Fred de Ruiter, schrijver van 'Natuurschatten' bij de vitrine waarin ook de mineralenverzameling van zijn vader staat.

InterviewNatuurhistorie

Fred de Ruiter schreef een boek over natuurhistorische collecties in Nederlandse musea. Saai? Allerminst

Fred de Ruiter, schrijver van 'Natuurschatten' bij de vitrine waarin ook de mineralenverzameling van zijn vader staat.Beeld Reyer Boxem

Zijn markante kop, met die flamboyante snor en modieuze bril, omlijst door licht krullend grijs haar, weerspiegelt de gedistingeerde Rotterdamse topambtenaar die hij zo lang is geweest. Maar eenmaal aan de praat, met twinkelende ogen, verandert Fred de Ruiter (72) in een jongetje dat telkens weer iets anders ontdekt in zijn langzaam uitdijende verzameling. Hij schreef een boek over natuurhistorische collecties in Nederlandse musea.

De Ruiter is gefascineerd door de wonderlijke natuur, zoals die ooit moet zijn geweest, en wat al die vreemde voorwerpen daar nog over vertellen. De voormalige dorpsschool in Groningen, waarin hij sinds enkele jaren met zijn echtgenote Joan woont, is licht en open dankzij de brede gang met ramen langs de voormalige lokalen, nu ingericht als ruime keuken, riante woonkamer, praktische slaapkamer en groene erker, met de hal als uitnodigende entree. Overal staan kasten, tafels, lijsten, vitrines en glazen potten met stenen, schelpen, eieren, fossielen, opgezette vogels, skeletten en schedels van dieren.

In een grote mahoniehouten kast met glazen deurtjes en een spiegel tegen de achterwand (“die vonden we in Engeland”) staat ook de verzameling mineralen van zijn vader, keurig voorzien van kleine naamplaatjes. “Hij deed dat wél zorgvuldig”, lacht De Ruiter. Zelf heeft hij niet zoveel geregistreerd. “Mijn verzameling stelt wetenschappelijk gezien weinig voor. Dan moet je weten wanneer een voorwerp is gevonden, hoe oud het is, waar het vandaan komt. Ik bewaar alleen de herinring aan hoe ik iets heb gevonden. Of gekocht. In kleine antiekwinkeltjes staat vaak van alles.” Zijn hand reikt naar een flinke gedroogde zeester in een standaard op weer een andere kast. “Zoiets vind je zelf niet.”

Verzamelen is nieuwsgierigheid naar hoe de wereld in elkaar steekt, zegt De Ruiter. “Een tijdlang zorgde het geloof voor die verklaring, maar met de toestroom van objecten van plaatsen waar we niet woonden, schoot die verklaring tekort en werd de nieuwsgierigheid groter.” Ook kunnen dode objecten de natuur dichterbij brengen. “Het is fascinerend om te zien hoe opzetten een beest een tweede leven geeft. Schieten voor de jacht of voor trofeeën is nergens voor nodig, maar je kunt geen vogel zo goed bekijken als wanneer hij doodstil voor je staat.”

In zijn boek ‘Natuurschatten, natuurhistorische collecties in Nederlandse musea’, dat deze maand verscheen, beschrijft De Ruiter hoe de scheepvaart in de zeventiende eeuw exotische objecten aanvoerde, als bijvangst naast specerijen, koffie en thee. Het verzamelen daarvan hadden de VOC-kooplieden afgekeken van Italiaanse notabelen en wetenschappers. Nederlandse studenten in steden als Bologna, Padua en Pisa brachten de kennis mee naar huis.

Rariteitenkabinetten die zo ontstonden kregen al snel ook een wetenschappelijke teneur. “Om goed te verklaren wat een wezen is, en hoe het zich verhoudt tot andere wezens, heb je materiaal nodig. Skeletten, preparaten, de botanische tekening en beschrijving van planten zoals Linnaeus dat deed. Verzamelen was toen vooral nodig om de wetenschap vooruit te helpen”, legt De Ruiter uit.

Die mix van fascinatie voor het onbekende en de drang om te onderzoeken is perfect bewaard gebleven in het Teylers Museum in Haarlem, het oudste museum van Nederland. Het statige pand aan het Spaarne bevat een wonderlijke verzameling van oude instrumenten, kasten vol fossielen en mineralen en wanden vol kunstwerken. Het is in 1784 gesticht uit de nalatenschap van bankier Pieter Teyler van der Hulst en er is al zeker honderd jaar niets meer veranderd aan de opstellingen. Het museum ademt de sfeer van andere tijden. Pretoogjes bij De Ruiter: “Als je als jongetje daar rondloopt, in de tweede zaal vol fossielen, dat is toch smullen!”

Bewaren heeft zin

De grote collecties die universiteiten in de vorige eeuwen hebben aangelegd, geven nog steeds aanleiding voor onderzoek. “Steeds vindt men weer iets nieuws, dus bewaren heeft zin. Een insectenverzameling kan bijvoorbeeld laten zien hoe het honderdvijftig jaar geleden was gesteld met de soorten, het DNA van een tomatenplant in Naturalis geeft informatie over die tomaat in vergelijking met de doorgekweekte soorten van nu. Een verzameling geeft inzicht in de biodiversiteit.”

Musea van universiteiten geven een wereld van toen weer, hun verzameling kon worden gebruikt in het onderwijs, maar ze laten vooral zien hoe de professor die haar bijeenbracht tegen de wereld aankeek, zegt De Ruiter. Dat persoonlijke verdwijnt in een groot, systematisch geordend museum als Naturalis. De Ruiter heeft juist een voorkeur voor persoonlijke collecties, die aan de basis hebben gestaan van veel kleine regionale natuurhistorische musea of zijn opgegaan in grotere.

Neem de collectie van Albert Boudewijn van Deinse, biologieleraar aan het Erasmiaans Gymnasium en medegrondlegger van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam, waar zijn kabinet een aparte kamer heeft gekregen. “De persoonlijke inkleuring, met een zwaar accent op de stranding van walvissen, laat zien hoe die man honderd jaar geleden les gaf.”

Bijzonder noemt hij ook het Missiehuis in het Limburgse Steyl, waar missionarissen konden laten zien waarmee ze in Afrika bezig waren. “De collectie is begin vorige eeuw zorgvuldig gesorteerd door broeder Berchmans. In 1931 is het museum geopend en nadien niet meer geactualiseerd, waardoor het als het ware een foto is, een tijdsopname van toen.” Dat is volgens De Ruiter mede te danken aan conservator Truus Coppus die in 1980 als 25-jarige vanuit het museum voor Volkenkunde in Leiden naar Limburg kwam om ‘de ogen van de opgezette dieren schoon te wrijven zodat ze tenminste weer konden kijken’ en al die tijd bleef om over het Missiemuseum te waken.

Fred de Ruiter in de gang van de oude Groningse dorpschool waarin hij woont.Beeld Reyer Boxem

Meester Bernink wilde zijn eigen museum

Met dit soort persoonlijke verhalen tilt De Ruiter zijn boek uit boven de boeiende geschiedenisles die het ook is, naast een inventarisatie van de 24 natuurhistorische musea die Nederland nu nog telt. Zoals dat van meester Bernink, grondlegger van Natura Docet in Denekamp, ook weer een leraar die vond dat hij bij zijn lessen wat moest laten zien en die, gesteund door natuurbeschermers van het eerste uur Jac. P. Thijsse en Eli Heimans, “zo eigenwijs was een museum te willen hebben”. Zijn dochter Heleen zou er na hem nog 23 jaar voor zorgen.

Er zijn meer van dit soort kleine musea geweest, die draaien op vrijwilligers. “We mogen wel wat meer bewondering hebben voor hun maatschappelijke waarde”, vindt De Ruiter. Sommige musea zijn gesneuveld omdat de lokale subsidie ophield of de politieke plannen veranderden, andere houden het tegen de klippen op vol. Zoals Miramar, een zeemuseum op het Drentse zand in Vledder, in 1956 gesticht door ‘juffrouw’ Jeanne Warners, ‘als een negentiende eeuwse ontdekkingsreiziger verdwaald in de twintigste eeuw’. Er komen nog maar een paar duizend bezoekers per jaar, de buurvrouw en haar twintig vrijwilligers houden het museum open.

De natuurhistorische wereld is de wereld van de ontdekkingsreizen, zegt De Ruiter, en van een onderzoeker als Charles Darwin, die met zijn evolutietheorie een duik in de geschiedenis heeft mogelijk gemaakt “naar de wereld die er was toen wij er nog niet waren”. Dinosauriërs maken daar deel van uit, en hoewel De Ruiter zegt dat hij niets snapt van de fascinatie voor dino’s, kent hij hun aantrekkingskracht. Het Oertijdmuseum in Boxtel trekt er zeventigduizend bezoekers per jaar mee en volgens geoloog René Fraaije, die het museum draait zonder subsidie, zit er nog rek in.

T-rex: een kaskraker

“Je hoeft maar twee skeletten neer te zetten en je hebt publiek, vaak jongetjes”, zegt De Ruiter. Op die manier liet Naturalis zijn vaste bezoekers de verbouwing van vorig jaar bijna vergeten. De tentoonstelling van de T-rex in Leiden was een kaskraker van jewelste.

Naturalis Biodiversity Center is Nederlands nationale natuurhistorische museum. Eigenlijk een wonder dat dit, in tijden van bezuiniging, heeft kunnen ontstaan in een gedecentraliseerd land, zegt De Ruiter.

Waar landen als Frankrijk en Engeland zoveel mogelijk in de hoofdstad concentreren, floreert in Nederland juist de regionale diversiteit. In Naturalis zijn de collecties samengebracht van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, het Rijksmuseum van Geologie en Mineralogie, het Rijksherbarium en het Zoölogisch Museum Amsterdam; de laatste verzameling verhuisde in 2010 vanuit Artis, waarmee de collectie van Naturalis in één keer bijna verdubbelde.

Met zijn LiveScience-ruimte, waar je als bezoeker kunt meekijken en vragen stellen bij onderzoek en preparatie, en zalen waar je zelf met botten aan een skelet kunt sleutelen, over de wereldbol raast of het mysterie van leven en dood probeert te ontrafelen, is Naturalis vooral een museum voor een jong publiek. De Ruiter snapt die keuze – het museum streeft naar 400.000 tot 500.000 bezoekers per jaar, al zit dat er door de coronacrisis voorlopig niet in – toch pleit hij om wat verder te kijken.

Natuurhistorische musea zouden zich meer mogen richten op de volwassen bezoeker, stelt hij, waarbij ze duidelijk moeten maken welke wereld ze laten zien. “Kunstmusea doen dat veel beter.” Daarbij zou Naturalis als nationaal museum zich wat meer om de kleinere musea mogen bekommeren: helpen bij een tentoonstelling, kennis delen. Het is een hartekreet. Twaalf musea werken samen in de Stichting Nederlandse Natuurhistorische Collecties (SNNC), het zou De Ruiter goed doen als die andere twaalf daar ook bij gaan horen. “Maar ik ga daar niet over. Ik ben op meerdere momenten betrokken geweest, als bestuurder in Rotterdam, als secretaris van het directeurenberaad van de musea, bij de oprichting van de SNNC, maar ik ga niet over de besluiten, dat is aan hen. Ik ben maar een verzamelaar.”

Natuurschatten. Natuurhistorische collecties in Nederlandse musea, uitgeverij Matrijs in samenwerking met Stichting Nederlandse Natuurhistorische Collecties, €24,95

Lees ook:

Antilopes en bijen komen in Leiden uit de kast

De nieuwbouw van Naturalis Biodiversity Centre biedt meer ruimte voor de circa 42 miljoen objecten. Een ontdekkingstocht door de collectie.

Dit is Aurora, de nieuwe oerdinosaurus van Boxtel

Het Oertijdmuseum in Boxtel heeft een langnekdinosaurus aangekocht. Het skelet is bijzonder compleet, maar de preparatie is een waar monnikenwerk.

Het nieuwe Naturalis moet ook twijfelaars naar binnen lokken

Het natuurhistorisch museum in Leiden gaat na een grondige metamorfose dit weekend weer open. Unieke dinoskeletten moeten ook de ‘museumtwijfelaars’ binnenlokken.

Porno, propaganda en griezelplaatjes, honderd jaar geleden was er al de toverlantaarn

Toverlantaarns liggen te verstoffen in de kelders van musea. Zonde vinden onderzoekers uit België en Nederland. Zij willen de ‘beamer van de negentiende eeuw’ weer afstoffen. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden