null Beeld Suzan Hijink
Beeld Suzan Hijink

Jelle's WeekdierWat is een dier

Een dier is geen schimmel, al zijn beide natuurlijk wel heterotroof

Diep in de prehistorie kregen primitieve bacterie-achtige eencelligen een celkern en werden daarmee ­eukaryoot. Ook werden mitochondriën en bladgroenkorrels in de cel opgenomen. Hoogstwaarschijnlijk in die volgorde. Het betekent feitelijk dat planten, die bladgroenkorrels bezitten, in een hoger evolutiestadium verkeren dan organismen die ze ontberen, de dieren en de schimmels dus. Ik vind het een leuke en ontnuchterende gedachte dat de banaan evolutionair gezien een hoger ontwikkelde soort is dan de mens. Wat niet wegneemt dat mensen tot veel meer in staat zijn; ik zie een banaan op zaterdag nog geen krant lezen.

We laten de planten verder voor wat ze zijn: groen. Omdat ze dankzij de fotosynthese zelf hun suikers kunnen maken met behulp van zonlicht, CO2 en water, worden planten wel autotrofe organismen genoemd (van auto = zelf en trophein = voeden); ze voeden zichzelf. Dieren en schimmels kunnen dat niet, ze kunnen nog zo lang in de zon gaan liggen, het levert geen grammetje voedsel op. Ze moeten hun voedsel uit hun omgeving betrekken, ze moeten eten. We noemen dit de heterotrofe organismen (van hetero = vreemd).

Maar een dier is geen schimmel, hoewel beide heterotroof zijn. Wat is dan het verschil tussen een vlieg en een vliegenzwam? Simpel gesteld: dieren hebben een spijsverteringsstelsel, met bijvoorbeeld een mond, een darmkanaal en een anus, hoe primitief die soms ook zijn. Zelfs de meest eenvoudige dieren, de sponzen, hebben instroom- en uitstroomopeningen in hun lichaam, die weliswaar geen mond en anus zijn zoals die van een insect of een zoogdier, maar die qua functie in de richting komen.

Schimmels nemen hun voedsel op in vloeibare vorm

Schimmels hebben dat allemaal niet. Schimmels (je hebt eencellige schimmels zoals gisten en meercellige zoals de zwamvlokken in de bodem waar paddenstoelen uit ontspruiten) nemen hun voedsel in vloeibare vorm op. Ze leven van tot oplosbare moleculen en mineralen vergaan organisch materiaal, dat via hun celwand wordt opgenomen.

De heterotrofe organismen vallen dus uiteen in de vormen zonder en met een spijsvertering, de schimmels en de dieren dus. De schimmels die van vergaan organisch materiaal leven, worden ook wel saprotrofe organismen of saprofyten genoemd (van sapros = rotting en phyton = plant; vroeger werden de schimmels tot het plantenrijk gerekend, wat een vergissing zou blijken). De dieren zijn dus niet-saprofytisch.

Nu hebben we de definitie compleet; ik schreef in de eerste aflevering van deze miniserie dat een dier kan worden gedefinieerd als ‘een meercellige, niet-saprofytische, heterotrofe eukaryoot’. Dat leek toen even een volkomen onbegrijpelijke toverformule, maar hopelijk is het nu duidelijk. ‘Meercellig’ omdat er nu eenmaal geen eencellige dieren bestaan (er zijn wel eencellige planten); ‘heterotroof’ omdat dieren net als schimmels niet in staat zijn om uit CO2 en water hun eigen voedsel te maken; ‘niet-saprofytisch’ omdat ze over een spijsvertering beschikken zodat ze hun voedsel niet in opgeloste vorm via de celwanden hoeven op te nemen, en ‘eukaryoot’ omdat de cellen van dieren zijn voorzien van een celkern.

Het zijn natuurlijk woorden uit het biologische potjesgrieks. Maar het levert ook mooie kapitein Haddock-achtige scheldwoorden op. Eukaryoot! Stomme saprofiet!

(wordt vervolgd)

Jelle Reumer is paleontoloog. Voor Trouw bespreekt hij iedere week een dier dat het nieuws haalt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden