ReportageWeleda

Filosoferende tuinman Jan Graafland: ‘De natuur is veel intelligenter dan ik’

Beeld Werry Crone

Ruim twintig jaar werkt Jan Graafland (58) in de biodynamische tuin van Weleda. Over de lessen die hij al wiedend leerde, schreef hij verhalen.

Aan de rand van een industrieterrein, ingeklemd tussen twee windmolens en een hoogspanningsmast ligt een kleine oase: de tuin van Weleda. Van de planten die hier groeien, worden tincturen ­getrokken, die vervolgens worden verwerkt tot medicijnen, gezichtscrème, massageolie of bodylotion. Jan Graafland zwaait al twintig jaar de scepter over de tuin. Vijf dagen per week, zeven uur per dag, in alle seizoenen is hij buiten te vinden om te zaaien, te spitten, te zeisen en te oogsten. In zijn boek ‘Groene genade’ beschrijft hij op licht-filosofische wijze de inzichten die hij door de jaren heen opdeed.

Met een zonnehoed op en op klompen loopt Graafland door de kantine de tuin in. De zon schijnt laag over de gewassen tussen de kronkelpaadjes. Een winterkoninkje zingt vanuit het struikgewas. De meeste planten zijn in winterrust, maar de tongvarens steken fier hun groene tongen uit de grond. “Die gebruiken we voor preparaten voor de spijsvertering”, legt Graafland uit. Goudsbloem wordt in babyproducten verwerkt, kamille in huidverzorgingsproducten en rode zonnehoed voor producten die de weerstand verhogen.

Een knerpend geluid

In zijn boek beschrijft Graafland hoe pijnlijk het was om tijdens zijn eerste werkdagen bij Weleda klompen te dragen – die had hij sinds zijn tienerjaren niet meer aangehad. “Maar als je er eenmaal aan gewend bent, zit niks lekkerder.” Met een knerpend geluid loopt hij over het schelpenpad. Dan stopt hij: “En ze beschermen mijn voeten goed. Ik liet eens een snoerschaar vallen, die bleef rechtop in mijn klomp staan ...”

Twee jaar lang schreef Graafland in de avonduren aan zijn boek. “Die stroom kwam er zo uit”, zegt hij met een glimlach. Veel van de verhalen verzamelde hij tijdens de rondleidingen die hij geeft. Ieder jaar ontvangt de tuin van Weleda namelijk zo’n duizend nieuwsgierige bezoekers.

“Hier maak ik mijn eigen potgrond”, vertelt Graafland, terwijl hij het groene doek van de composthoop optilt en een hand gitzwarte aarde pakt. “Dit is zo fijn spul”, zegt hij tevreden. Hij laat de aarde door zijn vingers glijden. “Gemaakt van bladeren.” Dan pakt hij tussen duim en wijsvinger een roze worm beet, waarvan er een paar op het doek krioelen. Het beestje kronkelt over zijn hand. “Dit is in wezen een darm”, zegt Graafland stellig. “Je kunt wormen zien als darmen die door de aarde bewegen. Als je ze tegen het licht houdt, zie je de steeds donkerder wormenaarde.”

Beeld Werry Crone

Aangename bevrijding

Voordat hij tuinman werd, werkte Graafland vijftien jaar lang in de financiële dienstverlening. “Ik ging als een speer en reflecteerde nooit”, zegt hij. “Totdat mijn moeder overleed – ze was pas 64. Toen kon ik opeens niet meer verder. Het zette me aan tot denken wat écht bij me paste.”

De carrièreswitch was een ‘aangename bevrijding’, maar, voegt hij snel toe, “het waren ook angstige tijden. Ik was mijn decorum volledig kwijt. Uiteindelijk vond ik in het tuinieren mezelf terug.”

In het begin vond Graafland het werken in de tuin ‘dodelijk vermoeiend’. “Je zit zo een hele ochtend op je knieën te wieden … Mijn huid verbrandde snel, ik had hooikoorts en ik werd veel gestoken door de bijen. Toen ik van kantoor kwam, was ik echt een kasplantje. Langzaam ben ik afgehard – om in plantentermen te spreken.”

Beeld Werry Crone

In de tuin probeert Graafland zo veel mogelijk samen te werken met de natuur, zoals hij leerde tijdens de opleiding biodynamische landbouw die hij na zijn kantoorbaan volgde. “De belangrijkste les die ik van de tuin heb geleerd, is dat de natuur veel intelligenter is dan ik”, vertelt hij. “Je kunt maar beter meebewegen dan ertegen ingaan. Na het inzaaien van de bedden komt er bijvoorbeeld altijd wel onkruid op – ‘bijkruid’ noem ik het liever. Dat laat ik zo lang mogelijk staan. Ik wied alleen als het gewas er schade van ondervindt. Jarenlang hebben mijn collega’s en ik het heksenkruid en de hagewinde bij het nagelkruid weggehaald, totdat ik ontdekte dat die planten helemaal geen schade berokkenen. Dat scheelt ons een hele zorg.”

Graafland buigt zich over de gele winteraconieten, bodembedekkende, gele bloemetjes, elk omringd door een krans van groene bladeren. “Als je goed kijkt, zie je dat er al bijen op vliegen”, zegt hij, gefascineerd door het tafereel. “Prachtig!” De honingbijen die er vliegen – klompjes stuifmeel aan hun poten – zijn afkomstig uit een van de kasten op het terrein. “Deze bloemen staan net dicht genoeg bij de kasten om naartoe te vliegen”, legt Graafland uit. “Die beesten hebben de hele winter honger zitten lijden. De eerste keer dat ze naar buiten komen, maken ze hun darmen leeg – dan moet je echt uitkijken dat ze je niet onder schijten, de tweede keer halen ze vers stuifmeel.”

Beeld Werry Crone

In de warme kas, met een geraamte van cederhout, pakt Graafland een kweekbak met opkomende sprietjes beet. “Dat doet me heel veel plezier”, zegt hij zichtbaar vergenoegd. “Het slangenkruid is aan het doorkomen.” Achter in de kas staan zeven gieters op een rij. Ondergronds bevindt zich het waterbassin. Water geven doet Graafland zo min mogelijk. Maar áls hij geeft, dan geeft hij véél. “Op die manier komt het water bij de diepere uiteinden van de wortels”, verklaart hij. “Anders martel je de planten.” In het verhaal met de titel ‘Het water’ filosofeert Graafland welke gedaantes water allemaal kan aannemen. Wat krijgen we binnen als we lurken aan de kraan? Wat zal dit water in eerdere stadia van zijn eeuwige kringloop al zijn geweest? Poolijs? Atletenzweet? Vissenbloed? Roofdierurine?

We lopen langs een stapel houtstammen. Als we wat langer stilstaan, valt op dat er verschillende schimmels op groeien, wel zes soorten op een klein stukje: een witte, een drillerig groene, een koffiekleurige … Ooit kreeg Graafland van een vriend een blok hout – afkomstig van een gekapte boom uit diens tuin. Elke keer als hij ernaar keek, knaagden er andere dieren aan of groeiden er andere zwammetjes op: naaktslakken en een metselbijtje, maar ook elfenbankjes, zwavelkop, koraalzwam en heksenboter. “Die boomstronk was mijn eerste kennismaking met sommige zwammen en schimmels”, vertelt Graafland. “Dat was hét moment voor mij om me erin te verdiepen.”

Beeld Werry Crone

Een diepe kreun

In de tuin van Weleda wordt zo veel mogelijk met de hand gewerkt: gemotoriseerde gereedschappen worden nauwelijks gebruikt. “We hebben laatst een boom omgezaagd, een wilg die moest wijken voor meidoorn, vlier en sleedoorn. Met collega’s zijn we met handzaagjes een hele week bezig geweest om de stam om te zagen.”

Na een pauze, met zijn blik op oneindig: “De manier waarop een boom neergaat, ontroert me: met een diepe kreun. Dat gaat door je hele lichaam.”

‘Groene Genade, verhalen van tuinman Jan Graafland’, Jan Graafland. Uitgeverij Christofoor, 300 blz., € 24,95.

Lees ook: 

Avontuurlijk tuinieren: tien tips om weer leven in je tuin te brengen

Tuinieren zou geen oorlog tegen de natuur moeten zijn, maar juist een samenwerking. Ga dus niet de slakken en paardebloemen te lijf, maar verdelg vastgeroeste ideeën over tuinieren in het eigen hoofd. Het is een van de boodschappen in het nieuwe boek ‘Avontuurlijk tuinieren’.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden