

null Beeld O.C. Hooymeijer
Beeld O.C. Hooymeijer

Het torenvormige combinatienest is een schitterend voorbeeld van symbiose tussen twee totaal verschillende vogelsoorten.

Een ongekende vorm van samenwerking tussen de Kleine Savanne Albrak (Araqui herbius pico) en de Afrikaanse Maïspikker (Crimas terramhasius). De één een vervaarlijke carnivore roof­vogel (orde Calcinfornes, familie Araquatoren), de ander een klein formaat zaad- en graanetende zanger (orde Crimas Crimas, familie Terramina­riden).

Het nest wordt door de Albrak in een kleine drie weken gebouwd. De uiterst inventieve een tot twee meter hoge constructie van gevlochten takken, verdroogde planten, gras en mos wordt met een mengsel van vochtig leem en de eigen kalkrijke uitwerpselen tot een zeer solide wind- en waterbestendige toren ‘afgestuct’. Bovenop bevindt zich het met zachte pluimen en dons ­gevulde eierlegbed. Zodra de Albrak zijn werk heeft gedaan verschijnen de Maïspikkers. Het is voor de Maïspikkers van levensbelang om met het uithakken van de nestholtes aan te vangen voordat de leemlaag volledig is uitgehard, hetgeen in de verzengende Afrikaanse zon slechts enkele dagen in beslag neemt.

Nesttoren huisvest tot wel twintig afzonderlijk broedende paartjes

Bij een te late start is het voor de Pikkers onmogelijk om met de voor hen zo typerende zaadeterssnavel een nestingang uit te hakken, en gaat er een kostbaar jaar voorbij zonder voor nageslacht te hebben kunnen zorgen.

In succesvolle broedjaren kan een nesttoren tot wel twintig afzonderlijk broedende paartjes huisvesten, hetgeen resulteert in een gemiddelde van tussen de honderdvijftig en tweehonderd nakomelingen.

null Beeld O.C. Hooymeijer
Beeld O.C. Hooymeijer

De ‘gastvogel’, in dit geval de Albrak, welke de Maïspikkers niet alleen helpt bij het aanvoeren van het nestmateriaal en de buffervoorraad maiskolven, is ook een betrouwbare bewaker van het nest tijdens het leggen en uitbroeden van de eieren. Ook als de jonge Maïspikkertjes uit het ei zijn gekomen en de drukke voeder- en opfokperiode van twintig dagen haar aanvang neemt, beschermt de Albrak de gehele nestkolonie tegen predatoren zoals vooral de Malinese grasbig, de bosrenga en de diverse op de eieren en de jonge Maïspikkertjes beluste reptielen en geleedpotigen. Opvallend is dat op het menu van de Albrak kleine zoogdieren, maar vooral zangvogels en hoenderachtigen staan, maar hij zich nooit tegoed zal doen aan een Maïspikker.

null Beeld O.C. Hooymeijer
Beeld O.C. Hooymeijer

Daar de broedperiode van de Albrak een periode van minstens dertig dagen beslaat, kan zij haar eigen jongen na het uitkomen van de eieren in alle rust voederen. De zwerm volwassen Maïspikkers is immers al uitgevlogen. De jonge Maïspikkers die het niet hebben gered en de door uitputting gestorven oudervogels, alsmede de rottende niet uitgekomen eieren vormen een welkome variatie op het menu van de jonge, hongerige Albrakken.

Volksvogelwijsheid

Herkomst: Afrika, Zuid-­Somalië (Mniganda-nomaden). “Mnnuguri bui gahalâblâ raghi, kebbnekie rubia mnaghi ghalabakhi gnou­witras!”

Vertaling: “Het geluk straalt je toe als je dochter in het nest van een Albrak ligt”.

Iedere week beschrijft O.C. Hooymeijer een vogel die aan zijn brein is ontsproten. Eerdere afleveringen in de serie ‘De Wondere vogelwereld van O.C. Hooymeijer’ leest u hier.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden